<?xml version="1.0"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xml:lang="nl">
	<id>http://wiki.atlasleuven.be/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Evy</id>
	<title>Atlas Examenwiki - Gebruikersbijdragen [nl]</title>
	<link rel="self" type="application/atom+xml" href="http://wiki.atlasleuven.be/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Evy"/>
	<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Speciaal:Bijdragen/Evy"/>
	<updated>2026-05-05T16:20:30Z</updated>
	<subtitle>Gebruikersbijdragen</subtitle>
	<generator>MediaWiki 1.43.6</generator>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=848</id>
		<title>Geologische analyse en synthese II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=848"/>
		<updated>2025-06-20T03:55:40Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: Info&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Manuel Sintubin|data3=Hoorcollege en terreinstages|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefeningen die daar gemaakt werden worden geëvalueerd tijdens een examen in juni en staat op 15 van de 20 punten. De terreinstages staan op 5 van de 20 punten. Om te slagen op het vak moet je op beide onderdelen geslaagd zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
*10 waar of niet waar vragen (enkel aanduiden, niet uitleggen). Een juist antwoord levert 1 punt op, voor een fout antwoord wordt een punt afgetrokken; geen antwoord levert niets op. (10/100)&lt;br /&gt;
**De plooi-as is alleen bij cilindrische plooien evenwijdig met de scharnierlijn.&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Als de gelaagdheid steiler helt dan de splijting heeft de flank een normale structurele polariteit.&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid.&lt;br /&gt;
**Een shear zone met mylonieten is gewoon een ductiele breuk.&lt;br /&gt;
**Aan de linkerkant van een secundaire M-plooi vinden we de scharnier van een anticline.&lt;br /&gt;
**Als de plooi wordt doorsneden door een splijting dan is eerste de splijting ontstaan en dan pas de plooi.&lt;br /&gt;
**Bij mullions (cospate lobate) wijzen de lobben naar het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Bij een strike slip breuk die sinistraal beweegt, beweegt het linker deel relatief naar je toe ten opzichte van het rechter deel.&lt;br /&gt;
**Bij een klippe dagzoomt de laag die onder de overgeschoven laag is geschoven.[[Bestand:Kaart Spa-Marteau.png|miniatuur|251x251px]]&lt;br /&gt;
*Lang geleden karteerde 2 personen het gebied van Spa-Marteau. De oude kaart is gegeven, punt 6 komt overeen met onze waarnemingspunten 1 en 2. Gd is de formatie van Marteau, SM1 is de formatie van Jalhay. Wij kwamen echter tot een andere conclusie. Schrijf een essay van ongeveer 1 pagina over  onze karteerstrategie en argumentatie. (20/100) &lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven van geologische structuren. Wat zie je op de foto? Beschrijf de structuur duidelijk met behulp van de juiste terminologie. Maak een interpretatie. (3 x 20/100)&lt;br /&gt;
*Een oefening rond structurele en stratigrafische polariteit. Er is een S1 en er is een S2, er is ook een overschuivingsbreuk. (10/100)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
*10 juist/fout vragen:&lt;br /&gt;
**In een scheve gelaagdheid duidt de interne afgesneden gelaagdheid de bovenkant van de laag aan&lt;br /&gt;
**De plooias is altijd evenwijdig met de scharnierlijn&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal&lt;br /&gt;
** Als de splijting steiler helt dan de gelaagdheid heeft de flank een normale structurele polariteit&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid&lt;br /&gt;
*Schrijf een essay over hoe je soft sediment deformation van hard rock deformation kan onderscheiden op het terrein&lt;br /&gt;
*Oefening op structurele en stratigrafische polariteit (gelijkaardig met laatste 3 oefeningen uit bundel)&lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven: bespreek de geologische structuur die hier zichtbaar is en interpreteer ze&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=847</id>
		<title>Geologische analyse en synthese II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=847"/>
		<updated>2025-06-20T03:50:26Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2025 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;== 2025 ==&lt;br /&gt;
*10 waar of niet waar vragen (enkel aanduiden, niet uitleggen). Een juist antwoord levert 1 punt op, voor een fout antwoord wordt een punt afgetrokken; geen antwoord levert niets op. (10/100)&lt;br /&gt;
**De plooi-as is alleen bij cilindrische plooien evenwijdig met de scharnierlijn.&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Als de gelaagdheid steiler helt dan de splijting heeft de flank een normale structurele polariteit.&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid.&lt;br /&gt;
**Een shear zone met mylonieten is gewoon een ductiele breuk.&lt;br /&gt;
**Aan de linkerkant van een secundaire M-plooi vinden we de scharnier van een anticline.&lt;br /&gt;
**Als de plooi wordt doorsneden door een splijting dan is eerste de splijting ontstaan en dan pas de plooi.&lt;br /&gt;
**Bij mullions (cospate lobate) wijzen de lobben naar het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Bij een strike slip breuk die sinistraal beweegt, beweegt het linker deel relatief naar je toe ten opzichte van het rechter deel.&lt;br /&gt;
**Bij een klippe dagzoomt de laag die onder de overgeschoven laag is geschoven.[[Bestand:Kaart Spa-Marteau.png|miniatuur|251x251px]]&lt;br /&gt;
*Lang geleden karteerde 2 personen het gebied van Spa-Marteau. De oude kaart is gegeven, punt 6 komt overeen met onze waarnemingspunten 1 en 2. Gd is de formatie van Marteau, SM1 is de formatie van Jalhay. Wij kwamen echter tot een andere conclusie. Schrijf een essay van ongeveer 1 pagina over  onze karteerstrategie en argumentatie. (20/100) &lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven van geologische structuren. Wat zie je op de foto? Beschrijf de structuur duidelijk met behulp van de juiste terminologie. Maak een interpretatie. (3 x 20/100)&lt;br /&gt;
*Een oefening rond structurele en stratigrafische polariteit. Er is een S1 en er is een S2, er is ook een overschuivingsbreuk. (10/100)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
*10 juist/fout vragen:&lt;br /&gt;
**In een scheve gelaagdheid duidt de interne afgesneden gelaagdheid de bovenkant van de laag aan&lt;br /&gt;
**De plooias is altijd evenwijdig met de scharnierlijn&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal&lt;br /&gt;
** Als de splijting steiler helt dan de gelaagdheid heeft de flank een normale structurele polariteit&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid&lt;br /&gt;
*Schrijf een essay over hoe je soft sediment deformation van hard rock deformation kan onderscheiden op het terrein&lt;br /&gt;
*Oefening op structurele en stratigrafische polariteit (gelijkaardig met laatste 3 oefeningen uit bundel)&lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven: bespreek de geologische structuur die hier zichtbaar is en interpreteer ze&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=846</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=846"/>
		<updated>2025-06-20T03:46:07Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (soorten afvoer verschillend van het totale debiet dus)&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto van een Barchaan. Welk type duin is dit? Uit welke richting komt de wind?&lt;br /&gt;
*Foto met een pijl naar iets op het strand (abrasieplaat?). Zeggen wat het is&lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer, bodem&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse, plaggic&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een punt (shapefile) en een topografische kaart. Het advies is er om GRASS te gebruiken. De profiletool is in een zip mapje gegeven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de lagen? Is dit geografisch of geprojecteerd? Wat is de resolutie?&lt;br /&gt;
* Wat is de maximale helling van het gebied?&lt;br /&gt;
* Maak een kaart met de Strahler orde van de rivieren. Lijst de tools die je heirvoor gebruikte op. Van welke orde is de rivier (punt gegeven)? Maak een volledig afgewerkte kaart met de schaduwkaart als achtergrond en de rivieren per orde een andere kleur. &lt;br /&gt;
* Gegeven is ook een topografische kaart.&lt;br /&gt;
** Is dit een structureel reliëf? Verklaar. &lt;br /&gt;
** Hoe is dit reliëf ontstaan?&lt;br /&gt;
** Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=845</id>
		<title>Geologische analyse en synthese II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=845"/>
		<updated>2025-06-19T13:24:56Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2025 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;== 2025 ==&lt;br /&gt;
*10 waar of niet waar vragen (enkel aanduiden, niet uitleggen). Een juist antwoord levert 1 punt op, voor een fout antwoord wordt een punt afgetrokken; geen antwoord levert niets op. (10/100)&lt;br /&gt;
**De plooi-as is alleen bij cilindrische plooien evenwijdig met de scharnierlijn.&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Als de gelaagdheid steiler helt dan de splijting heeft de flank een normale structurele polariteit.&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid.&lt;br /&gt;
**Een shear zone met mylonieten is gewoon een ductiele breuk.&lt;br /&gt;
**Aan de linkerkant van een secundaire M-plooi vinden we de scharnier van een antcline.[[Bestand:Kaart Spa-Marteau.png|miniatuur|251x251px]]&lt;br /&gt;
*Lang geleden karteerde 2 personen het gebied van Spa-Marteau. De oude kaart is gegeven, punt 6 komt overeen met onze waarnemingspunten 1 en 2. Gd is de formatie van Marteau, SM1 is de formatie van Jalhay. Wij kwamen echter tot een andere conclusie. Schrijf een essay van ongeveer 1 pagina over  onze karteerstrategie en argumentatie. (20/100) &lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven van geologische structuren. Wat zie je op de foto? Beschrijf de structuur duidelijk met behulp van de juiste terminologie. Maak een interpretatie. (3 x 20/100)&lt;br /&gt;
*Een oefening rond structurele en stratigrafische polariteit. Er is een S1 en er is een S2, er is ook een overschuivingsbreuk. (10/100)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
*10 juist/fout vragen:&lt;br /&gt;
**In een scheve gelaagdheid duidt de interne afgesneden gelaagdheid de bovenkant van de laag aan&lt;br /&gt;
**De plooias is altijd evenwijdig met de scharnierlijn&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal&lt;br /&gt;
** Als de splijting steiler helt dan de gelaagdheid heeft de flank een normale structurele polariteit&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid&lt;br /&gt;
*Schrijf een essay over hoe je soft sediment deformation van hard rock deformation kan onderscheiden op het terrein&lt;br /&gt;
*Oefening op structurele en stratigrafische polariteit (gelijkaardig met laatste 3 oefeningen uit bundel)&lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven: bespreek de geologische structuur die hier zichtbaar is en interpreteer ze&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Bestand:Kaart_Spa-Marteau.png&amp;diff=844</id>
		<title>Bestand:Kaart Spa-Marteau.png</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Bestand:Kaart_Spa-Marteau.png&amp;diff=844"/>
		<updated>2025-06-19T13:23:12Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;De kaart werd in het verleden gemaakt door 2 personen maar is volgens prof. Sintubin verkeerd.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=843</id>
		<title>Geologische analyse en synthese II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_II&amp;diff=843"/>
		<updated>2025-06-19T13:21:12Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;== 2025 ==&lt;br /&gt;
*10 waar of niet waar vragen (enkel aanduiden, niet uitleggen). Een juist antwoord levert 1 punt op, voor een fout antwoord wordt een punt afgetrokken; geen antwoord levert niets op. (10/100)&lt;br /&gt;
**De plooi-as is alleen bij cilindrische plooien evenwijdig met de scharnierlijn.&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal.&lt;br /&gt;
**Als de gelaagdheid steiler helt dan de splijting heeft de flank een normale structurele polariteit.&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid.&lt;br /&gt;
**Een shear zone met mylonieten is gewoon een ductiele breuk.&lt;br /&gt;
**Aan de linkerkant van een secundaire M-plooi vinden we de scharnier van een antcline.&lt;br /&gt;
*Lang geleden karteerde 2 personen het gebied van Spa-Marteau. De oude kaart is gegeven, punt 6 komt overeen met onze waarnemingspunten 1 en 2. Gd is de formatie van Marteau, SM1 is de formatie van Jalhay. Wij kwamen echter tot een andere conclusie. Schrijf een essay van ongeveer 1 pagina over  onze karteerstrategie en argumentatie. (20/100)&lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven van geologische structuren. Wat zie je op de foto? Beschrijf de structuur duidelijk met behulp van de juiste terminologie. Maak een interpretatie. (3 x 20/100)&lt;br /&gt;
*Een oefening rond structurele en stratigrafische polariteit. Er is een S1 en er is een S2, er is ook een overschuivingsbreuk. (10/100)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
*10 juist/fout vragen:&lt;br /&gt;
**In een scheve gelaagdheid duidt de interne afgesneden gelaagdheid de bovenkant van de laag aan&lt;br /&gt;
**De plooias is altijd evenwijdig met de scharnierlijn&lt;br /&gt;
**Bij splijtingsrefractie staat de splijting onder een kleinere hoek met de gelaagdheid in het minder competente materiaal&lt;br /&gt;
** Als de splijting steiler helt dan de gelaagdheid heeft de flank een normale structurele polariteit&lt;br /&gt;
**Leisteensplijting ligt altijd evenwijdig met de gelaagdheid&lt;br /&gt;
*Schrijf een essay over hoe je soft sediment deformation van hard rock deformation kan onderscheiden op het terrein&lt;br /&gt;
*Oefening op structurele en stratigrafische polariteit (gelijkaardig met laatste 3 oefeningen uit bundel)&lt;br /&gt;
*3 foto&#039;s gegeven: bespreek de geologische structuur die hier zichtbaar is en interpreteer ze&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=821</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=821"/>
		<updated>2025-06-16T20:23:54Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (verschillend van het totale debiet dus) &lt;br /&gt;
*** Ik vermoed dat dit hortoniaanse afvoer, verzadegingsafvoer en brondebiet waren&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto van een Barchaan. Welk type duin is dit? Uit welke richting komt de wind?&lt;br /&gt;
*Foto met een pijl naar iets op het strand (abrasieplaat?). Zeggen wat het is&lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer, bodem&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse, plaggic&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een punt (shapefile) en een topografische kaart. Het advies is er om GRASS te gebruiken. De profiletool is in een zip mapje gegeven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de lagen? Is dit geografisch of geprojecteerd? Wat is de resolutie?&lt;br /&gt;
* Wat is de maximale helling van het gebied?&lt;br /&gt;
* Maak een kaart met de Strahler orde van de rivieren. Lijst de tools die je heirvoor gebruikte op. Van welke orde is de rivier (punt gegeven)? Maak een volledig afgewerkte kaart met de schaduwkaart als achtergrond en de rivieren per orde een andere kleur. &lt;br /&gt;
* Gegeven is ook een topografische kaart.&lt;br /&gt;
** Is dit een structureel reliëf? Verklaar. &lt;br /&gt;
** Hoe is dit reliëf ontstaan?&lt;br /&gt;
** Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=820</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=820"/>
		<updated>2025-06-16T19:15:31Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2025 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (verschillend van het totale debiet dus) &lt;br /&gt;
*** Ik vermoed dat dit hortoniaanse afvoer, verzadegingsafvoer en brondebiet waren&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto van een Barchaan. Welk type duin is dit? Uit welke richting komt de wind?&lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer, bodem&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een punt (shapefile) en een topografische kaart. Het advies is er om GRASS te gebruiken. De profiletool is in een zip mapje gegeven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de lagen? Is dit geografisch of geprojecteerd? Wat is de resolutie?&lt;br /&gt;
* Wat is de maximale helling van het gebied?&lt;br /&gt;
* Maak een kaart met de Strahler orde van de rivieren. Lijst de tools die je heirvoor gebruikte op. Van welke orde is de rivier (punt gegeven)? Maak een volledig afgewerkte kaart met de schaduwkaart als achtergrond en de rivieren per orde een andere kleur. &lt;br /&gt;
* Gegeven is ook een topografische kaart.&lt;br /&gt;
** Is dit een structureel reliëf? Verklaar. &lt;br /&gt;
** Hoe is dit reliëf ontstaan?&lt;br /&gt;
** Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=819</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=819"/>
		<updated>2025-06-16T19:09:37Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2025 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (verschillend van het totale debiet dus) &lt;br /&gt;
*** Ik vermoed dat dit hortoniaanse afvoer, verzadegingsafvoer en brondebiet waren&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto van een Barchaan. Welk type duin is dit? Uit welke richting komt de wind?&lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer, bodem&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=818</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=818"/>
		<updated>2025-06-16T19:07:17Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2025 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
Fysische geografie 16/06/2025&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (verschillend van het totale debiet dus) &lt;br /&gt;
*** Ik vermoed dat dit hortoniaanse afvoer, verzadegingsafvoer en brondebiet waren&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer, bodem&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=817</id>
		<title>Fysische geografie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Fysische_geografie&amp;diff=817"/>
		<updated>2025-06-16T19:05:53Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Gert Verstraeten|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk|data6=6|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 2e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O69BN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
Het hoorcollege en de oefenzittingen worden geëvalueerd tijdens een examen in juni dat volledig op de computer wordt afgelegd. Voor het theoriegedeelte krijg je 2u tijd om 30 vragen te beantwoorden, daarna krijg je nog een 1u tijd om het praktijkexamen af te leggen. Indien je niet slaagt voor het theoriegedeelte maar wel voor de praktijk kan je ervoor kiezen om deze punten mee te nemen naar augustus en dus enkel nog het theorie-examen af te leggen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie wordt geëvalueerd op basis van de medewerking en een verslag.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De excursie vormt een essentieel onderdeel van dit opleidingsonderdeel. Bij niet-deelname aan deze activiteit voldoet de student niet aan de voorwaarden om het examen af te leggen en zal dan ook gequoteerd worden als &#039;niet afgelegd&#039;. In geval van een gewettigde afwezigheid dient een vervangopdracht te worden uitgevoerd na overleg met de titularis, en blijft de excursie verplichte leerstof.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het niet indienen van verslagen (excursie en/of practicum) geeft eveneens aanleiding tot een quotering voor gans het opleidingsonderdeel als &#039;niet-afgelegd&#039;. Te laat ingediende verslagen en/of verslagen van een lage kwaliteit worden gesanctioneerd met een lagere score op het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De puntenverdeling is als volgt: 15 op het theorie-examen, 3.5 op het praktijkexamen en 1.5 op de excursie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
Fysische geografie 16/06/2025&lt;br /&gt;
*Bodemkaart van een streek in België. Er staat een lijn op waarvan je het hoogteprofiel gegeven krijgt. &lt;br /&gt;
**Bepaal voor minstens 5 bodems op deze kaart de kenmerken (Belgische classificatie)&lt;br /&gt;
**Welke linken zijn er tussen geomorfologie, topografie en bodemkenmerken. &lt;br /&gt;
**Maak de vertaling naar de FAO WRB classificatie. Op welke manier kan je dit doen? &lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de bodemeigenschappen en de topografie verklaren waar er erosie en waar er accumulatie zal optreden? &lt;br /&gt;
*Kaart van Afrika met de klimaatzones. &lt;br /&gt;
**Waarvoor staat NPP en wat drukt het uit? &lt;br /&gt;
**Verklaar de variatie in NPP voor de verschillende gebieden. &lt;br /&gt;
**Welke bodems verwacht je tegen te komen in de verschillende zones? &lt;br /&gt;
*Gegeven een hydrograaf met 4 curves en zonder as-titels. Alle curves horen bij het debiet van een bepaalde rivier na een regenbui. &lt;br /&gt;
**Leg de elementen van de hydrograaf uit (x-as, y-as, piek en tijd van de piek)&lt;br /&gt;
**Wat wordt er voorgesteld door de andere 3 curves (verschillend van het totale debiet dus) &lt;br /&gt;
*** Ik vermoed dat dit hortoniaanse afvoer, verzadegingsafvoer en brondebiet waren&lt;br /&gt;
*Regime van de Nijl met 6 hydrografen. Link elke hydrograaf aan het juiste nummer op de kaart (zie slide van in de les). &lt;br /&gt;
**Wat voor type rivieren worden weergegeven door grafiek A en grafiek B. (episodisch, periodisch of permanent) &lt;br /&gt;
*Topografische kaart met 4 kleine gebiedjes omcirkeld. Geef voor elk van de gebiedjes zowel het dwarsprofiel als het planprofiel. &lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een meanderende rivier. Duidt de verschillende elementen aan.&lt;br /&gt;
*Topografische kaart van een gebied met de rivieren op. Duidt de juiste stelling aan. &lt;br /&gt;
**Dit is een afgenomen dome met cirkelvormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met cirkelvormig drainagepatroon &lt;br /&gt;
**Dit is een bekken met tralievormig drainagepatroon&lt;br /&gt;
**Dit is een geplooid reliëf met centripetaal drainagepatroon&lt;br /&gt;
**…&lt;br /&gt;
*Hjulstrumdiagram gegeven zonder de titel&lt;br /&gt;
**Wat is de naam van dit diagram? &lt;br /&gt;
**Wat staat er op de assen? Wat staat er op de plaats x (hier moest je transport, erosie of sedimentatie in invullen) &lt;br /&gt;
*Driehoekdiagram van de Belgische classificatie is gegeven maar de assen zijn weg gelaten? Wat staat er op elke as? &lt;br /&gt;
*Foto’s gegeven je moet zeggen wat je ziet &lt;br /&gt;
** doline, mesa, nunatak, felsenmeer&lt;br /&gt;
*verklaar kort de begrippen: &lt;br /&gt;
**reg, travertijn, denudatie, cluse&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie (op toledo)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Reliëfvormen en figuren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart gegeven en vier gebieden aangeduid: wat zijn de krommingen?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van Semois) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen + wat voor type rivier?&lt;br /&gt;
* hoogtelijnenkaart (van glaciaal gebied) gegeven: identificeer aangeduide landschapselementen&lt;br /&gt;
* Textuurdiagram (driehoek) gegeven: &lt;br /&gt;
** voor welke classificatie wordt deze gebruikt?&lt;br /&gt;
** Wat voor textuurklasse is een bodem die voor 15% uit klei en voor 25% uit zand bestaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hjulstrom-diagram gegeven zonder titels van assen of met de zones aangeduid. &lt;br /&gt;
** Wat zijn de zones op de figuur? Wat zijn de titels van de assen? Hoe noemt men deze grafiek?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
20 foto&#039;s en/of begrippen uit de cursus: wat is het? Soms ook een bijvraag, bv profielontwikkeling podzol, vormingsproces point bars, ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* podzol, Cvijic, doline, blockfield, barchaanduin, palsa, verwilderde rivier, point bar,&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven zijn vier hydrografen. Deze zijn van toepassing op het Dijlebekken (850 km²) en het bekken van de Bellebeek (100km²), voor een zomers neerslagevent van 60mm op 2u tijd en een winterse vochtige periode waar 200mm regen valt op 2 weken. Welke hydrograaf hoort bij welk bekken voor welke periode? Het bekken van de Bellebeek is in veel sterkere mate verhard dan dat van de Dijle. Verklaar aan de hand van verschillen in afvoertypes.&lt;br /&gt;
* Gegeven:  kaart van NPP in Afrika. Bespreek en verklaar de verschillen in NPP tussen de aangeduide gebieden (Congo, Sahel, Sahara, Somalië, Ethiopisch hoogland, West-Zuid-Afrika en Oost-Zuid-Afrika. Bespreek ook de verschillende bodemtypes die we in deze gebieden kunnen verwachten.&lt;br /&gt;
* Gegeven is een bodemkaart en hoogteprofiel van een gebied in het Demerbekken. Aanwezig is een kalkrijke lösslaag met lemig tot zandlemige textuur. Bespreek de volgende zaken, niet per se in deze volgorde:&lt;br /&gt;
** Verklaar voor minstens 5 bodemtypes de lettercodes van de Belgische classificatie.&lt;br /&gt;
** Maak de vertaalslag tussen de Belgische bodemtypes en die van de WRB. Op basis waarvan doe je dit?&lt;br /&gt;
** Bespreek het verband tussen geomorfologie, topografie en bodemtype.&lt;br /&gt;
** Kan je onderscheiden welke delen van het gebied gekenmerkt worden door erosie en welke door accumulatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk (in een worddocument)&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Gegeven: een DEM, een topografische kaart en één punt (vector) + advies om GRASS te gebruiken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* In welk projectiesysteem staan de gegeven kaartlagen? Is dit geografisch of geprojecteerd?&lt;br /&gt;
* Hoe groot is het rivierbekken van de Little Porto Magie River? Het eindpunt van de stroom is aangegeven met het punt.&lt;br /&gt;
* Welke tools heb je hiervoor gebruikt? Lijst ze op.&lt;br /&gt;
* Maak een afgewerkte kaart, die je hieronder invoegt, van het rivierbekken, met het bekken als rode polygoon. Geef ook het riviernetwerk weer.&lt;br /&gt;
* Wat is de drainagedichtheid van dit rivierbekken? Is dit eerder grof, gemiddeld of fijn?&lt;br /&gt;
** &#039;&#039;Bereken dit door een attribuut lengte toe te voegen aan de rivierenshapefile (layer attributes &amp;gt; field calculator &amp;gt; new field &amp;gt; $length) en vervolgens met de tool &#039;statistics for fields&#039; de totale lengte van het riviernetwerk te bepalen.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Wat voor type structureel reliëf is aanwezig in dit gebied?&lt;br /&gt;
* Wat voor typische landschapselementen voor dit reliëf kan je herkennen op het DEM?&lt;br /&gt;
* Voeg hieronder een representatief hoogteprofiel toe van het gebied waarop je twee kenmerkende landschapselementen aanduidt.  Het hoogteprofiel moet niet afgewerkt worden in excel, en je mag erop aanduiden in bv Paint.&lt;br /&gt;
* Wat voor type drainagenetwerk is aanwezig in het gebied? Dendritisch, centripetaal, tralievormig of parallel?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Er waren twee reeksen, een reeks om 08u en eentje om 9u.&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Het herkennen van profiel en planvormen op hoogtelijn (convex, concaaf, rechtlijnig) (12p)&lt;br /&gt;
* Herkennen van landvormen op een tekening met hoogtelijnen (10p)&lt;br /&gt;
* Vraagje van een foto en zeggen of da structureel reliëf was en hoe rivieren liepen (3p)&lt;br /&gt;
* Van een meanderende rivier zeggen hoe die stroomt (5p)&lt;br /&gt;
* Invullen van weggelaten woorden op grafieken &lt;br /&gt;
** Eentje van duinen (7p)&lt;br /&gt;
** Eentje van rivieren (zo recht, meanderend of gevlochten) (10p)&lt;br /&gt;
* Een punt aangeduid op die bodemdriehoek, zeggen hoeveel silt aanwezig (3p)&lt;br /&gt;
* Tien fotos herkennen (soms ook een extra uitlegje) : tafoni/ honinggraat, desert pavement, alluviale puinwaaier, sea stack, torenkarst , een eind morene , aklé-duin .. &lt;br /&gt;
* Tien woorden verklaren : recovery, denudantie, erg, solifluctie, lunettes, calcifulg, strandberm, return flow , combe , ? &lt;br /&gt;
* Open vragen &lt;br /&gt;
** Hoe verloopt het regime van de Nijl&lt;br /&gt;
** Een transect geven in Eurazie. Verklaar de verandering in NPP&lt;br /&gt;
** Een bodemkaart en een hoogtelijn gegeven  (in Neerijse): Verklaar 5 letter codes, leg de link met topografie, bodemeigenschappen. Link met WRB classsificatie (en waarom) Op welke plaatsen sterke sedimentatie en erosie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 1&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek of het DEM een geografisch of geprojecteerd referentiesysteem is en wat de naam ervan is.&lt;br /&gt;
# Maak een schaduwkaart en zorg dat de helling in het NO een blauwe kleur heeft.&lt;br /&gt;
# Vraag over het rivierbekken extraheren alle tools geven&lt;br /&gt;
# Structureel relief ja of nee? Waarom en geef met een hoogtelijn de belangrijkste kenmerken aan van de landvorm&lt;br /&gt;
# Met welke tool kan je het een kromming tonen en hoe werkt dit en waarom is dit nuttig?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Praktijk reeks 2&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# DEM gegeven : is het geografisch of geprojecteerd? Wat is naam van referentiesysteem? Wat is de resolutie (2p)&lt;br /&gt;
# Hoogtelijnen met equidistantie van 100m  maken en afgewerkte kaart ervan maken (4p)&lt;br /&gt;
# Rivierbekken (15p)&lt;br /&gt;
## Wat is de opp van het rivierbekken? &lt;br /&gt;
## Welke tools gebruikt &lt;br /&gt;
## Maakt afgewerkte kaart met rivierbekken op een schaduwkaart en ook riviernetwerk &lt;br /&gt;
## Bereken de drainagedichtheid (vergeet ni da da in km/km² is) &lt;br /&gt;
# Structureel reliëf (6p of 7p)&lt;br /&gt;
## Is het een structureel relief, zo ja welk ? &lt;br /&gt;
## Hoe is het ontstaan ? &lt;br /&gt;
## Duid aan op een profiellijn 2 belangrijke punten die je antwoord illustreren. Duid ook de gelaagdheid van de geologie aan (mag met paint)&lt;br /&gt;
# Met welke tool maak je een krommingskaart? Hoe werkt dat en waarom nuttig ? (3p ofzo? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 3 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel arcmap&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Staat dit in een geografisch coordinaten systeem?&lt;br /&gt;
# Wat is de projectiesysteem?&lt;br /&gt;
# Bereken de oppervlakte van het rivierbekken&lt;br /&gt;
# Welke stappen heb je hiervoor gebruikt in arcmap&lt;br /&gt;
# Maak een kaart van het geextraheerde rivierbekken met de rivieren op en zet op de achtergrond een schaduwkaart van het gebie&lt;br /&gt;
# Welk structureel relief is het hier&lt;br /&gt;
# Neem een hoogteprofiel en duidt 2 kenmerken van dit structureel reliëf aan en benoem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje met convexe/concaaf/rechtlijnig aanduiden&lt;br /&gt;
# Een paar vragen waar hoogtelijnen kaarten zijn op getoond en er naar landvormen gevraagd wordt.&lt;br /&gt;
# 10-tal afbeeldingen van landvormen die benoemd moesten worden. (onderanderen kegelkarst, massabwegingen, butte,..)&lt;br /&gt;
# 10 woorden die uitgelegd moesten worden&lt;br /&gt;
## Metaevenwicht&lt;br /&gt;
## Peinobioom&lt;br /&gt;
## Polje&lt;br /&gt;
## Crevasse&lt;br /&gt;
## R-kanaal&lt;br /&gt;
## Cluse&lt;br /&gt;
## Mui&lt;br /&gt;
## ...&lt;br /&gt;
# 3 grafieken aanvullen&lt;br /&gt;
## Driehoek van de bodemtextuur&lt;br /&gt;
## Driehoek van de verschillende soorten riviermondingen&lt;br /&gt;
## Grafiek van iets met rivieren op de x en y as&lt;br /&gt;
# 3 grotere vragen&lt;br /&gt;
## Hydrograaf gegeven zonder as namen -&amp;gt; moesten aanvullen en 4 verschillende curves gegeven en die moeten uitleggen&lt;br /&gt;
## Kaart van NPP en bodemkoolstof van USA gegeven. Deze variaties langsheen een traject uitleggen.&lt;br /&gt;
## Bodemkaart gegeven van Belgische classificatie en moesten 5 3-letter codes uitleggen langsheen een traject en linken aan de WRB bodemtypes en aan de topografie. En afleiden waar sedimentatie of erosie plaatsvindt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Veel landvormen, begrippen en foto’s &#039;&#039;&#039;herkennen/uitleggen,&#039;&#039;&#039; glaciale en periglaciale is belangrijk (echt 20 van de 30 vragen zijn gewoon dit)&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Belgische bodemkaart&#039;&#039;&#039; gegeven en een transect hierop: (20punten)5 drielettercodes bespreken, wat betekenen ze?&lt;br /&gt;
## kan je ze in verband brengen met de topografie?&lt;br /&gt;
## kan je ze linken aan WRB-bodemtypes?&lt;br /&gt;
## waar komen deze bodems voor, welke factoren zijn belangrijk bij het bepalen van het bodemtype?&lt;br /&gt;
## kan je aan de hand van de bodems plaatsen afbakenen waar erosie of sedimentatie plaatsvindt?&lt;br /&gt;
# Kaart gegeven van &#039;&#039;&#039;NPP verdeling&#039;&#039;&#039; in Afrika. (10punten)&lt;br /&gt;
## uitleggen wat NPP is&lt;br /&gt;
## verdeling NPP verklaren&lt;br /&gt;
## WRB-bodemtypes bespreken langs N-Z transect&lt;br /&gt;
# Vraag over &#039;&#039;&#039;rivieren en debieten&#039;&#039;&#039; en afstroom (10punten) &lt;br /&gt;
# Gegeven:&lt;br /&gt;
## vier grafieken van debiet over tijd.&lt;br /&gt;
## twee rivierlopen met toestroom gebied gekend (groot&amp;gt;&amp;lt;klein) en landgebruik (veel akker, weiland en bos &amp;gt;&amp;lt; sterk bebouwd).&lt;br /&gt;
## twee neerslag events (200mm verspreid over twee weken &amp;gt;&amp;lt; 600mm op enkele uren tijd) VRAAG: koppel de juiste grafiek aan de juiste rivier en neerslag event. Leg uit waarom en bespreek welke afvoersystemen belangrijk zijn voor het vormgeven van de grafieken.&lt;br /&gt;
# &#039;&#039;&#039;Herkennen&#039;&#039;&#039; van convex, concaaf en rechtlijnig op een hoogtelijnenkaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc. ArcMap moet zonder Google Earth, basemaps mogen wel.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Convex/concaaf benoemen op basis van hoogtelijnenkaart.&lt;br /&gt;
# Topografgische kaart en DEM gegeven. Bepaal orde en oppervlakte van gebied. Ook stroombekken bepalen.&lt;br /&gt;
# Structureel reliëf op basis van deze kaarten uitleggen en geomorfologische kaart tekenen.&lt;br /&gt;
# Fossiel pediment op kaart herkennen (meerkeuze).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling:&amp;lt;/u&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen. Gebruik hierbij verplicht figuren, grafieken en schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# Mondeling: Gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond de Demer ergens), topografische kaart en hoogteprofiel.&lt;br /&gt;
## Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de FAO WRB-classificatie (&#039;&#039;dus bv. podzol&#039;&#039;). &lt;br /&gt;
## Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? &lt;br /&gt;
## Zijn er zones met intense erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen:  NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie&lt;br /&gt;
* 6 afbeelding benoemen: (reeks I): bodem met diagnostische horizont, soort bergafstorting, tarn, ...&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 30 augustus ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Eerst vragen in ArcMap, 1h30 tijd voor. Dan theorie (2h30 tijd incluis mondeling). Theorievragen allemaal zonder pc.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;ArcMap-vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar de variatie in NPP over Afrika. Leg ook uit hoe de fysische processen elkaar beïnvloeden (klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems). Teken een kaart en figuren en/of schema&#039;s.&lt;br /&gt;
# 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken)&lt;br /&gt;
## (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...) &lt;br /&gt;
## 3 rivierbekkens gegeven: Dijle (850km², akkerlanden), Amblève (1000km², bossen), Bellebeek (350 km², verstedelijkt). Teken de debietshydrografen voor een intense regenbui (60mm op een uur) en een lange natte periode (200mm op 2 weken). &#039;&#039;(Je moest dus 6 hydrografen tekenen)&#039;&#039; &lt;br /&gt;
## Leg de verschillen en processen uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 woordjes verklaren en eventueel schetsen: metastabiel, Inselberg, Aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen benoemen (o.a. acrisol, barchanen, talus cone, verwilderde rivier, ...) &#039;&#039;(Omdat het herexamen was kreeg je 2 reeksen en mocht je kiezen welke je maakte)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
* Bodemkaart van gebied rond Neerijse. Geef drie lettercombinaties die veel voorkomen en verklaar wat dit betekent. Welke FAO-bodem is dit dan? Schets ook de bodemprofielen en vermeld de diepte van de horizonten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Je krijgt een topografische kaar van een gebied in de buurt van Leuven, met daarbij een Belgische bodemkaart. Op een apart blad staat een hoogte profiel van een transect getekend (van punt A naar C, meer ergens in het midden punt B, dat hierin een knik maakt). Bepaalt op je topografische kaart waar dit transect getekend is. Welke bodems hier voor komen (volgens WRB en FAO, kunnen linken met Belgische bodemkaart (weet dus bvb waar Abp voor staat). En waar treedt mogelijk veel erosie op. + waar/hoe accumulatie en wat met de waterafvoer&lt;br /&gt;
# Werk op google earth (als ze niet vast loopt tenminste).&lt;br /&gt;
## Verklaar de variatie in NPP over noord Amerika. Linkt dit met klimaat, vegetatie, verweringsprocessen en bodems (de man heeft echt een passie voor grond). Ondersteun je antwoorden met grafieken en modellen gemaakt op google earth.&lt;br /&gt;
# defenitie van woordjes (mesa, dynamisch evenwicht, roche moutonnée, …)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s benoemen (proces of structuur, waarvan 1 bodem).&lt;br /&gt;
# Teken een thermogradiënt van een bodem met een continue permafrost (in volle lijn) en een talik (stippelijn) in zomer en winter.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks voormiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(kregen tijd van 10 tot 14u, de eersten waren buiten om 14u15, de laatsten tegen kwart voor 3.)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vraag in Arcmap (1u30 tijd voor, en dat is echt te weinig dus hard doorwerken):&lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## gegeven een topografische kaart en een DEM. Geef bifurcatieratio, orde van het gebied en een kaartje van de segmenten per orde volgens Strahler.&lt;br /&gt;
## gegeven een DEM : is dit een structureel reliëf? Zo ja welk, geef een transect waarop je belagrijke kenmerken van dit reliëf aanduid, maak een geomorfologische kaart waarop je de belangrijkste kenmerken van dit reliëf aanduid.&lt;br /&gt;
# Vraag in Google Earth (met mondelinge verdediging): Toon de verschillende types riviermondingen (minstens 5) op minstens 3 continenten en geef hierbij de belangrijste kenmerken die voor dit type monding zorgen.&lt;br /&gt;
# Mondelinge verdediging: gegeven een bodemkaart van een België (gebiedje rond Betekom met de Dijle erin) (in de legende staat dus vb Zfe), een topografische kaart van het gebied en een hoogteprofiel. Situeer het hoogteprofiel op de kaart, zeg welke bodems er voorkomen volgens de Europese classificatie. Wat kan je zeggen over de drainering van dit gebied? Zijn er zones met erosie of sedimentatie?&lt;br /&gt;
## Tip: hij vraagt (mondeling) ook naar de interpretatie van de Belgische classificatie (waarvoor staat de eerste, tweede en derde letter en een (vb.) Zfe bodem, wat houdt dat dan in?)&lt;br /&gt;
# 10 woordjes om te verklaren (NPP, oligotroof, combe, secunaire successie, N-kanaal, resilience, reg, resurgentie)&lt;br /&gt;
# 6 afbeeldingen     &lt;br /&gt;
## (reeks III) (meanderende rivier met afzettingsbanken, tor, bodemprofiel, nunatak, een vage foto van een rivier in een vlakte of zo, ...)&lt;br /&gt;
## (reeks VI) (debris flow, talus cone, zelfde vage foto van rivier, acrisol met argic horizon, barchanen, eindmorene)&lt;br /&gt;
# Teken een gletsjerprofiel, duid daarop de verschillende soorten van transport aan, de verschillende bronnen van puin en de verschillende ophopingsplaatsen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks namiddag:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Arcmap: &lt;br /&gt;
## hellingsvormen herkennen&lt;br /&gt;
## bekken en rivieren exraheren, strahler, bifurcatio&lt;br /&gt;
## Welk structureel reliëf, verklaar (Grand Canyon)&lt;br /&gt;
## Geomorfologische kaart&lt;br /&gt;
# Mondeling 1: pluspunt indien met GE (je kreeg een file met allemaal lagen van bodems en neerslag enzo)&lt;br /&gt;
## Vergelijk het koolstofgehalte in de bodems van Zuid-Amerika. Geef betrokken processen in volgorde van belangrijkheid, en het verband ertussen (neerslag, temperatuur, bodems, klimaten, biomen,...)&lt;br /&gt;
# Mondeling 2: 3 bekkens gegeven met verschillende oppervlakte (Dijle, Amblève, Bellebeek)&lt;br /&gt;
## Vergelijk afvoerprocessen. Indien korte regenbui (60mm/u) of lange regenperiode (200mm/2 weken) (Das dus debietgrafieken, afspoeling,...)&lt;br /&gt;
# Foto&#039;s (reeks II): Meander, bodem (was podzol denk ik), sterduin, anastomoserende rivier, hangende vallei, potholes&lt;br /&gt;
# Verklaar, met tekening indien mogelijk:&lt;br /&gt;
## Metastabiel, Inselberg, aklé-duin, calcrete, aquiclude, ventifact, recovery, R-channel, Pingo, primaire succesie&lt;br /&gt;
# Gegeven: Belgische bodemkaart&lt;br /&gt;
## Kies drie bodems die er veel op voorkomen, geef letterverklaring (alle 3)&lt;br /&gt;
## Geef overeenkomstige FAO naam, Teken bodemprofiel met juiste dieptes voor de horizonten&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 18 juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Gegeven: Bodemkaart met Belgische (!) classificatie + topografische kaart van de omgeving rond Betekom evenals een dwarsprofiel die de hoogte weergeeft.  A) Teken het profiel op de topografische kaart  B) Leg aan de hand van dit profiel uit welke bodems we tegenkomen langsheen dit profiel  C) Hoe zouden deze bodems worden ingedeeld volgens FAO-bodemclassificatie?  D) Welke accumulatievormen treden er op?  E) Wat kun je vertellen mbt de waterafvoer in de verschillende gebieden&lt;br /&gt;
# Een rivier vertoont een bepaalde evolutie langsheen zijn loop. Bespreek dit aan de hand van de loop van de Niger in Afrika. Kies een aantal (minstens 4) locaties uit en bespreek aan de hand hiervan. Voor deze oefening mocht Google Earth gebruikt worden inclusief een aantal lagen die info gaven over de neerslag, het klimaat etc. Er werd min of meer verwacht dat ge uw uitleg in een word bestand schreef, inclusief prentjes en dan uploadde via Toledo, eventueel met een kmz erbij.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 begrippen uitleggen: onder andere: Muren, NPP, NADW, Polje, secundaire successie, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
6-tal prentjes: onder meer van een horn, een meanderende rivier, een bodemprofiel, …&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Teken een hoogteprofiel van een gletsjer en duidt hierop de accumulatiezone en de ablatiezone aan. Bespreek ook welke sedimenten er in/rond een gletsjer worden vervoerd. (Of iets in die aard)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningengedeelte&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hellingsprofielen benoemen&lt;br /&gt;
* Herprojecteren van een DHM&lt;br /&gt;
* Rivierorde berekenen (Rivierennetwerk extraheren uit DHM en dan Strahler)&lt;br /&gt;
* Watershed – oppervlakte berekenen&lt;br /&gt;
* Kaart met Geomorfologische structuren aanmaken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hydrologische processen&lt;br /&gt;
# Noord-Amerika, verschil in NPP verklaren in GE adhv verschillende kmz-files (temperatuur, biomen, neerslag, ..)&lt;br /&gt;
# 10 begrippen( + liefst een tekeningetje)&lt;br /&gt;
# prentjes benoemen (oa bodemprofiel)&lt;br /&gt;
# oefeningen: hellingsprofielen, riviernetwerk, DEM: geomorf. kaart&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 2 september ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;(totale tijd: 3u30)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 2 rivieren (Geul in Nederland &amp;amp; Leth in Oostenrijk): bespreek planvorm, geomorfologische processen- welke spelen een rol, welke andere factoren vh fysisch systeem spelen een rol. vergelijk ze &amp;amp; liefst staven met grafieken, figuren, .. in google earth.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: Bornhardt, Cluse, Desert Pavement, Karren, Mesotroof, Esker, Till, Creep, NPP&lt;br /&gt;
# 6 figuren waaronder een bodemprofiel&lt;br /&gt;
# Teken het profiel van de temperatuur met de diepte in een permafrostgebied en duid talik in stippellijn aan. maak een onderscheid tussen zomer en winter&lt;br /&gt;
# oef: (1u30 tijd)&lt;br /&gt;
## Hellingsvormen benoemen&lt;br /&gt;
## Referentiesysteem van het DEM geven&lt;br /&gt;
## Orde en oppervlakte van eht bekken van de Middle Porto Agie River stroomopwaarts van de stad Lander. + tools geven die je hebt gebruikt&lt;br /&gt;
## Structureel relief, zo ja welk? illustreer adhv welgekozen dwarsprofielen en duid gelaagdheid aan + belangrijke landschapselementen. en maak er een geomorfologische kaart van&lt;br /&gt;
## Voor wat wordt fill gebruikt&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 juni ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;08u30 - 10u30 (Reeks 7)&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Govers&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kleien maken een belangrijk deel uit van bodems. Geef enkele voorbeelden van kleien en hun structuur. Hoe beïnvloeden ze de pH, de CEC en de BS? Hoe wordt dit vertaald in de (chemische) vruchtbaarheid van de bodem? Bespreek vervolgens de evolutie van de chemische eigenschappen van de bodem over tijd na (i) het afzetten van loess en (ii) het afzetten van dekzanden aan het einde van de laatste ijstijd. Toon hierbij ook aan wat je van bodemclassificatie kent. Hierbij worden de volgende eigenschappen van de twee bodems gegeven.&lt;br /&gt;
# (a) Volgend kaartje geeft de neerslagverdeling van Australië. Benoem de belangrijkste factoren die deze verdeling bepalen.  (b) Leg &#039;&#039;precies&#039;&#039; uit wat recovery betekent. Wat is de kritische waarde? Geef ten minste twee voorbeelden waarvoor dit concept kan toegepast worden. (c) Leg onderstaande figuur uit. Wat voor implicaties heeft dit? (d) Leg onderstaande figuur uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Deel Prof. Poesen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verklaar kort de volgende termen. Voeg schetsen, grafieken, blokdiagrammen, enz. toe waar nodig.&lt;br /&gt;
## Nabkha&lt;br /&gt;
## Corniche&lt;br /&gt;
## Monadnock&lt;br /&gt;
## &#039;&#039;Avulsion&#039;&#039;&lt;br /&gt;
## Ponor&lt;br /&gt;
# Leg onderstaande grafiek uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 1:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Excursie: Duid de geomorfologische eenheden aan van Ault tot de monding van de Somme. Schets aan de hand van 3-4 kaartjes hoe de evolutie over 10.000 jaar verlopen is.&lt;br /&gt;
* Bodemkaart België: exact dezelfde vraag als in 2009-2010&lt;br /&gt;
* Bespreek het regime van de Nijl en bijrivieren. Gebruik zoveel mogelijk schema&#039;s/grafiekjes. Bespreek ook de ecologie en het ruimtelijk spreidingspatroon hiervan.&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen&lt;br /&gt;
* 10 woordjes (oxbow meer, creep, talik, polje, nunatak, esker...)&lt;br /&gt;
* Teken een debietshydrograaf na een intense, langdurige regenbui voor een sterk verstedelijkt gebied en voor een gebied met half bos, half akkerland. Duid ook de begrippen aan.  &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Reeks 2:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Excursie: Schets en vergelijk de korte en lange termijn evolutie van de kustzone tussen Audresselles en Cap Blanc Nez. Welke geomorfologische processen vinden er plaats en hoe wordt hun intensiteit/voorkomen bepaald door klimatologische, lithologische en biologische kenmerken?&lt;br /&gt;
* Bodemkaart ergens nabij Betekom, topografisch kaart van de regio, opgemeten hoogteprofiel door LIDAR langs bepaald traject. Zoeken hoe dit op het kaartje getrokken was en bodems langs transect bespreken. Waarom komen ze hier voor? Hoe kunnen we ze beschrijving met de Belgische classificatie en WRB? Waar zal erosie en waar zal sedimentatie plaatsvinden op het profiel (zelfde vraag 2009-2010)?&lt;br /&gt;
* Sensivity, relaxation, evenwicht en recovery aan de hand van rivier in België en Franse Alpen (zelfde vraag 2009-2010). Verklaar hoe het komt dat in België de rivieren meanderend zijn gebleven en in de Alpen verwilderd geworden zijn?&lt;br /&gt;
* 10 woordjes: polje, NPP, NADW, secundaire successie, talik, N-channel, muren, wind gap, peneplaine, reg, muurstructuur&lt;br /&gt;
* 6 afbeeldingen met 1 bodem&lt;br /&gt;
* Teken een gletsjer en laat zien hoe en waar sedimenttransport plaatsvindt en van waar het sediment komt. Welke accumulatievormen kunnen er ontstaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# excursie: bespreek op kaart de geomorfoligische eenheden boven noorden van ault welke we gezien hebben op excursie. teken ook enkele kaartbeelden hoe de evolutie is gegaan   &lt;br /&gt;
# we kregen een bodemkaart van een deel in belgie. We hier ook een topografisch kaartje van. Dan kregen we een doorsnede/profiel en moesten we zoeken hoe die getrokken was op de kaart (welliswaar met een hoek!). Daarna moesten we bespreken welke bodems daar op dat traject ligt en waarom. Ook welke bodems volgens FAO hierbij zouden passen. Ook welke accumulatievormen zich kunne vormen. En ook welk drainagetype.   &lt;br /&gt;
# bespreek de monding en processen die hiervoor verantwoordelijk waren van: De mississippi, de ganges, de nijl (voor en na aswandam), de donau en de schelde   &lt;br /&gt;
# 10 woordjes uitleggen (oa: tafoni, oligotroof, mesa, spit,...)   &lt;br /&gt;
# zes foto&#039;s benoemen waarvan een bodem   &lt;br /&gt;
# tekenen van temperatuursverloop onder een continue permafrost, een discontinue en een talik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de kustevolutie op lange en korte termijn voor het traject Audresselles-Cap Gris Nez. Bespreek aan de hand van lithologische, biologische en ? kenmerken. Gebruik de gegeven topografische kaarten.&lt;br /&gt;
# Ook een bodemkaart, topografische kaart en profiel&lt;br /&gt;
# Zowel in de Belgische leemstreek als in de kleine bekkens in de franse alpen heeft er de laatste 1500 jaar erosie plaatsgevonden. Zowel in Belgie als in Frankrijk waren er in oorsprong meanderende rivieren. In de Alpen zijn de meanderende rivieren naar braided rivieren overgegaan en in België zijn ze meanderend gebleven, alhoewel op beide plaatsen de klimatologische omstandigheden dezelfde zijn gebleven. Leg de volgende begrippen zo volledig mogelijk aan de hand van dit voorbeeld uit: relaxation, sensetivity, evenwicht en recovery. Verklaar ook waarom de evolutie zo verschillend is.&lt;br /&gt;
# 10 woordjes: muren, wind gap, reg, peneplaine, polje, NPP, NADW, N-channel, talik, secundaire successie&lt;br /&gt;
# 6 foto&#039;s met een bodem&lt;br /&gt;
# Teken een lengteprofiel van een gletsjer (bodem en bovenkant) met daarop aangegeven de ablatie en accumulatiezone en de verschillende vormen van sedimenttransport door de gletsjer. Geef aan wat de verschillende herkomstbronnen en processen zijn van het puin dat een gletsjer transporteert en in welke accumulatievormen ze kunnen terechtkomen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* catena geven van Seatlle tot florida en al de afvoer en erosie processe in een rivier bekken geven.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) kaartje van een meanderende rivier: in welke richting stroomt het water?&lt;br /&gt;
* (zonder voorbereiding) driehoek van het belgisch textuurdiagram:welke letter krijgt een bodem met 60% silt en 30% klei.&lt;br /&gt;
* figuur op slides met zo in linkerboven hoek een rechte rivier en in de rechter onderhoek een verwilderde: geef de kenmerken die de morfologie van een rivier bepalen aan de hand van deze figuur en schrijf de assen op de figuur.&lt;br /&gt;
* bespreek het bekken van de nijl. Beschrijf de verweringsprocessen, klimaten, bodemtopologien, biomassaproductie en geef de consequenties voor het rivierregime van de nijl.&lt;br /&gt;
* mijn bijvragen: figuur met Aba en Abp bodem in meerdaalwoud: vertaal naar Wrb   en iets met van de koolstofcyclus: leg missing sink uit.&lt;br /&gt;
* bespreek een graded rivier die begint in het hoogtegebergte en via een grote laagvlakte naar de oceaan stroomt op vlak van sedimentologie, erosie en morfologie. teken min. 3 dwarsdoorsneden van die rivier. Geef hierbij ook de overgangen.&lt;br /&gt;
* bespreek (schematisch) van Centraal Europa tot aan de evenaar het klimaat, de bodem, de vegetatie en de belangrijkste processen.&lt;br /&gt;
* 2bodems van belgische klassificatie en vertaal naar wrb&lt;br /&gt;
* hulstrom diagram, benoem de assen&lt;br /&gt;
* de processen van waterafvoer (dus troughflow, baseflow, infiltration excess enz)en van erosie (spat, sheet wash, rill en gully, bron) in een rivierbekken bespreken, en of deze processen veranderlijk zijn in de ruimte (variable source area concept).&lt;br /&gt;
* voor het Nijlbekken de relatie tussen klimaat, vegetatie, bodemtypologie, verwering en biomassa bespreken en de invloed van deze factoren op het rivierregime.&lt;br /&gt;
* catena van Aralmeer tot Noordpool, met aanduiding van klimaat, vegetatie, ...&lt;br /&gt;
* 4 stellingen die vooral gingen over rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
iets van ault en heel de vorming van het appalachisch relief en hoe een rivier hierop loopt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* kaartje van het Atlasgebergte met structureel reliëf.   °analyseer het reliëf   °schets een profiel langs ab en benoem de onderdelen van het structureel reliëf&lt;br /&gt;
* geef de kenmerken van de marien beïnvloede milieus aan de Belgische en Noord-Franse kusten. (eerste vraag: wat versta je onder marien beïnvloede milieus)&lt;br /&gt;
* kaartje van atlas gebergte: maak relief analyse (= beschrijf het relief) + geef een profiel en duidt alle structurele reliefs aan en geef op die manier een interpretatie van het gebied.&lt;br /&gt;
* bespreek de verschillende manieren met betrekking tot ZANDstranden aan Nfranse en belgische kusten om 1 erosie tegen te gaan en 2 het strand te behouden/herstellen. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je er de kustwetmatigheden bij betrekt...&lt;br /&gt;
* geef alles van rivierterassen&lt;br /&gt;
* Foto van Cap blanc nez en cap griz nez (bij eb), bespreek adh van de foto:   - de afzettingen van de laatste getijde   - de afzettingen van de voorbije getijden   - de evolutie van de klif   - waar komen de sedimenten vandaan&lt;br /&gt;
* reliefanalyse en interpretatie van een kaart langs de Maas&lt;br /&gt;
* het belang van de schaal aantonen aan de hand van een voorbeeld naar keuze van op de excursie&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van Davis en bespreek en vergelijk ook nog de andere modellen die bestaan.&lt;br /&gt;
* Ge krijgt een kaartje van duinen: structuren aanduiden, zeggen hoe ze ontstaan zijn en de evolutie van het duinengebied weergeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de evolutie van het kustgebied tussen Cap Gris Nez en Cap Blanc Nez. Welke zijn de huidige processen die plaatsvinden? Worden deze beïnvloed door lithologie, biografie, klimaat?&lt;br /&gt;
# Geef de verschillende bodems die voorkomen in België en bespreek waarom ze zich daar bevinden. Maak een profielontwikkeling van de bodem respectievelijk 10km ten zuiden en 40km ten noorden van Sint-Truiden.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer loopt volgens een thermodynamisch evenwicht.&lt;br /&gt;
## Bij een zeespiegelverlaging treedt er altijd een terugschrijding van de rivier op.&lt;br /&gt;
## Als het debiet in een Ardense rivier stijgt, zal ook het beddingstransport stijgen. Het beddingstransport gebeurt synchroon met het verloop van het waterdebiet&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek enkele zelfgemaakte profielen van de kust in de panne tot 2 km voorbij Adinkerke op basis van een topokaart (gegeven) en bespreek de verschillende sediment milieus en afzettingen.&lt;br /&gt;
# Bespreek de nijl van bron tot monding met de verschillende bijrivieren.&lt;br /&gt;
# 3 stellingen&lt;br /&gt;
## iets over vergelijken van bodems in belgië en globaal&lt;br /&gt;
## sedimenten in bedding en alluviale vlakte van een meanderende rivier&lt;br /&gt;
## iets over een bergrivier waaruit de grote stenen worden uitgehaald en de invloed daarvan op overstromingen daar en stroomafwaarts&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Excursie: Bespreek de verschillende geomorfologische processen ten noorden van Ault en duidt aan op de kaart (gaat tot het estuarium van de Somme) + leg de evolutie van de kustlijn in dit gebied uit ahv 3 à 4 kaartschetsen&lt;br /&gt;
# Alle elementen van de debietshydrograaf uitleggen en nog enkele zaken die de vorm van de curve bepalen:&lt;br /&gt;
## afvloeiingsprocessen&lt;br /&gt;
## vorm van het stroomgebied&lt;br /&gt;
## riviertopologie&lt;br /&gt;
# 3 stellingen:&lt;br /&gt;
## biodiversiteit is lager in een klein gebied&lt;br /&gt;
## de beddingsmorfologie(stroomribbels, afzettingsgrind,...) is gevoeliger voor debietsverandering bij de Dijle dan bij een Frans bergriviertje&lt;br /&gt;
## Een luvisolbodem is meer uitgeloogd dan een podzol en komt daardoor zuidelijker voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Een hoogtelijnenkaart is gegeven. Bespreek: reliëfvorm, reliëfvormgroep, vormeenheden. Geef een interpretatie van het gebied met behulp van een profiel en geef de ontstaansevolutie.&lt;br /&gt;
# Geef een goeie definitie van een estuarium. Bespreek waar ze zich bevinden, hoe ze ontstaan en geef de morfologie. Het antwoord krijgt een meerwaarde als je het kunt koppelen met de gezien Belgische of Franse kusten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Kaartje bespreken van de onthoofding van de Moezel&lt;br /&gt;
# Belangrijkste eigenschappen voor erosie-denudatie van een rotsmassa bespreken (spleten buiten beschouwing gelaten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek de factoren die de energie en afmetingen van een golf bepalen en wat bepaalt de uitwerking van een golf op het strand.&lt;br /&gt;
# Bespreek de afhankelijke en onafhankelijke variabelen die een cuesta (of een ander structureel reliëf) bepalen (vb cuesta).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een tekening van het Aralmeer tot de Noordpool waarin de meest belangrijke kenmerken m.b.t. het klimaat, vegetatie, reliëf, ecologie ... in voorkomen.&lt;br /&gt;
# Figuur uit handboek pg 332 figuur 14.5 welke factoren moet je bij de pijlen plaatsen zodat het schema klopt?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef en bespreek de belangrijkste kenmerken ivm de erodeerbaarheid van een gesteente (hoofdstuk 4 in de cursus)&lt;br /&gt;
## cohesie&lt;br /&gt;
## porositeit vs permeabiliteit (primair &amp;lt;--&amp;gt; secundair)&lt;br /&gt;
## waterverzadigingsgehalte (Is)&lt;br /&gt;
## dichtheid van het spletennet&lt;br /&gt;
## chemische samenstelling&lt;br /&gt;
# Reliëfvormen, vormeenheden en veel meer&lt;br /&gt;
# Excursie: Geef een geologische en topografische doorsnede van de Cap Blanc Nez en de Cap Griz Nez ..&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de bodems van België ( volgens FAO classificatie)+ in welke situatie komen ze voor+ welke bodem aan duinen, ten NO van Leuven (50km) en ZO van Leuven (25km) en bespreek uitgebreid het profiel van die laatste 2&lt;br /&gt;
# 4 stellingen:&lt;br /&gt;
## Als de erosiebasis van een rivier verlaagt, gaat die rivier altijd terugschrijdende erosie uitvoeren&lt;br /&gt;
## Dominant debiet van een rivier is het meest voorkomende debiet&lt;br /&gt;
## Het kappen van het tropisch regenwoud heeft een grotere impact op broeikaseffect dan opschuiven klimaatsgordels in NAm en Siberië&lt;br /&gt;
## Als een bergrivier elk jaar wordt uitgegraven en beddingsmateriaal langs kant gelegd wordt, geeft dit bescherming tegen overstroming van de beddingen en dalen&lt;br /&gt;
# Excursie: Beschrijf het kustprofiel van Ault tot de Panne, zeg waar erosie is, en waar opbouw en vertel ook iets over de processen.&lt;br /&gt;
# Bespreek Nijlbekken. Het regime bespreken over gans het verloop&lt;br /&gt;
 &lt;br /&gt;
# Zijn de stellingen correct?&lt;br /&gt;
## De beddingsmorfologie is bij de Dijle gevoeliger bij debiet verandering dan in een franse bergrivier.&lt;br /&gt;
## Bimodale debietshydrograaf verandert na 1 regenbui door vorm stroombekken en de topologie&lt;br /&gt;
## Bodemtypes van FAO kunnen gezien worden in een gesloten systeem&lt;br /&gt;
## CO2 concentratie kent een hydrodynamisch evenwicht&lt;br /&gt;
# Excursie: profiel van Calais tot Abbeville, duidt Picardië, Artesië en Boulonnais aan + het bodemgebruik.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een dwarsprofiel van een verwilderde en een meanderende rivier en duidt hier de sedimentologische en morfologische structuren op aan zodat duidelijk wordt hoe deze rivier een dal een dal vormen. duidt ook aan waar je kleiafzettingen kan vinden.&lt;br /&gt;
# 4 stellingen&lt;br /&gt;
## Podzol vindt men meer noordwaartst dan luvisol en zijn daarom minder uitgeloogd&lt;br /&gt;
## Da de vegetatie op het australisch continent op dezelfde breedtegraad sterk verschillend is (woestijn tot tropisch regenwoud) is voornamelijk te wijten aan neerslagverschillen die verschillen naar gelang de hoogte&lt;br /&gt;
## Iets van gletsjers en primaire en secundaire successie&lt;br /&gt;
## Gegeven is grafiek van toename van CO2 en dan moet je zeggen of dat gemeten is op Mauna Kea ofzoiets&lt;br /&gt;
# Een foto van tor&#039;s en van de NPP variatie in de wereld. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek het rivierpatroon en de drainagedichtheid in de Boulonnais en Artesië.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Ge krijgt een kaartje, duidt daarop structurele reliëfs aan+ uitleggen+ teken profiel&lt;br /&gt;
# De factoren die invloed hebben op de energie van een golf en de eigenschap waarmee men de uitwerking van een golf op het strand kan afleiden&lt;br /&gt;
# Excursie: bespreek de 3 soorten kliffen die we op excursie gezien hebben adhv morfologie, proces en snelheid proces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Definieer rivierterras. En geef de verschillende soorten rivierterrassen.&lt;br /&gt;
# Geef 2 strandprofielen&lt;br /&gt;
# Excursie: een kaartje en een luchtfoto van de Westhoek in De Panne (zie excursiebundel). De vraag: duidt alle belangrijke reliëfvormen (duinvormen) aan, geef aan waarom je ze zo benoemt en leg aan de hand van een tekening de evolutie van een duinprofiel uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Illustreer met een concreet voorbeeld het belang van schaal in reliëfanalyse. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan toetsen aan je observaties van op excursie&lt;br /&gt;
# Bespreek de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëf. Je antwoord krijgt een meerwaarde als je dit kan koppelen aan de excursie&lt;br /&gt;
# Excursie: gegeven is topokaart van de buurt van Ault&lt;br /&gt;
## duidt alle terreinvormen aan&lt;br /&gt;
## duidt aan tot waar kustwerking actief is&lt;br /&gt;
## bespreek de evolutie van dit gebied, te beginnen bij de oudste reliëfeenheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Tweede zit ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Verstraeten:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef alle componenten van een debietshydrograaf, en leg uit wat de invloed is van volgende eigenschappen op een debietshydrograaf:  a) De verschillende componenten van waterafvoer.  b) De vorm van het stroombekken.  c) De bifurcatieratio van het stroombekken.&lt;br /&gt;
# Stellingen:&lt;br /&gt;
## Hoe dichter bij de evenaar, hoe dieper de verwering. Daarom vinden we podzolbodems, die sterker verweerd zijn, zuidelijker dan luvisolbodems.&lt;br /&gt;
## Als een Ardens riviertje een debietsverhoging meemaakt, zal de verweringssnelheid van de bedload evenredig zijn met het debiet.&lt;br /&gt;
## Hoe meer versnippering, hoe minder biodiversiteit.&lt;br /&gt;
## Grafiekje van de koolstofcyclus, met oa die &#039;unidentified sink&#039; op. Stelling: Dit is de meting van CO2 in de atmosfeer vanop Mauna Kea.&lt;br /&gt;
# Excursie: Maak aan de hand van enkele profieltjes de structuur van de duinen in de Panne duidelijk, tot 2 km het land in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Paulissen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef de kenmerken van marien beïnvloede kustnabije reliëfs. Dit koppelen aan wat je gezien hebt in België/Frankrijk is een surplus.&lt;br /&gt;
# Geef de drie belangrijkste gesteente-eigenschappen van de Selby-methode. Waarom is het belangrijk dat we de sterkte van rotsmassa&#039;s kennen?&lt;br /&gt;
# Topografische kaart met een deel van het Atlasgebergte bespreken. Welke reliëfvormen en structuren.&lt;br /&gt;
# Bespreek zeestromingen, getijdestromingen en kuststromingen ivm sedimenttransport.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Vergelijk de Maas en Demervallei. Bespreek morfologie, sedimenten, riviervorm, afzetting ...&lt;br /&gt;
# Pathways, van een kustvlakte&lt;br /&gt;
# Bespreek schema van ecosysteem ( eerste uit cursus) en geef voorbeelden uit murray darling en colorado rivier&lt;br /&gt;
# Bespreek cuestarelief qua morfologie en rivieren + ontstaan&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Teken een N-Z profiel vanaf de dorpskern in gelrode tot aan de demer. + bespreken natuurlijk (hoe ontstaan, welke bodems, welk landgebruik, vegetatie enzo)&lt;br /&gt;
# Teken een dwarsdoorsnede van een kustprofiel.&lt;br /&gt;
# Leg uit: jurassisch reliëf aan de hand van 3 à 4 zelf te tekenen schetsen. (z&#039;n bijvraag was: teken een dwarsdoorsnede van de combe tot aan de synclinale rivier)&lt;br /&gt;
# Leg uit verwilderde rivier en meanderende rivier aan de hand van een dwarsprofiel. (Alles qua morfologie en afzettingen)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef drie afgesneden meanders die we gezien hebben op excursie, hun genese en hun verder evolutie.&lt;br /&gt;
# Bespreek de interactie tussen kustprocessen en fluviatiele processen voor de Donau, de Nijl (voor en na de bouw van de Aswan dam), de Mississippi, de Ganges en de Schelde. Besteed hier vooral aandacht aan de morfologie.&lt;br /&gt;
# Geef een opsomming van de bodems (FAO) die voorkomen in België, waar ze voorkomen en waarom daar. Geef ook een volledig profiel voor de bodem die voorkomt in het gebied 25 km ten ZO van Leuven en die die voorkomen 50 km ten NO van Leuven.&lt;br /&gt;
# De rivieren in de Beligische leemstreek en in de Franse Alpen waren oorspronkelijk meanderend. Ongeveer 1500 jaar geleden vond in beide regio&#039;s een gelijkaardige landgebruiksverandering plaats (ontbossing). De rivieren in de Franse Alpen werden toen verwilderd, die in België bleven meanderend. Leg aan de hand van dit voorbeeld voor zover mogelijk de begrippen recovery, relaxation, equilibrium uit. Wat is het verschil tussen de rivieren in de Franse Alpen en die in België?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Eerste zit ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Maak een catena van Boortmeerbeek tot aan de Dyle in Haacht. Bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties. andere excursievraag: Teken een profiel van aan de Demer tot Gelrode dorp (Eikelberg etc.) en bespreek de elementen van het fysisch systeem en geef de onderlinge relaties.&lt;br /&gt;
# Woordjes: NPP, ruz, tafoni, neck, cambisol en Norht atlantic Deep Water. &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe. &lt;br /&gt;
# Reliefsinversie: wat? Geef 5 voorbeelden.&lt;br /&gt;
# Bespreek alluviale vlakte en structuur van meanderende rivier vs verwilderde rivier&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek rivierprofiel en kustevolutie bij relatieve zeespiegelstijging. &lt;br /&gt;
# Het tekeningetje waarop verschillende vormen van stroomgebieden staan met eronder telkens een hydrograaf met debiet. &lt;br /&gt;
# Woordjes, voor zover ik ze nog weet: ferralsol, muren, talus slope, Vauclusebron, desert pavement, en nog een paar.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie: situeer op topokaart 3 voorbeelden van afgesneden meanders. Leg hun genese uit en de evolutie na de afsnijding. &lt;br /&gt;
# Woordjes: histosol,butte,bifurcatieratio, imbricatie,tor, calanque &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# Bodems in België: welke, waar, en waarom daar... ook het bodemprofiel geven 50 km ten NO en 25 km ten ZO van Leuven&lt;br /&gt;
# Bespreek de verschillende componenten van de koolstof-cyclus en de veranderingen in de flux gedurende de laatste decennia/eeuwen. Wat zou de impact zijn van ontbossing in tropisch gebergtegebied? Idem voor not-till landbouw?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Excursie : 3 structurele reliëfs &lt;br /&gt;
## op topokaart bundel &lt;br /&gt;
## structurele kenmerken &lt;br /&gt;
## waar van toepassing: riviertypes (obsequent, subsequent, ...) &lt;br /&gt;
## structureel karakter op lokaal of regionaal profiel) &lt;br /&gt;
# anthrosol, combe, aquiclude, underfit river, salina, calcicool vs calcifuug &lt;br /&gt;
# Bespreek opdracht ivm meren in het kader van het fysisch systeem, licht daarbij begrippen als recovery, relaxation en sensivity toe.&lt;br /&gt;
# N - S coupe van Noorwegen (poolcirkel) tot Congo (evenaar) &lt;br /&gt;
## veranderingen in ecosystemen, bodem, dominante geomorfologische processen &amp;amp; landschappen &lt;br /&gt;
# Rivieronthoofding + 4 mogelijke oorzaken schetsmatig uitleggen&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Wijsbegeerte&amp;diff=813</id>
		<title>Wijsbegeerte</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Wijsbegeerte&amp;diff=813"/>
		<updated>2025-06-15T09:46:22Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; Meerkeuzevragen &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Logica &lt;br /&gt;
*Logica&lt;br /&gt;
*Logica &lt;br /&gt;
*In de aula is er een onzichtbaar, onhoorbaar, reukloos, onaanraakbaar monster dat alle studenten jeuk geeft als ze les krijgen in folosofie. Deze stelling is &lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en niet falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Niet verifieerbaar en wel falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Niet verifieerbaar en niet falsifieerbaar &lt;br /&gt;
*Op welke theoretische deugd scoorde de theorie van Ptoleamaus beter dan de theorie van Copernicus?&lt;br /&gt;
**Empirische adequaatheid &lt;br /&gt;
**Eenvoud&lt;br /&gt;
**Vruchtbaarheid &lt;br /&gt;
**Externe consistentie&lt;br /&gt;
*In een kubusfabriek worden kubussen gemaakt met zeiden tussen 0 en 1 meter. Er zijn ook al 3 kubussen van de band gerold met een zeiden tussen 0 en 0,75 meter. Bepaal volgens statistisch frequentisme de waarschijnlijkheid dat er kubussen zijn met zeiden tussen 0 en 0,75 meter. &lt;br /&gt;
**1&lt;br /&gt;
**0&lt;br /&gt;
**0,75&lt;br /&gt;
**Onbepaald &lt;br /&gt;
*Dat er zich een massa in de buurt van Mercurius bevindt die het traject van Mercurius rond de zon significant kan beïnvloeden door middel van de zwaartekracht, was bij de voorspelling van de omloopbaan van Mercurius een &lt;br /&gt;
**observatiezin &lt;br /&gt;
**hulphypothese &lt;br /&gt;
**observatie &lt;br /&gt;
**ad hoc hypothese &lt;br /&gt;
* Volgens Popper is een zwak punt indien een theorie &lt;br /&gt;
**consistent is met alle feitelijke observaties &lt;br /&gt;
**consistent is met alle mogelijke observaties &lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties in de toekomst &lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties tot nu toe &lt;br /&gt;
* Gegeven: er zijn 2 kaarten met op de ene kant een links-rechts-pijl  -&amp;gt; of een rechts-links-pijl &amp;lt;-. Op de andere zijde van de kaart staat neerwaartse pijl ↓ of een opwaartse pijl ↑. Op tafel liggen 2 kaarten. Kaart 1: -&amp;gt; en kaart 2 ↓. Welke kaarten moeten we omdraaien om de stelling “Op iedere kaart met -&amp;gt; staat op de andere zijde ↑” te controleren? &lt;br /&gt;
**allebei de kaarten &lt;br /&gt;
**enkel de eerste kaart en niet de tweede &lt;br /&gt;
**de eerste kaart niet maar de tweede kaart wel &lt;br /&gt;
**geen enkele kaart. &lt;br /&gt;
*Je buur beweert een onzichtbare, onhoorbare, reukeloze en onaanraakbare draak te hebben in zijn garage. Om deze te vinden strooi je bloem op de grond. Je merkt dat er sporen verschijnen. Dit is een voorbeeld van &lt;br /&gt;
**observatie &lt;br /&gt;
**detectie &lt;br /&gt;
**determinatie &lt;br /&gt;
**consistentie&lt;br /&gt;
*“Er zijn 2 soorten allelen. Deze allelen kunnen opsplitten. 1 van de 2 soorten allellen is altijd dominant.” Dit is een voorbeeld van &lt;br /&gt;
**een theorie &lt;br /&gt;
**een opsomming van bewerende zinnen &lt;br /&gt;
**een empirische theorie &lt;br /&gt;
**een logisch opgebouwde theorie &lt;br /&gt;
*Welke premisse behoord tot de stelling van Hume?&lt;br /&gt;
**Het is mogelijk dat de natuur niet uniform is. &lt;br /&gt;
**Empirische bewijzen tonen de uniformiteit van de natuur aan&lt;br /&gt;
**Nog 2 stellingen &lt;br /&gt;
* Wat is de juiste conclusie uit het gedachtenexperiment met de kubusfabriek?&lt;br /&gt;
**Het principe van onvoldoende reden is inconsistent, tenzij je een keuze maakt uit de verschillende manieren om de mogelijkheden te beschrijven &lt;br /&gt;
**Het principe van onvoldoende reden is inconsistent, als je een keuze maakt uit de verschillende manieren om de mogelijkheden te beschrijven &lt;br /&gt;
**De waarschijnlijkheid dat een kubus met een zijlengte tussen 0m en 1/2m van de band rolt, is gelijk aan ½ en is verschillend van ½ &lt;br /&gt;
**Singuliere beschrijvingen van mogelijkheden leiden in combinatie met het principe van onvoldoende reden tot inconsistentie &lt;br /&gt;
* Volgens welke confirmatietheorieën kan ‘de kans dat Ra226 binnen 160 radioactief verval ondergaat is 50%’ ge(dis)confirmeerd worden?&lt;br /&gt;
**De hypothetisch-deductieve theorie en de bayesiaanse theorie &lt;br /&gt;
**De hypothetisch-deductieve theorie maar niet de bayesiaanse theorie &lt;br /&gt;
**Niet de hypothetisch-deductieve theorie maar wel de bayesiaanse theorie &lt;br /&gt;
**Niet de hypothetisch-deductieve theorie en niet de bayesiaanse theorie&lt;br /&gt;
*eer bestaan 2 soorten van de theorie over de schijf van Poincaré. Welke stelling klopt &lt;br /&gt;
**De twee theorieën zijn empirisch equivalent en de ene kan worden verkozen boven de andere &lt;br /&gt;
**De twee theorieën zijn empirisch equivalent en de ene kan niet boven de andere verkozen worden &lt;br /&gt;
**De twee theorieën zijn niet empirisch equivalent. &lt;br /&gt;
**Alleen 1 van de twee theorieën is empirisch equivalent. &lt;br /&gt;
*Welke van onderstaande problemen geeft een probleem aan met de noodzakelijke voorwaarde van een enkelvoudig demarcatiecriterium&lt;br /&gt;
**4 mogelijke problemen &lt;br /&gt;
*Wat is niet vereist volgens de beste-systeem-analyse van wetten indien er een wet is en die essentieel is&lt;br /&gt;
**Alle stellingen in de theorie zijn waar &lt;br /&gt;
**De theorie mag universeel gekwantificeerde zinnen bevatten &lt;br /&gt;
**De theorie moet niet logisch consistent zijn &lt;br /&gt;
**De theorie moet niet de optimale combinatie van eenvoud en kracht zijn &lt;br /&gt;
*Een vraag over die trichtomie ofzoiets en die andere over significantieniveaus &lt;br /&gt;
*Een vraag over wetten die nodig zijn om wetten af te leiden ofzoiets &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
**Wat is het methodologisch falsificationisme en welke problemen komen hierbij kijken. &lt;br /&gt;
**Module evolutie: Wat is fitness op niveau van micro-evolutie? Wat is fitness in het algemeen? Wat is tautologie? &lt;br /&gt;
**Module antropogene klimaatopwarming: Waarom is er sprake van zwakke falsificatie bij de hypothese van antropogene klimaatopwarming door de temperatuur anomalie tussen 1998 en 2013 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; Meerkeuzevragen &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Logica&lt;br /&gt;
*Logica&lt;br /&gt;
*Logica&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Op welke theoretische deugd scoorde de theorie van Ptolemaus beter dan de theorie van Copernicus? &lt;br /&gt;
**Empirische adequaatheid &lt;br /&gt;
**Eenvoud &lt;br /&gt;
**Vruchtbaarheid &lt;br /&gt;
**Externe consistentie &lt;br /&gt;
*In de aula is er een onzichtbaar, onhoorbaar, reukloos, onaanraakbaar monster dat de studenten jeuk geeft. Deze stelling is&lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Niet verifieerbaar en wel falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Wel verifieerbaar en niet falsifieerbaar &lt;br /&gt;
**Niet verifieerbaar en niet falsifieerbaar &lt;br /&gt;
*In een kubusfabriek worden kubussen gemaakt met zijden tussen 0 en 0,75. Bepaal volgens statistisch frequentisme de waarschijnlijkheid dat er kubussen zijn met zijden 0,75. &lt;br /&gt;
**1&lt;br /&gt;
**0&lt;br /&gt;
**0,75&lt;br /&gt;
**Onbepaald &lt;br /&gt;
*Dat er zich een massa in de buurt van Uranus bevindt die het traject van Uranus rond de zon significant kan beïnvloeden door middel van de zwaartekracht, was bij de voorspelling van de omloopbaan van Uranus een &lt;br /&gt;
**Observatiezin &lt;br /&gt;
**Hulphypothese &lt;br /&gt;
**Observatie &lt;br /&gt;
**Ad hoc hypothese &lt;br /&gt;
*Volgens Popper is een zwak punt indien een theorie &lt;br /&gt;
**consistent is met alle feitelijke observaties &lt;br /&gt;
**consistent is met alle mogelijke observaties &lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties in de toekomst &lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties tot nu toe &lt;br /&gt;
*Gegeven: er zijn 2 kaarten met op de ene kant een links-rechts-pijl  -&amp;gt; of een rechts-links-pijl &amp;lt;-. Op de andere zijde van de kaart staat neerwaartse pijl ↓ of een opwaartse pijl ↑. Op tafel liggen 2 kaarten. Kaart 1: -&amp;gt; en kaart 2 ↓. Welke kaarten moeten we omdraaien om de stelling “Op iedere kaart met -&amp;gt; staat op de andere zijde ↑” te controleren?&lt;br /&gt;
**Allebei de kaarten &lt;br /&gt;
**Enkel de eerste kaart en niet de tweede &lt;br /&gt;
**De eerste kaart nier maar de tweede kaart wel &lt;br /&gt;
**Geen enkele kaart &lt;br /&gt;
*Een punt van kritiek op Humes probleem van inductie is dat: &lt;br /&gt;
**Er geen reden is om aan te nemen dat de natuur uniform is&lt;br /&gt;
**Ook als de natuur uniform is, is er geen reden om de conclusie van een naïeve inductie te geloven &lt;br /&gt;
**De aanname dat de natuur uniform is, kan deductief gerechtvaardigd worden &lt;br /&gt;
**De conclusie van een naïeve inductie kan ook een beste verklaring voor waarnemingen zijn &lt;br /&gt;
*Je buur beweert een onzichtbare, onhoorbare, reukloze draak te hebben in zijn garage. Om deze te vinden strooi je bloem op de grond. Je merkt dat er sporen verschijnen. Dit is een voorbeeld van&lt;br /&gt;
**Observatie &lt;br /&gt;
**Detectie &lt;br /&gt;
**Determinatie &lt;br /&gt;
**Consistentie &lt;br /&gt;
*&amp;quot;Protonen hebben een negatieve lading. Elektronen hebben een positieve lading. Protonen en elektronen hebben dezelfde massa.&amp;quot; Dit is een voorbeeld van &lt;br /&gt;
**Een theorie &lt;br /&gt;
**Een opsomming van bewerende zinnen &lt;br /&gt;
**Een empirische theorie &lt;br /&gt;
**Een logisch opgebouwde theorie &lt;br /&gt;
*Welke premisse behoort tot de stelling van Hume &lt;br /&gt;
**...&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; Open vragen &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is onderdeterminatie? &lt;br /&gt;
**Welke problemen zijn er met onderdeterminatie? &lt;br /&gt;
*Vul 1 in afhankelijk van de gekozen module&lt;br /&gt;
**Leg in je eigen woorden uit waarom het biologische soortconcept baat kan hebben bij een beperkte transitie &lt;br /&gt;
**Bespreek het Quin-Duhem probleem voor klimaatwetenschap &lt;br /&gt;
**De stelling van Götel&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; Meerkeuzevragen &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Een ideale deliberatie in de zin van Kitcher en Baker verwijst naar: &lt;br /&gt;
**een procedure die gebruikt zou moeten worden om onderzoeksonderwerpen te kiezen.&lt;br /&gt;
**een gedachte-experiment waarmee we de huidige verdeling van onderzoeksonderwerpen in de wetenschap kunnen evalueren&lt;br /&gt;
**een procedure waarmee we onze huidige procedures om onderzoeksonderwerpen mee te kiezen kunnen vergelijken.&lt;br /&gt;
**het model waarop peer-review gebaseerd is, maar waaraan peer review nooit volledig aan kan beantwoorden&lt;br /&gt;
*welke van de vier volgende stellingen karakteriseren observaties in goed hedendaags wetenschappelijk onderzoek:&lt;br /&gt;
**observaties die geaccepteerd en bevestigd worden door onderzoekers met uiteenlopende	voorkeuren en waardeoordelen.&lt;br /&gt;
**observaties die volledig onafhankelijk zijn van factoren zoals geslacht van de wetenschapper en de politieke voorkeur van de wetenschapper.&lt;br /&gt;
**observaties die zo min mogelijk gebruik maken van theoretische vooronderstellingen, aangezien deze observaties bedoeld zijn om theorieën te ondersteunen.&lt;br /&gt;
**observaties die zo min mogelijk gemaakt zijn door middel van instrumenten die zelf berusten op theorieën die niet volledig zeker zijn.&lt;br /&gt;
*Dat er zich geen massa in de buurt van Uranus bevindt die het traject van Uranus rond de zon significant kan beïnvloeden dmv zwaartekracht, was bij de voorspelling van de omloopbaan van Uranus een&lt;br /&gt;
**observatiezin&lt;br /&gt;
**hulphypothese&lt;br /&gt;
**observatie&lt;br /&gt;
**ad hoc hypothese&lt;br /&gt;
*&#039;Alle studenten in deze aula zijn kleiner dan 3 meter&#039;. Deze uitspraak is:&lt;br /&gt;
**verifieerbaar en falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**verifieerbaar maar niet falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**falsifieerbaar maar niet verifieerbaar&lt;br /&gt;
**niet verifieerbaar en niet falsifieerbaar&lt;br /&gt;
*Beschouw de volgende redenering: &#039; wetenschappers leiden al eeuwen lang algemene conclusies af uit particuliere observaties, en die conclusies blijken meestal erg betrouwbaar te zijn. Er lijkt dan ook weinig reden te zijn voor de wetenschappers om de zaken anders aan te pakken.&lt;br /&gt;
**circulair&lt;br /&gt;
**niet verifieerbaar&lt;br /&gt;
**inductief geldig&lt;br /&gt;
**deductief&lt;br /&gt;
*Op Mars komt op seizoenale wijze methaan vrij in de atmosfeer. Dat kan gebeuren door geologische processen, of door levende organismen. Bij een boring in de bodem van wat vroeger een meer was op Mars, ontdekte men 3 methaan gerelateerde stoffen (n.l. …). Op Aarde worden die stoffen gebruikt door organismen die er aminozuren mee produceren (of zoiets). De hypothese dat er leven is op Mars wordt dus versterkt. Welke van de volgende principes werd hier impliciet gebruikt?&lt;br /&gt;
**Externe consistentie&lt;br /&gt;
**Eenvoud&lt;br /&gt;
**Reikwijdte&lt;br /&gt;
**Vruchtbaarheid&lt;br /&gt;
*Een fallibilistische kijk op de wetenschap houdt in dat:&lt;br /&gt;
**alle algemeen aanvaarde wetenschappelijke theorieën fout zijn&lt;br /&gt;
**sommige algemeen aanvaarde wetenschappelijke theorieën misschien fout zijn.&lt;br /&gt;
**we pas zekerheid zullen hebben over de wetenschappelijke theorieën in de verre toekomst.&lt;br /&gt;
**Wetenschap naar volledige zekerheid moet streven, maar die misschien niet kan bereiken.&lt;br /&gt;
*In de jaren 1970 hadden primatologen, onder meer door de influx van nieuwe onderzoekers, plots meer aandacht voor de interactie tussen mannelijke en vrouwelijke primaten. Dit leidde tot belangrijke ontdekkingen en veranderingen in de primatologie, dit is een voorbeeld van:&lt;br /&gt;
**hoe diversiteit bestaande vooringenomenheden kan ontmaskeren.&lt;br /&gt;
**hoe diversiteit leidt tot meer intern consistente theorieën.&lt;br /&gt;
**hoe waarden die onmiskenbaar niet-epistemisch zijn toch een vruchtbare rol kunnen spelen in de	wetenschap.&lt;br /&gt;
**hoe diversiteit een oplossing kan bieden voor het probleem van onderdeterminatie.&lt;br /&gt;
*De gronden waarop Lysenko het wetenschappelijke werk van Vavilov afwees gaan in tegen:&lt;br /&gt;
**het naïeve en gesofisticeerde ideaal van waardevrije wetenschap.&lt;br /&gt;
**het naïeve maar niet het gesofisticeerde ideaal van waardevrije wetenschap.&lt;br /&gt;
**het gesofisticeerde maar niet het naïeve ideaal van waardevrije wetenschap.&lt;br /&gt;
**Noch het naïeve, noch het gesofisticeerde ideaal van waardevrije wetenschap.&lt;br /&gt;
*Volgens het argument van inductief risico, moeten wetenschappers niet-epistemische waarden in overweging nemen bij de beslissingen over het interpreteren van de data:&lt;br /&gt;
**omdat ze, net als de burgers, verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van hun beslissingen.&lt;br /&gt;
**om zo te verzekeren dat de resultaten in zijn van wat moreel en sociaal wenselijk is.&lt;br /&gt;
**omdat dit de diversiteit aan waarden in wetenschap ten goede komt, en zo bestaande veronderstellingen ontmaskerd kunnen worden.&lt;br /&gt;
**omdat, omwille van het Quine-Duhem probleem, de data op eender welke manier geïnterpreteerd kan worden.&lt;br /&gt;
*Tijdens de covid-19 pandemie moesten virologen vaak hun bevindingen communiceren aan de overheid en bevolking. Er wordt soms gezegd dat wetenschappers hierbij zo weinig mogelijk hun persoonlijke oordeel moeten geven. Over deze &#039;clean hands science&#039; strategie kunnen we zeggen dat:&lt;br /&gt;
**dit het voordeel heeft dat de geloofwaardigheid van de wetenschap beter in stand	gehouden wordt.&lt;br /&gt;
**dit het voordeel heeft dat wetenschap waardevrij blijft omdat het probleem van inductief risico zich niet stelt.&lt;br /&gt;
**dot het voordeel heeft dat de wetenschappers zo nooit de afweging moeten maken tussen de kans op vals positieven en de kans op vals negatieven&lt;br /&gt;
**dit het voordeel heeft dat de interne delen van de wetenschap waardevrij blijven.&lt;br /&gt;
*Newton en Leibniz waren in een conflict verwikkeld over wie als eerste de differentiaal en integraalrekening had ontwikkeld. Newton was in een gelijkaardig conflict verwikkeld met Hooke over de gravitatiewet. Deze conflicten zijn een voorbeeld van:&lt;br /&gt;
**Hoe de sociale structuur van de wetenschap een motivatie vormt voor de wetenschappers.&lt;br /&gt;
**hoe de sociale structuur van de wetenschap leidt tot een sociale objectiviteit.&lt;br /&gt;
**hoe de sociale structuur van de wetenschap leidt tot zelfzuchtige wetenschappers.&lt;br /&gt;
**hoe de sociale structuur van de wetenschap tot een optimale verdeling van de onderzoeksonderwerpen leidt.&lt;br /&gt;
*Osiander&#039;s interpretatie (beschreven in het voorwoord van Osiander&#039;s uitgave van het werk van Copernicus) van de heliocentristische theorie van Copernicus illustreert:&lt;br /&gt;
**hoe de resultaten van wetenschappelijk werk uit de wetenschappelijke revolutie soms compatibel zijn met het heersende Christelijke wereldbeeld.&lt;br /&gt;
**hoe wiskunde soms een cruciale rol speelt in de wetenschappelijke revolutie&lt;br /&gt;
**hoe het aristotelische wereldbeeld incompatibel is met de wetenschappelijke revolutie&lt;br /&gt;
**hoe experimenten soms een cruciale rol spelen in de wetenschappelijke revolutie&lt;br /&gt;
*Volgens Popper is het een zwak punt indien een theorie:&lt;br /&gt;
**consistent is met alle feitelijke observaties&lt;br /&gt;
**consistent is met alle mogelijke observaties&lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties in de toekomst&lt;br /&gt;
**consistent is met alle observaties tot nu toe&lt;br /&gt;
*Alchemie heeft de moderne wetenschap beïnvloed in de zin dat:&lt;br /&gt;
**alchemie ook eerder op de experimenten dan op natuurlijke observaties beruste.&lt;br /&gt;
**alchemie ook eerder op waarheid dan controle en interventie gericht was.&lt;br /&gt;
**alchemie ook steeds in gemeenschappen van onderzoek plaatsvond.&lt;br /&gt;
**alchemie observaties ook steeds probeerde te verbinden aan wiskundige beschrijvingen van de werkelijkheid.&lt;br /&gt;
*Welke van de volgende stellingen is fout.&lt;br /&gt;
**Diversiteit in de wetenschap is epistemisch belangrijk in de wetenschap, omdat wetenschappers altijd impliciete, niet geteste assumpties maken in hun onderzoek.&lt;br /&gt;
**zelfzuchtigheid in de wetenschap is belangrijk omdat dit bijdraagt aan een epistemisch optimale verdeling van onderzoeksonderwerpen in de wetenschap.&lt;br /&gt;
**&#039;universalisme&#039; (in de zin van Merton) is belangrijk in de wetenschap omdat dit noodzakelijk is voor sociale objectiviteit.&lt;br /&gt;
**georganiseerd scepticisme is onder meer belangrijk in de wetenschap om de p-hacking en onjuist gebruik van statistische methodes te vermijden.&lt;br /&gt;
*Welk verschil tussen Freud&#039;s theorieën en evolutietheorie maakt dat de eerste volgens Popper geen wetenschap is, en de tweede wel?&lt;br /&gt;
**Evolutietheorie is inconsistent met sommige mogelijke waarnemingen, en Freud&#039;s theorie niet.&lt;br /&gt;
**Freud&#039;s theorie kan geen verklaring voor veel bestaande observaties, en evolutietheorieën wel.&lt;br /&gt;
**Freud&#039;s theorie is gefalsifieerd maar wordt van kritiek afgeschermd door ad-hoc hypotheses. Dit is niet het geval voor evolutietheorie&lt;br /&gt;
**Freud&#039;s theorie is inconsistent met sommige mogelijke waarnemingen, en evolutietheorie niet.&lt;br /&gt;
*Het antwoord van Ruse op de demarcatievraag geeft:&lt;br /&gt;
**individueel noodzakelijk en gezamelijk voldoende voorwaarden voor een veld om als wetenschap te gelden.&lt;br /&gt;
**individueel noodzakelijk maar niet gezamelijk voldoende voorwaarde voor een veld om als wetenschap te gelden.&lt;br /&gt;
**niet individueel noodzakelijk en niet gezamelijk voldoende voorwaarde voor een veld om als wetenschap te gelden. (p309)&lt;br /&gt;
**niet individueel noodzakelijk, maar gezamelijk voldoende voorwaarde voor een veld om als wetenschap te gelden&lt;br /&gt;
*Welke les mogen we trekken uit het nieuwe raadsel van Goodman? P213&lt;br /&gt;
**tenzij er reden is om aan te nemen dat de natuur uniform is, is er geen reden om geloof te hechten aan de conclusie van inductieve redeneringen.&lt;br /&gt;
**Ook al is er reden is om aan te nemen dat de natuur uniform is, is er geen reden om geloof te hechten aan de conclusie van de ene inductieve redenering boven de andere&lt;br /&gt;
**tenzij er reden is om aan te nemen dat de natuur uniform is, is er geen reden om geloof te hechten aan de conclusie van de ene inductieve redenering boven de andere&lt;br /&gt;
**Ook al is er reden om aan te nemen dat de natuur uniform is, is er reden om geloof te hechten aan de conclusies van inductieve redeneringen.&lt;br /&gt;
*Sommige filosofen leiden uit experimenten in de kristallografie af dat er niet-observeerbare entiteiten bestaan. Dit is een voorbeeld van:&lt;br /&gt;
**epistemologie in de wetenschapsfilosofie&lt;br /&gt;
**ethiek in de wetenschapsfilosofie&lt;br /&gt;
**Metafysica in de wetenschapsfilosofie&lt;br /&gt;
**tweede orde denken in de wetenschapsfilosofie&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; Meerkeuzevragen &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*In de aula is er een onzichtbaar, onhoorbaar, reukloos, onaanraakbaar monster dat de studenten jeuk geeft. Deze stelling is:&lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en niet-falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Niet-verifieerbaar en falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Niet-verifieerbaar en niet-falsifieerbaar&lt;br /&gt;
*In Nederland wonen (afgerond) 17 miljoen mensen. Er zijn in Nederland 60.000 mannen die groter zijn dan 2 meter. Bepaal volgens het statistisch frequentisme de waarschijnlijkheid dat er Nederlandse mannen zijn groter dan 2m.&lt;br /&gt;
**1&lt;br /&gt;
**3/850&lt;br /&gt;
**0&lt;br /&gt;
**Onbepaald&lt;br /&gt;
*Thales’ verklaring voor aardbevingen is analoog met:&lt;br /&gt;
**Een boot op een ruige zee&lt;br /&gt;
**...&lt;br /&gt;
*Welke waarneming versterkte Galileo’s geloof in het heliocentrisme?&lt;br /&gt;
**De schijngestalten van de maan&lt;br /&gt;
**De schijngestalten van Venus&lt;br /&gt;
**De manen van Venus&lt;br /&gt;
**Kometen die de banen van planeten kruisten&lt;br /&gt;
*Op Mars komt op seizoenale wijze methaan vrij in de atmosfeer. Dat kan gebeuren door geologische processen, of door levende organismen. Bij een boring in de bodem van wat vroeger een meer was op Mars, ontdekte men 3 methaangerelateerde stoffen (n.l. …). Op Aarde worden die stoffen gebruikt door organismen die er aminozuren mee produceren (of zoiets). De hypothese dat er leven is op Mars wordt dus versterkt. Welke van de volgende principes werd hier impliciet gebruikt?&lt;br /&gt;
**Externe consistentie&lt;br /&gt;
**Eenvoud&lt;br /&gt;
**Reikwijdte&lt;br /&gt;
**Vruchtbaarheid&lt;br /&gt;
*De Rode Duivels spelen morgenavond tegen Duitsland. Daarbij kunnen ze winnen of niet winnen. Stel dat je weet dat je bij niet-winst kan verliezen of gelijkspelen. Je weet ook dat er maar één ploeg kan winnen of maar één ploeg kan verliezen. Op basis van het principe van onvoldoende reden, wat is de kans dat de Rode Duivels morgen winnen?&lt;br /&gt;
**½&lt;br /&gt;
**1/3&lt;br /&gt;
**½ óf 1/3, afhankelijk van de beschrijving&lt;br /&gt;
**½ én 1/3, afhankelijk van de beschrijving&lt;br /&gt;
*Alle studenten in deze aula zijn kleiner dan 3 meter. Deze stelling is:&lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Verifieerbaar en niet-falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Niet-verifieerbaar en falsifieerbaar&lt;br /&gt;
**Niet-verifieerbaar en niet-falsifieerbaar&lt;br /&gt;
*Welk van volgende theorieën gaat uit van een mechanistisch wereldbeeld?  152&lt;br /&gt;
**Ether van Aristoteles&lt;br /&gt;
**Planeetbeweging volgens Kepler&lt;br /&gt;
**Draaikolken van Descartes&lt;br /&gt;
**Zwaartekrachtstheorie van Newton&lt;br /&gt;
*Wat zou Osiander gezegd hebben over de stelling van Kepler dat de zon een kracht uitoefent op de planeten?&lt;br /&gt;
**Dat het interessant is om de beweging van de planeten mee te berekenen.&lt;br /&gt;
**Dat het onnodig is om de banen van de planeten mee te berekenen.&lt;br /&gt;
**...&lt;br /&gt;
*Stel een wetenschapper onderzoekt een theorie en hij is 100% overtuigd dat ofwel hypothese A ofwel hypothese B correct zijn. Een 2de wetenschapper komt op de proppen met de interessante hypothese C, maar kan er nog niet over communiceren. Wetenschapper 1 voert vervolgens een experiment uit waarvan de observaties consistent zijn met hypotheses A en C. Volgens Bayesiaanse confirmatie theorie zal het geloof van wetenschapper 1 na het experiment:&lt;br /&gt;
**Groter worden in A en groter worden in C&lt;br /&gt;
**Groter worden in A en onveranderd blijven in C&lt;br /&gt;
**Eventueel groter worden in A en eventueel groter worden in C&lt;br /&gt;
**Eventueel groter worden in A en onveranderd blijven in C&lt;br /&gt;
*Ptolemaeus gebruikt het excenter om te verklaren dat:&lt;br /&gt;
**De snelheid van de planeten trager lijkt wanneer ze ver van de aarde zijn.&lt;br /&gt;
**De snelheid van planeten hoger lijkt wanneer ze ver van de aarde zijn.&lt;br /&gt;
**De snelheid van planeten trager is wanneer ze ver van de aarde zijn.&lt;br /&gt;
**De snelheid van de planeten hoger is wanneer ze ver van de aarde zijn.&lt;br /&gt;
*Newton verwerpt de indeling van Aristoteles in het ondermaanse en het bovenmaanse op basis van:&lt;br /&gt;
**Abductie&lt;br /&gt;
**Inductie&lt;br /&gt;
**Deductie&lt;br /&gt;
**Mathesis Universalis&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Introduction_to_Geoprocessing&amp;diff=809</id>
		<title>Introduction to Geoprocessing</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Introduction_to_Geoprocessing&amp;diff=809"/>
		<updated>2025-06-13T08:15:28Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: Nieuwe pagina aangemaakt met &amp;#039;&amp;lt;i&amp;gt; Vak over programmeren, gedoceerd door prof. Van Lipzig.   ==Juni 2025== &amp;lt;/b&amp;gt; Het examen is in het Engels, vertaling op de achterkant. &amp;lt;/b&amp;gt; Heat wave mortality over Brussels:  Extreme heat kan be dangerous for humann health, and people may die during a heat wave. Scientific studies have shown that mortality significantly increases during days with very high temperatures. In this excersice, we will calculate how many people heve died in Brussels due to a fiv…&amp;#039;&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;i&amp;gt; Vak over programmeren, gedoceerd door prof. Van Lipzig. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Juni 2025==&lt;br /&gt;
&amp;lt;/b&amp;gt; Het examen is in het Engels, vertaling op de achterkant. &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
Heat wave mortality over Brussels: &lt;br /&gt;
Extreme heat kan be dangerous for humann health, and people may die during a heat wave. Scientific studies have shown that mortality significantly increases during days with very high temperatures. In this excersice, we will calculate how many people heve died in Brussels due to a five-day heat wave. The temperature distribution over Brussels for each of these five days is provided in five files. Each file contains a 10x10 matrix representing a grid over Brussels with maximum temperature values of that day. These files can be found in the shared folder. You may consider Brussels as the entire square represented by the 10x10 grid points. Make a Jupyter Notebook that solves the following exercises: &lt;br /&gt;
**The &amp;lt;/u&amp;gt; relative risk &amp;lt;/u&amp;gt; is defined as the risk of mortality during a period of high temperature compared to the risk at an ideal reference temperature. This relative risk is given by the following equation. RR = exp(a(Ti-Th)) if Ti - Th &amp;gt; 0, onterwise 1 where a is a coefficient with the value 0,011°C^-1 and Th the threshold temperature which is 22,8°C. Make a Jupyter Notebook that plots the relative risk as a function of temperature for temperatures between 20°C and 35°C.&lt;br /&gt;
** Use the function &amp;lt;/u&amp;gt; np.load &amp;lt;/u&amp;gt; to load the temperature data from the file teperature_day_1.npy, and plot this 10x10 matrix. Calculate the average temperature in Brussels and print it to the screen. Detemine and discplay the highest temperature of that day. &lt;br /&gt;
**Make plots of the spatial distribution of the Population Attribute Fraction (PAF) and the Attributable Deaths (AD) over the city of Brussels for day 1. The population attributable fraction indicates how much of the total mortality could have been avoided if the population had not been exposed to the extreme heat and is given by: PAF = (RR-1)/RR. The number of attributable deaths indicates how many people deceased due to the high temperature in each pixel and is calculated as: AD = PAF . m(c) . f(p) where the crude mortality rate m(c) is 2,6 deaths per 100000 inhabitants per day. You have to calculate the value for f(p) yourself which is the population in a grid box devided by 100000. Each pixel in the grid represents an area of 0,6x0,6 kilometers and contains a population of 12000 people.&lt;br /&gt;
** Read all five temperature files and now calculate the attributable deaths for each day and plot the attributable deaths as a function of time. To reduce the mortality during a heat wave, the city is planning to implement green (trees and grasss) in the city which reduced the temperature of each pixel by 0,5°C. Plot in the same figure the evolution over the five days nut now for when the temperature is reduced. Make also a graph where you plot on the x-axis the reduction in temperature from 0 to 3°C and on the y-axis the attributable deathsover the fill 5-dayperiod. So you plot the attributable deaths in function of this temperature reduction as a sensitivity study. &lt;br /&gt;
**Challenge&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=753</id>
		<title>Inleiding in de ecologie en evolutie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=753"/>
		<updated>2025-01-24T12:22:56Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Luc De Meester|data3=Hoorcollege, discussiesessie, eigen excursie|data4=Schriftelijk|data6=3|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label 4=Examenvorm|label 6=Studiepunten|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=?e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0L65AN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze cursus wordt door een pater van Bios gegeven, dus lijkt daardoor heel sympathiek. Maar hij verbetert wel streng. Ook houd ie ervan om &#039;in mijnen tijd&#039; verhaaltjes te vertellen, zeker dat ie op minstens 30 excursies ging per jaar. Daar moet je zelf ook een van regelen, dus houd daarmee rekening mee. Voor de rest stelt de cursus echt niet veel voor, tis een inleiding tot het vak &#039;Ecologie&#039; in het, voor ons, derde jaar. De prof houdt er ook van om veel interactie met de aula te hebben. Gelukkig zit je met alleen maar 1ste jaar biologen en soms ook wat verdwaalde archeologen. Dus je hoeft bijna nooit om zijn vragen te antwoorden. Ook zet hij bijna niks op toledo. Er moet dus altijd een persoon in de les zitten om de info die hij geeft, van wat wegvalt en wat niet, op te schrijven. &amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Tegenwoordig worden de lessen gegeven door Prof. Steven Declerck. Hij zet alle powerpoints online, samen met video&#039;s waarin hij de belangrijkste dingen nog eens uitlegt.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn)&lt;br /&gt;
* Voor en nadelen van endothermen (tov ectothermen) (3ptn)&lt;br /&gt;
* 16 meerkeuzevragen&lt;br /&gt;
** Iets met predatie&lt;br /&gt;
** die formule van visvangst met gemerkte en niet gemerkte vissen&lt;br /&gt;
** iets van wanneer een populatie maximum kan bereiken in functie van de draagkracht&lt;br /&gt;
** wanneer coëxistentie?&lt;br /&gt;
** Wanneer is dat ene rendement het hoogste, ah begin vd groei of later of wanneer voedselbronnen schaars worden, of ...&lt;br /&gt;
** iets over de werking van C4 planten&lt;br /&gt;
** m*/n = M*/N formule weten en omvormen naar N = ...&lt;br /&gt;
** of panmixis belangrijk is voor populatie of metapopulatie&lt;br /&gt;
** hoe de geschiedenis van ecologie werkte (volgens mij door observaties)&lt;br /&gt;
** een vraag over of 4 niveaus dan bottom up of top down betekende ofzo&lt;br /&gt;
** eentje over de predator keten en afbraak keten&lt;br /&gt;
** die K1 formule met α&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Geef de 4 bewijzen voor evolutie en leg kort uit. (6 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe seksuele reproductie parasieten kan tegenhouden. (2 ptn)&lt;br /&gt;
* Geef de definitie van het compensatiepunt. (1ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe &#039;top-down&#039; en &#039;bottom-up&#039; controle kan worden bepaald door het aantal trofische niveaus. (4 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg volgende formule uit: dN1/dt = ... (die van Lotka Volterra). Leg de verschillende symbolen uit. Wat kan hier uit worden afgeleid? Toon aan met een grafiek en leg uit. (5 ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg uit en illustreer essentiële voedselbronnen&lt;br /&gt;
*Logistieke vergelijking uit exponentiële met figuren en alles uitleggen van stappen en termen &lt;br /&gt;
*Coprofalgie&lt;br /&gt;
*Exploitatieconcurrentie en interferentieconcurrentie &lt;br /&gt;
*Uniforme populatieverdelingen leg uit en schets&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn) &lt;br /&gt;
* Geef de predatorvoedselketen weer aan de hand van een illustratie en leg uit. Leg meer uit over verlies in deze keten en 2 gevolgen hiervan. (4ptn) &lt;br /&gt;
* Predatie heeft niet altijd negatieve gevolgen in het predatie prooi model voor de prooipopulatie, leg uit. (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Wat zijn de verschillen tussen holoparasieten en hemiparasieten? Geef van elk een voorbeeld (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Juist of onjuist (4ptn) &lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
** De draagkracht is de maximale rekrutering&lt;br /&gt;
** Het exponentieel model werd gecorrigeerd in het logistisch model door de term (N-K)/K&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. &lt;br /&gt;
*Leg uit hoe en waarom de biodiversiteit op een eiland verschilt met die van het nabije vaste land. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voor- en nadelen van experimenteel onderzoek t.o.v. observaties in het veld. &lt;br /&gt;
*Geef de definitie van het compensatiepunt en hoe verschilt dit bij zonne- en schaduwplanten. &lt;br /&gt;
*Juist of fout? Indien het fout is, leg ook kort uit waarom. &lt;br /&gt;
** Organismen streven in evolutie naar een verbetering van hun bouwplan.&lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*10 meerkeuzevragen (4 stellingen waarvan je er een moest aanduiden) &lt;br /&gt;
** Ecologische Niche&lt;br /&gt;
** Verband productie en productiviteit&lt;br /&gt;
** Gastheer-Parasiet interacties&lt;br /&gt;
** Compensatie punt&lt;br /&gt;
** C:N verhouding&lt;br /&gt;
** Evolutie mechanismen&lt;br /&gt;
** Voedselketens en voedselwebben&lt;br /&gt;
** Ramets en genets&lt;br /&gt;
** Interferentiecompetitie&lt;br /&gt;
** Predator-geïnduceerde verdedigingsmechanismen&lt;br /&gt;
*Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
*Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap wat het belang ervan was &lt;br /&gt;
*Wat is netto rekrutering, illustreer (dus met grafiek), en het verband met duurzame oogsten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen (ramets en genets, ultieme/proximale verklaringen, evolutie, interspecifieke concurrentie...) &lt;br /&gt;
* De netto-rekrutering in verband brengen met over-exploitatie, zeggen hoe je ze samen kan gebruiken en situeren aan de hand van een grafiekje &lt;br /&gt;
* Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
* Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap waarom deze zo belangrijk is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen over o.a.: ramets en genets, trofische niveau&#039;s, evolutie, C/N ratio, proximale/ultieme verklaringen,... &lt;br /&gt;
* Evolutie door natuurlijke selectie &lt;br /&gt;
* Wat zijn ruilfuncties, wat is het belang voor de ecologie en evolutie, geef twee voorbeelden van ruilfunctie bij planten en bij dieren &lt;br /&gt;
* netto-recrutering: situeer a.h.v. tekening &lt;br /&gt;
* interspecifieke competitie: situeer + leid Lotka-Volterramodel af&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
* Stellingen, juist of fout en uitleg geven wanneer fout &lt;br /&gt;
* Het bepalen van de fundamentele niche van een soort is niet mogelijk tenzij men beschikt over een volledige data-set van het voorkomen van de soort in de wereld, uiteraard mét gegevens over de condities en bronnen waarvan men de niche-assen wil kwantificeren. &lt;br /&gt;
* Omwille van de ongunstige C/N verhouding hebben herbivoren nood aan sterkere mutualistische interacties met microbiële organismen in hun spijsverteringsstelsel dan carnivoren. &lt;br /&gt;
* Bij predator geïnduceerde verdedigingsmechanismen geldt dat de proximale verklaring verband houdt met de indirecte reactie op een aanval van de predator (&amp;quot;vlucht&amp;quot;), terwijl de ultieme verklaring doelt op de detectie vanop afstand van de predator (&amp;quot;vermijden&amp;quot;). &lt;br /&gt;
* Is volgend fenomeen een vb van interferentiecompetitie? Eendekroost kan slechts 1 laagje bladeren op het wateroppervlak vormen omdat bladeren elkaar hinderen in het bekomen van voldoende licht. &lt;br /&gt;
* definities en korte vragen &lt;br /&gt;
** Eilanden zijn belangrijk voor de globale diversiteit. Verklaar. &lt;br /&gt;
** Draagkracht van de omgeving + figuur tekenen. &lt;br /&gt;
** Leid de logistische groeivergelijking (Lotka-Volterra model voor competitie) af.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=752</id>
		<title>Inleiding in de ecologie en evolutie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=752"/>
		<updated>2025-01-24T12:18:09Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* Januari */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Luc De Meester|data3=Hoorcollege, discussiesessie, eigen excursie|data4=Schriftelijk|data6=3|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label 4=Examenvorm|label 6=Studiepunten|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=?e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0L65AN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze cursus wordt door een pater van Bios gegeven, dus lijkt daardoor heel sympathiek. Maar hij verbetert wel streng. Ook houd ie ervan om &#039;in mijnen tijd&#039; verhaaltjes te vertellen, zeker dat ie op minstens 30 excursies ging per jaar. Daar moet je zelf ook een van regelen, dus houd daarmee rekening mee. Voor de rest stelt de cursus echt niet veel voor, tis een inleiding tot het vak &#039;Ecologie&#039; in het, voor ons, derde jaar. De prof houdt er ook van om veel interactie met de aula te hebben. Gelukkig zit je met alleen maar 1ste jaar biologen en soms ook wat verdwaalde archeologen. Dus je hoeft bijna nooit om zijn vragen te antwoorden. Ook zet hij bijna niks op toledo. Er moet dus altijd een persoon in de les zitten om de info die hij geeft, van wat wegvalt en wat niet, op te schrijven. &amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Tegenwoordig worden de lessen gegeven door Prof. Steven Declerck. Hij zet alle powerpoints online, samen met video&#039;s waarin hij de belangrijkste dingen nog eens uitlegt.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn)&lt;br /&gt;
* Voor en nadelen van endothermen (tov ectothermen) (3ptn)&lt;br /&gt;
* 16 meerkeuzevragen&lt;br /&gt;
** Iets met predatie&lt;br /&gt;
** die formule van visvangst met gemerkte en niet gemerkte vissen&lt;br /&gt;
** iets van wanneer een populatie maximum kan bereiken in functie van de draagkracht&lt;br /&gt;
** wanneer coëxistentie?&lt;br /&gt;
** Wanneer is dat ene rendement het hoogste, ah begin vd groei of later of wanneer voedselbronnen schaars worden, of ...&lt;br /&gt;
** iets over de werking van C4 planten&lt;br /&gt;
** m*/n = M*/N formule weten en omvormen naar N = ...&lt;br /&gt;
** of panmixis belangrijk is voor populatie of metapopulatie&lt;br /&gt;
** hoe de geschiedenis van ecologie werkte (volgens mij door observaties)&lt;br /&gt;
** een vraag over of 4 niveaus dan bottom up of top down betekende ofzo&lt;br /&gt;
** eentje over de predator keten en afbraak keten&lt;br /&gt;
** die K1 formule met α&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Geef de 4 bewijzen voor evolutie en leg kort uit. (6 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe seksuele reproductie parasieten kan tegenhouden. (2 ptn)&lt;br /&gt;
* Geef de definitie van het compensatiepunt. (1ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe &#039;top-down&#039; en &#039;bottom-up&#039; controle kan worden bepaald door het aantal trofische niveaus. (4 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg volgende formule uit: dN1/dt = ... (die van Lotka Volterra). Leg de verschillende symbolen uit. Wat kan hier uit worden afgeleid? Toon aan met een grafiek en leg uit. (5 ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn) &lt;br /&gt;
* Geef de predatorvoedselketen weer aan de hand van een illustratie en leg uit. Leg meer uit over verlies in deze keten en 2 gevolgen hiervan. (4ptn) &lt;br /&gt;
* Predatie heeft niet altijd negatieve gevolgen in het predatie prooi model voor de prooipopulatie, leg uit. (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Wat zijn de verschillen tussen holoparasieten en hemiparasieten? Geef van elk een voorbeeld (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Juist of onjuist (4ptn) &lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
** De draagkracht is de maximale rekrutering&lt;br /&gt;
** Het exponentieel model werd gecorrigeerd in het logistisch model door de term (N-K)/K&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. &lt;br /&gt;
*Leg uit hoe en waarom de biodiversiteit op een eiland verschilt met die van het nabije vaste land. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voor- en nadelen van experimenteel onderzoek t.o.v. observaties in het veld. &lt;br /&gt;
*Geef de definitie van het compensatiepunt en hoe verschilt dit bij zonne- en schaduwplanten. &lt;br /&gt;
*Juist of fout? Indien het fout is, leg ook kort uit waarom. &lt;br /&gt;
** Organismen streven in evolutie naar een verbetering van hun bouwplan.&lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*10 meerkeuzevragen (4 stellingen waarvan je er een moest aanduiden) &lt;br /&gt;
** Ecologische Niche&lt;br /&gt;
** Verband productie en productiviteit&lt;br /&gt;
** Gastheer-Parasiet interacties&lt;br /&gt;
** Compensatie punt&lt;br /&gt;
** C:N verhouding&lt;br /&gt;
** Evolutie mechanismen&lt;br /&gt;
** Voedselketens en voedselwebben&lt;br /&gt;
** Ramets en genets&lt;br /&gt;
** Interferentiecompetitie&lt;br /&gt;
** Predator-geïnduceerde verdedigingsmechanismen&lt;br /&gt;
*Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
*Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap wat het belang ervan was &lt;br /&gt;
*Wat is netto rekrutering, illustreer (dus met grafiek), en het verband met duurzame oogsten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen (ramets en genets, ultieme/proximale verklaringen, evolutie, interspecifieke concurrentie...) &lt;br /&gt;
* De netto-rekrutering in verband brengen met over-exploitatie, zeggen hoe je ze samen kan gebruiken en situeren aan de hand van een grafiekje &lt;br /&gt;
* Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
* Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap waarom deze zo belangrijk is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen over o.a.: ramets en genets, trofische niveau&#039;s, evolutie, C/N ratio, proximale/ultieme verklaringen,... &lt;br /&gt;
* Evolutie door natuurlijke selectie &lt;br /&gt;
* Wat zijn ruilfuncties, wat is het belang voor de ecologie en evolutie, geef twee voorbeelden van ruilfunctie bij planten en bij dieren &lt;br /&gt;
* netto-recrutering: situeer a.h.v. tekening &lt;br /&gt;
* interspecifieke competitie: situeer + leid Lotka-Volterramodel af&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
* Stellingen, juist of fout en uitleg geven wanneer fout &lt;br /&gt;
* Het bepalen van de fundamentele niche van een soort is niet mogelijk tenzij men beschikt over een volledige data-set van het voorkomen van de soort in de wereld, uiteraard mét gegevens over de condities en bronnen waarvan men de niche-assen wil kwantificeren. &lt;br /&gt;
* Omwille van de ongunstige C/N verhouding hebben herbivoren nood aan sterkere mutualistische interacties met microbiële organismen in hun spijsverteringsstelsel dan carnivoren. &lt;br /&gt;
* Bij predator geïnduceerde verdedigingsmechanismen geldt dat de proximale verklaring verband houdt met de indirecte reactie op een aanval van de predator (&amp;quot;vlucht&amp;quot;), terwijl de ultieme verklaring doelt op de detectie vanop afstand van de predator (&amp;quot;vermijden&amp;quot;). &lt;br /&gt;
* Is volgend fenomeen een vb van interferentiecompetitie? Eendekroost kan slechts 1 laagje bladeren op het wateroppervlak vormen omdat bladeren elkaar hinderen in het bekomen van voldoende licht. &lt;br /&gt;
* definities en korte vragen &lt;br /&gt;
** Eilanden zijn belangrijk voor de globale diversiteit. Verklaar. &lt;br /&gt;
** Draagkracht van de omgeving + figuur tekenen. &lt;br /&gt;
** Leid de logistische groeivergelijking (Lotka-Volterra model voor competitie) af.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=751</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=751"/>
		<updated>2025-01-24T12:15:42Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 januari - namiddag ====&lt;br /&gt;
* Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van O2 bij verhoogde ionische sterkte?&lt;br /&gt;
* Invloed van sorptie op bodemvruchtbaarheid&lt;br /&gt;
* verzuring van de bodem bij intensieve veehouderij (tip: NH3 emissies)&lt;br /&gt;
* Een reactie met als EC: Ks van een sorptieding en massabalans van [S]t zeg maar en dan een concentratie van een stof hoeveel dat nog in oplossing blijft.&lt;br /&gt;
**2e deel waarbij een deel van die sorptieplaatsen weg gaan. De sorptieplaatsen waren op ferrihydriet (Fe(OH3)) (die formule stond erbij) en ging onderwater wegreduceren met organische stof van 2C/kg/dag voor 30 dagen. Dus je moest eerst een REDOX reactie uitschrijven van Fe(OH)3 + CH2O -&amp;gt; Fe2+ + CO2 (en dan verder uitwerken) en met dat resultaat wist je dan dat er voor elke CH2O 4Fe(OH)3 weg gingen reageren, wist je hoeveel sorptieplaatsen er minder zijn en dan dezelfde massabalans en zo&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 20 januari - voormiddag ====&lt;br /&gt;
*Waarom is de ph laag in water &#039;s ochtends &lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er me de pH als een bodem uitdroogt &lt;br /&gt;
*Welke invloed heeft NOx op het milieu&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 21 januari – namiddag ====&lt;br /&gt;
*Waarom is de Kassoc groter voor fulvuszuur met Fe3+ tegenover met azijnzuur? (Ze bedoelt hier fulvuszuur + Fe3+  vs  azijnzuur + Fe3+)&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH van de bodem en van oppervlaktewater hoger in droge gebieden dan in natte gebieden?&lt;br /&gt;
*Gegeven: structuurformule van biotiet en een smectiet mineraal. &lt;br /&gt;
**Hoe verschillen ze van elkaar in CEC en waarom?   &lt;br /&gt;
**Leg de structuur van beide mineralen uit (1:2 of 2:1 ; di- of trioctaëdrisch) &lt;br /&gt;
*We gaan de bodems van 2 verschillende bossoorten (loof vs naald) vergelijken bij pH = 5. De uitspoeling van organisch materiaal in het loofbos is 5 kmol C /ha /jaar. Bij een naaldbos is dit 2 maal hoger. Bereken de Fe3+ uitspoeling in kg/ha/jaar. De Ksp van Fe(OH)3 is 1^-39. De pKa is 8 voor de reactie: SOH -&amp;gt; SO- + H+ . De log Kassoc is -12 voor de reactie: Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2+. &lt;br /&gt;
**Leg uit hoe de uitspoeling van Fe3+ veranderd bij dalende pH. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 24 januari - voormiddag ====&lt;br /&gt;
*Wat zijn potentiaal bepaalde ionen?&lt;br /&gt;
*Waarom stijgt de concentratie Ca2+ als de respiratiesnelheid stijgt?&lt;br /&gt;
*Waarom leidt stikstofbemesting tot verzuring van de bodem?&lt;br /&gt;
*Lange oefening met veel uitleg in twee delen&lt;br /&gt;
**Bepaal hoe lang het duurt vooraleer er een of andere drempel is bereikt. Een redoxreactie (MnO2/Mn2+) werd gevraagd en moest uitgeschreven worden, voor de rest waren er concentraties berekend. &lt;br /&gt;
**Wordt deze drempel bereikt als er MnO2 volledig reduceert en als Mn2+ gesorbeerd en uitgewisseld wordt met Ca2+. Allemaal extra gegevens die jammer genoeg niet zijn blijven hangen in mijn hoofd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
* Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
* Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
* Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
* Een bodem van pH 6,5 bevat 10 mmol / kg DS orthofosfaat. De bodem heeft 80 mmol/kg bindingssite en de sorptieconstante Ks van orthofosfaat (elke vorm, dus H2PO4-, HPO4(2-), enz) is 2000 l/mol. Het volumetrisch vochtgehalte van de bodem is 0,25 l/kg DS en in het poriewater (met ionische sterkte 0,01 M) is Ca(2+) concentratie 2mM. De bodem wordt bekalkt. Boven welke pH kan fosfaat in de bodem neerslaan als Ca3(PO4)2 dat oplosbaarheidsproduct heeft van logKsp = -28,9? Neem aan dat de activiteit van Ca(2+) niet varieert bij de bekalking. De pKa’s van orthofosfaat zijn 2,1;7,2;12,3. Ga ervan uit dat de Langmuir-waarde Ks verwijst naar de concentratie orthofosfaat [P] en niet naar de activiteit (P). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
* Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
* K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
* Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
* Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
* Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
* Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====22 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
* Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
* Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
* Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk (zelfde als op 18 januari in de namiddag)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====23 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
*Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
*Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=748</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=748"/>
		<updated>2025-01-21T16:17:12Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 januari - namiddag ====&lt;br /&gt;
* Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van O2 bij verhoogde ionische sterkte?&lt;br /&gt;
* Invloed van sorptie op bodemvruchtbaarheid&lt;br /&gt;
* verzuring van de bodem bij intensieve veehouderij (tip: NH3 emissies)&lt;br /&gt;
* Een reactie met als EC: Ks van een sorptieding en massabalans van [S]t zeg maar en dan een concentratie van een stof hoeveel dat nog in oplossing blijft.&lt;br /&gt;
**2e deel waarbij een deel van die sorptieplaatsen weg gaan. De sorptieplaatsen waren op ferrihydriet (Fe(OH3)) (die formule stond erbij) en ging onderwater wegreduceren met organische stof van 2C/kg/dag voor 30 dagen. Dus je moest eerst een REDOX reactie uitschrijven van Fe(OH)3 + CH2O -&amp;gt; Fe2+ + CO2 (en dan verder uitwerken) en met dat resultaat wist je dan dat er voor elke CH2O 4Fe(OH)3 weg gingen reageren, wist je hoeveel sorptieplaatsen er minder zijn en dan dezelfde massabalans en zo&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 20 januari - voormiddag ====&lt;br /&gt;
*Waarom is de ph laag in water &#039;s ochtends &lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er me de pH als een bodem uitdroogt &lt;br /&gt;
*Welke invloed heeft NOx op het milieu&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 21 januari – namiddag ====&lt;br /&gt;
*Waarom is de Kassoc groter voor fulvuszuur met Fe3+ tegenover met azijnzuur? (Ze bedoelt hier fulvuszuur + Fe3+  vs  azijnzuur + Fe3+)&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH van de bodem en van oppervlaktewater hoger in droge gebieden dan in natte gebieden?&lt;br /&gt;
*Gegeven: structuurformule van biotiet en een smectiet mineraal. &lt;br /&gt;
**Hoe verschillen ze van elkaar in CEC en waarom?   &lt;br /&gt;
**Leg de structuur van beide mineralen uit (1:2 of 2:1 ; di- of trioctaëdrisch) &lt;br /&gt;
*We gaan de bodems van 2 verschillende bossoorten (loof vs naald) vergelijken bij pH = 5. De uitspoeling van organisch materiaal in het loofbos is 5 kmol C /ha /jaar. Bij een naaldbos is dit 2 maal hoger. Bereken de Fe3+ uitspoeling in kg/ha/jaar. De Ksp van Fe(OH)3 is 1^-39. De pKa is 8 voor de reactie: SOH -&amp;gt; SO- + H+ . De log Kassoc is -12 voor de reactie: Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2+. &lt;br /&gt;
**Leg uit hoe de uitspoeling van Fe3+ veranderd bij dalende pH. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
* Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
* Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
* Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
* Een bodem van pH 6,5 bevat 10 mmol / kg DS orthofosfaat. De bodem heeft 80 mmol/kg bindingssite en de sorptieconstante Ks van orthofosfaat (elke vorm, dus H2PO4-, HPO4(2-), enz) is 2000 l/mol. Het volumetrisch vochtgehalte van de bodem is 0,25 l/kg DS en in het poriewater (met ionische sterkte 0,01 M) is Ca(2+) concentratie 2mM. De bodem wordt bekalkt. Boven welke pH kan fosfaat in de bodem neerslaan als Ca3(PO4)2 dat oplosbaarheidsproduct heeft van logKsp = -28,9? Neem aan dat de activiteit van Ca(2+) niet varieert bij de bekalking. De pKa’s van orthofosfaat zijn 2,1;7,2;12,3. Ga ervan uit dat de Langmuir-waarde Ks verwijst naar de concentratie orthofosfaat [P] en niet naar de activiteit (P). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
* Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
* K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
* Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
* Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
* Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
* Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====22 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
* Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
* Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
* Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk (zelfde als op 18 januari in de namiddag)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====23 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
*Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
*Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Regionale_Geologie_I&amp;diff=741</id>
		<title>Regionale Geologie I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Regionale_Geologie_I&amp;diff=741"/>
		<updated>2025-01-20T11:23:10Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Robert Speijer|data3=Hoorcollege|data4=Schriftelijk &amp;lt;br&amp;gt;(met mondelinge toelichting)|data6=3 (voor geografen)&amp;lt;br&amp;gt;5 (voor geologen)|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=3e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0S19AN.htm Link (geografen)] &amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0Z15AN.htm Link (geologen)]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 20 januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Voormiddag&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een paar begrippen: rhenohercynisch bekken, rotliegendes, variscisch front, en zo die coticula of zoiets. &lt;br /&gt;
* Waarom is er een plateau dat 60m hoger ligt dan de rest van de kempen? &lt;br /&gt;
* Zo die ene doorsnede van het kempens bekken dat zo een goofy 180 graden draai maakt. Heel de cenozoische stratigrafie, en leg alles belangrijk van sedimentatie en tektoniek uit. Ge kreeg wel zo een geologische tijdsschaal met alle periodes en hele strathigrafie met namen van groepen en zo van cenozoicum.&lt;br /&gt;
* Leg de 3 caledonische megasequenties uit + waar en wanneer. Ge kreeg dan ook zo 3 figuren waar zo  waar brabant massief werd vervormd door tektoniek en zo en dat moest ge ook uitleggen. Dat allemaal kaderen in de grotere tektoniek van avalonia&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Voormiddag&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# De geologische kaart van België toont de Midi-Eifeloverschuiving. Bespreek de relevantie van deze overschuiving voor de opbouw va nde ondergrond van België, de verbeiding ervan, de vormingsprocessen, timing en wat je verder van belang acht.&lt;br /&gt;
# Bovenstaande figuur toont een reconstructie van de sedimentarire opeenvolging tijdens het Midden- tot Laat-Devoon doorheen het Dinantbekken. Beschrijf de algmene ontwikkeling en de achterliggende processen in dit bekken tijdens het Givetiaan.&lt;br /&gt;
# Gegeven: figuur met riviervorming tijdens Eind-Carboon (die ene van cursus en powerpoint, met een rivierstelsel van aan de zee tot in de bergen met de verschillende facies, in relatie met de Sudetische fase) en een figuur met de Belgische lithostratigrafie van het Carboon a) Waarom worden de etages Namuriaan en Westfaliaan in onze regio nog constant gebruikt? b) Leg uit op welke manier de 2 bovenstaande figuren met elkaar samenhangen en bespreek hoe de linkerfiguur samenhangt met de ontwikkeling van de Variscische orogenese.&lt;br /&gt;
# Bespreek drie verschillende typen van waaardevolle grondstoffen die in Vlaanderen dicht aan het oppervlak komen. Vermeld regio, formatie en toepassingen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Namiddag&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Gegeven: tertiairgeologische kaart Vlaanderen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a) Waarom liggen de oudste lagen in het Zuiden en Westen de de jongste in het Noorden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b) Waarom wijkt de fm van Diest af van deze trend? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Gegeven: prentje met vergelijking Krijtstratigrafie Monsbekken en land van Herve uit cursus en ppt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a) Bespreek de Krijtsedimentatie in deze gebieden met nadruk op de gelijkenissen en verschillen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b) Wat kan je op basis hiervan zeggen over het al dan niet verbonden zijn van e twee bekkens in het Krijt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Bespreek het algemeen verloop van de tweede Varische megasequentie, die vooral gereconstrueerd is aan de hand van Ardense ontsluitingen. Vermeld zeker ook tektonische gebeurtenissen enal &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4) Wat voor economisch waardevolle grondstoffen zijn er terug te vinden in Wallonië? Geef er vier, met telkens erbij van welke leeftijd het is een, waar het ontgonnen wordt en waarvoor het gebruikt wordt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 12 januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Verschil tussen felsische magma van o.a. Quenast en mafische magma&#039;s van in de Ardeense Massieven. Leg uit adhv platentektonische context van Laat-Ordovicium en Siluur.&lt;br /&gt;
# Figuur van HB p60. Let uit hoe de dingen die er te zien zijn gevormd zijn. (Het antwoord vervolgt op dat van vraag 1)&lt;br /&gt;
# Doorsnede van Mons bekken met ondergrond en Meso- en Cenozoïsche lagen die in het bekken zijn afgezet. Leg uit wat er te zien en hoe dat alles gevormd is.&lt;br /&gt;
# Tijdens Cenozoïcum heel veel trans- en regressies in Noordzeebekken. Leg uit welke factoren die beïnvloeden en hoe dat gerelateerd is aan het sediment dat er afzet (met voorbeelden)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 22 januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Voormiddag&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
# Midi-Eifel overschuivingsbreuk in België. Welke betekenis heeft dit in de ondergrond van België, hoe is het gevormd, wanneer en andere zaken die je belangrijk vindt.&lt;br /&gt;
# Figuur gegeven van Devoons rif. Leg aan de hand van de figuur rifvorming tijdens het Givetiaan uit.&lt;br /&gt;
# a) Namuriaan en Westfaliaan zijn geen correcte termen in de tijdschaal. Waarom worden deze termen toch veel gebruikt. b) 2 figuren gegeven. 1 met rivieren en moeras(doorheen het carboon), andere met klassificatie steenkool België. Hoe zijn deze figuren aan elkaar verbonden en leg aan de hand van de eerste figuur de Caledonische gebergtevorming hier uit.&lt;br /&gt;
# Vlaanderen heeft in zijn ondiepe ondergrond heel wat grondstoffen zitten. Geef er drie en geef de formatie naam, regio waar het voorkomt en in welke toepassingen het gebruikt wordt.&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Namiddag&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# In Vlaanderen vormen de Tertiaire lagen een speciaal dagzoompatroon: oudere lagen in het zuiden en westen, jongere lagen in het noorden (in bijlage een kaart).&lt;br /&gt;
## Wat is de oorzaak hiervoor ?&lt;br /&gt;
## De Formatie van Diest lijkt dit patroon niet te volgen, hoe komt dit ?&lt;br /&gt;
# Figuur gegeven van het Krijt in Mons Bekken en Land van Herve.&lt;br /&gt;
## Leg de sedimentatiesequentie van het Krijt uit met een focus op de verschillen en gelijkenissen tussen die in het Mons Bekken en het Land van Herve. (4a op de belgische geologische kaart)&lt;br /&gt;
## Wat kun je zeggen over de afwezigheid/aanwezigheid van een mariene verbinding tussen deze twee regio&#039;s ?&lt;br /&gt;
# Beschrijf de volledige sedimentatiegeschiedenis van de 2de variscische megasequentie. Vermeld ook wanneer deze plaatsvond en de regionale tektoniek.&lt;br /&gt;
# Wallonië heeft een groots industieel verleden op basis van hun waardevolle grondstoffen in de ondergrond. Geef 4 zo&#039;n grondstoffen die nu nog steeds gebruikt worden en vermeld het tijdsperk, de regio waar ze voorkomen en in welke toepassingen/industriesectoren ze gebruikt worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus === &lt;br /&gt;
Exact hetzelfde examen als in januari. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
#Kaart p 233 gegeven en hierop is de linker riviervallei van het BM in een kader gezet. &lt;br /&gt;
#*Teken een profiel van Z naar N. &lt;br /&gt;
#*Verklaar wat er in het midden en in het zuiden van het kader gebeurd.&lt;br /&gt;
#Vergelijk de afzettingen van het Midden-Devoon tem Midden-Carboon in de Ardennen met de afzettingen van het Cenozoïcum in Vlaanderen. &lt;br /&gt;
#Leg de Caledonische deformatie uit en vergelijk de Ardeense en Brabanse Fase. Wat is (volgens Leuvense studies) het effect van de Asturische Fase van de Variscische orogenese op de gesteenten van het Cambrium? &lt;br /&gt;
#De basis-Perm discordantie (=Saalische discordantie): waar, wanneer, kenmerken, ... Welke gesteenten liggen hierbovenop en wat zijn de kenmerken hiervan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Dit is een reconstructie 1 jaar na het examen dus het is een beetje vaag. Als je dus denkt dat er fouten in de vragen staan, kan dat zeker. De onderwerpen van de vragen gingen ongeveer zo:&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Leg de geschiedenis van het Brabant Massief uit&lt;br /&gt;
# Tekening met Kempisch bekken ook met een vraag over waarom sommige zanden wit zijn en anderen rood&lt;br /&gt;
# Iets van verschillende fasen bespreken&lt;br /&gt;
# Vraag over het plioceen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 14 januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# 4 stenen: Grand Breche, septaria S20, Mergels van gelinden en coticula. Wat is de naam, wat is de ouderdom? Geef argumenten waarom je dit denkt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Grote vragen:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Doorsnede gegeven en profiellijn tekenen op kaart van Belgie. Teken de profiellijn op de kaart van België. Geef minstens 4 argumenten waarom je deze profiellijn daar zou plaatsen. (Profiel ging van op het massief van Brabant tot in de RVG)&lt;br /&gt;
# Doorsnede van het Mons-bekken gegeven. Bespreek de subsidentiegeschiedenis van het gebied tijdens het Mesozoïcum en Cenozoïcum.  Was de subsidentie constant in de tijd? Welke zijn de oudste lagen? Welk mechanisme zorgt voor deze subsidentie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Kleine vragen:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Geef 4 voorbeelden van Milankovitch cycli en bespreek.&lt;br /&gt;
# Wat betekent L1, L2, Ya, Yb, Yc, Yd? Wat weerspiegelt het, wordt dit vandaag nog gebruikt?&lt;br /&gt;
# De Paleozoische geschiedenis is gekenmerkt door meerdere tektonische fasen, waaronder de Ardeense, Asturische, Brabantse, Bretoense, Saalische, Sudetische fasen (alfabetische volgorde!). A) Rangschik deze fasen volgens de geologische tijdsschaal en B) geef voor iedere tektonische fase een indicatieve tijdsperiode aan. C) Vermeld duidelijk of deze fasen een reflectie zijn van compressie of extensie en tot welke periode van grootschalige gebergtevorming deze toebehoren.&lt;br /&gt;
# Devilium, revinium en salmiaan waren termen die vroegen veel gebruikt werden, leg uit. (ook hoe ze nu heten enzo)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 15 januari ====&lt;br /&gt;
Mondeling&lt;br /&gt;
# 2 stenen: Grand-Brêche breccie (Viseaan) en wit schrijfkrijt (Campaniaan) &amp;lt;i&amp;gt;(2 punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
# Doorsnede. Duid op de kaart aan waar de doorsnede zich bevindt (let op schaal) en geef minstens 4 hoofdargumenten voor je keuze. &amp;lt;i&amp;gt;(4 punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
# Andere doorsnede, deze keer van Turnhout tot Dinant (maar dat is niet gegeven). Geef van alle breuken op de doorsnede de ouderdom en tektonische fase waarin ze ontstaan zijn. Gaat het om extensie of compressie? &amp;lt;i&amp;gt;(3 punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
Schriftelijk&lt;br /&gt;
# De Milankovitch cycli hebben in meerdere Belgische geologische eenheden een rol gespeeld. Geef 4 van die geologische eenheden en situeer ze in de tijd, beschrijf hoe je de cycli kan herkennen in de lithologie. &amp;lt;i&amp;gt;(4? punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
# In de Ardennen Hoge Leisteengordel zijn er fylladen terug te vinden aan het oppervlak. Die zijn gevormd uit klei-rijke sedimenten. Waar en wanneer zijn deze klei-rijke sedimenten afgezet? In welke tektonische omstandigheden zijn de fylladen gevormd? Waarom komen ze juist daar voor? &amp;lt;i&amp;gt;(2 punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
# In welke tektonische eenheid bevinden de intrusieven van Quenast zich en wanneer zijn ze gevormd? Wat kan je afleiden in verband met het paleomagmatisch kader? &amp;lt;i&amp;gt;(1,5 punt)&amp;lt;/i&amp;gt; *# Devillium, Revinium, Salmiaan (gegeven in alfabetische volgorde). Situeer deze groepen in de tijd, geef per groep de belangrijkste lithologieën en verklaar aan de hand daarvan het plaattektonisch kader waarbinnen deze afzettingen zich vormden. &amp;lt;i&amp;gt;(1,5 punt)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
# L1, L2, Ya, Yb, Yc, ... Wat betekent dit type codering? Wat kan men hieruit afleiden (m.a.w., wat betekenen de nummers en de letters)? Kan deze codering gebruikt worden om te situeren in plaats en tijd? Hoe wordt deze codering in de huidige stratigrafie nog gebruikt? &amp;lt;i&amp;gt;(2 punten)&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 16 januari ====&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Mondeling&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Twee handstukken, een krijt uit het Paleoceen met planten fossielen in en een Laat-Carboon Breccie gesteente&lt;br /&gt;
# Geologisch profiel: teken het profiel op een kaart van België,  geef 4 argumenten.&lt;br /&gt;
# Profiel gegeven met breukstructuren op van het Kempense bekken tot de Condroz. Welke tektonische fases hebben voor welke breuken gezorgd? Welke breuken kwamen tot stand door compressie en welke door rekking.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Schriftelijk&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Leg het Eoceen uit. Lithografie en tektonische en paleogeografische events.&lt;br /&gt;
# Quenast en Coticula. Hoe zijn die gevormd en hebben ze een gelijke paleomagnetische betekenis. Teken de platentecktoniek ook.&lt;br /&gt;
# Old red en New red continent uitleggen&lt;br /&gt;
# Conglomeraten van Burnot. Uitleggen en situeren. Wat is de link met de Varisidische megasequenties?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Mondeling&lt;br /&gt;
# 2 stenen: conglomeraat uit het perm van Malmedy, wit zand van Mol uit Plioceen&lt;br /&gt;
# kaart met anomalieën: welke technieken zijn gebruikt en wat wordt hiermee onderzocht. De verschillende anomalieën uitleggen, Midi en Bordière aanduiden en Bordière uitleggen.&lt;br /&gt;
# Kimmerische fase in Europa en België uitleggen &lt;br /&gt;
Schriftelijk&lt;br /&gt;
# Boven Devoon uitleggen &lt;br /&gt;
# Waarom Iguanodons (Krijt dinos) teruggevonden in steenkoollagen&lt;br /&gt;
# Vanaf wanneer worden er continentale gesteenten teruggevonden na de krijtlagen van het Krijt&lt;br /&gt;
# nog eentje maar ben het vergeten :( &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Mondeling&lt;br /&gt;
# Twee handstukken, een van een coticula en een van de Dietse zanden. Hij vraagt over de ouderdom&lt;br /&gt;
# Duid het profiel, dat gegeven is, aan op de kaart van België. Het was een NZ profiel van Boom naar Antwerpen &lt;br /&gt;
#* Geef minstens 4 argumenten waarom je deze hebt gekozen.&lt;br /&gt;
#Variscische Orogenese &lt;br /&gt;
#*Hoe kan men de invloed van de Sudetische, Asturische en Saalische fasen vaststellen in de Kempen.&lt;br /&gt;
#*Beschrijf kort welke tektonische fenomenen plaatsvonden en geef ook duiding over de tijdsperiode.&lt;br /&gt;
#*Welke verband houden deze met de lithologische en paleogeografische veranderingen. &lt;br /&gt;
Schriftelijk&lt;br /&gt;
#Sedimentatiesnelheid &lt;br /&gt;
#*Is de sedimentatiesnelheid in het Onder-Paleozoïcum constant? Schets de curve van sedimentatiesnelheid tegenover tijd.&lt;br /&gt;
#*Leg uit aan de hand van megasequenties hoe de sedimentsnelheid in verband staat met de paleo-oceanografische evolutie.&lt;br /&gt;
#*Welke tektonische fenomenen vonden toen plaats.&lt;br /&gt;
#Invloed van Milankovitch cycli &lt;br /&gt;
#*Geef drie voorbeelden en de lithologische expressie&lt;br /&gt;
#*Geef hun ouderdommen&lt;br /&gt;
#*Wat is de wijze van herkenning en hun vormingsmechanisme&lt;br /&gt;
#Codering van L1, L2, Ya, Yb, Yc, Yd &lt;br /&gt;
#*Waar komt deze codering vandaan&lt;br /&gt;
#*Wat is de betekenis van deze reeks van symbolen&lt;br /&gt;
#*Voldoet een dergelijke codering voor de beschrijving van de lagen en wordt het nog gebruikt?&lt;br /&gt;
#Old en New Red Continents &lt;br /&gt;
#*Wat is de paleogeografische betekenis van de Old en New Red Continents en geef hun tijd.&lt;br /&gt;
#*Op welke wijze komen ze tot expressie in Belgie en naburige landen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 4:&#039;&#039;&#039;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;mondeling&#039;&#039; &lt;br /&gt;
#2 stenen beschrijven: &lt;br /&gt;
#* Een rode en groene zandsteen uit het hageland van de formatie van Diest. Ijzerrijke zandsteen en glauconiet zandsteen.&lt;br /&gt;
#* Leisteen&lt;br /&gt;
#Beschrijf de Mesozoïsche en Cenozoïsche subsidentiegeschiedenis van het bekken va Mons aan de hand van een gegeven profiel. Beschrijf dit zo gedetailleerd mogelijk met duidelijke vermelding van A) Ouderdom van de aanwezige sedimenten en welke algemene lithologieën. B) Geologische reden en mechanismen waarom in deze regio subsidentie optreedt. C) Wanneer begon deze subsidentie en eventuele veranderingen van subsidentiesnelheden doorheen de tijd en plaats.&lt;br /&gt;
# Een kaart gegeven van geofysische structuren van België (densiteit en magnetisme): &lt;br /&gt;
#*A) gebruikte geofysische technieken toelichten&lt;br /&gt;
#*B) Bespreek de verschillende anomalieën.&lt;br /&gt;
#*C) Midi breuk aanduiden&lt;br /&gt;
#*D) Betekenis Faille de Bordière &lt;br /&gt;
&#039;&#039;schriftelijk&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#Geef de geologische betekenis van de Vlaamse Vallei en waar deze zich situeert. Kan je deze gebeurtenissen in een tijdskader plaatsen en bijhorende paleografische context?&lt;br /&gt;
#Waar komen Pliocene lagen voor en beschrijf bondig de lithologieën. Kan je deze gebeurtenissen in een tijdskader en bijhorende paleogeografische context plaatsen?&lt;br /&gt;
#Perm afzettingen komen voor in het zuidelijk deel van de Noord-Zee. Wat kan je hierover vertellen en wat vertelt hun lithologische samenstelling over het paleo-afzettingsmilieu. Waar komt het Perm voor in België.&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 3:&#039;&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;mondeling&#039;&#039; &lt;br /&gt;
#2 stenen beschrijven: 1 was een rode kalksteen van de derde riffase van het Boven Devoon , 2de was schrijfkrijt van Campagniaan met een fossiel erop.&lt;br /&gt;
#Geef de 2 zanden die zijn ingesneden in de onderliggende lagen door geulen, beschrijven deze zanden, waarom het profiel zo is en uit welk tijdperk deze zanden komen.&lt;br /&gt;
#Beschrijf Kimmerische fase, Begin, Midden en Laat, regionaal en in West Europa. &lt;br /&gt;
&#039;&#039;schriftelijk&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#Beschrijf Burnot conglomeraten&lt;br /&gt;
#Wordt de volgende codering: Ya, Yb en L1 en L2 nu nog gebruikt? Voor wat staan deze coderingen&lt;br /&gt;
#Beschrijven de lithostratigrafie van het Boven Devoon. &lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 2:&#039;&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;mondeling&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#2 handstukken: Silex uit het Krijt en steenkool&lt;br /&gt;
#Schets en beargumenteer de tektonische evolutie van Meso en Cenozoïsche lagen verklaart in een doorsnede parallel aan de Belgische kust. &lt;br /&gt;
##Is dit vergelijkbaar met de kempen? (hierbij is de doorsnede gegeven)&lt;br /&gt;
# Verduidelijk Comble Nord, Bordière breuk, GMS en Midi Condroz overschuivingsbreuk, beschrijf hierbij de tektonische betekenis. B) Geef of de lagen autochtoon, parautochtoon of allochtoon zijn C)Waar liggen deze in België? Duid aan op een kaart &lt;br /&gt;
&#039;&#039;schriftelijk&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#Verklaar de sedimentatie snelheid van het onder paleozoïcum (cambrium tot Siluur) aan de hand van de Mega sequenties en geef het verband met de tektoniek.&lt;br /&gt;
#Old en New Red continent (wat, waar, hoe, wanneer)?&lt;br /&gt;
#Geef het Mioceen in België&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks1:&#039;&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;mondeling&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#2 handstukken: septaria en coticula&lt;br /&gt;
#Vraag 2&lt;br /&gt;
##Zijn de Krijt-lagen van het Mons bekken en van het Kempisch bekken vergelijkbaar met elkaar? &lt;br /&gt;
##Bespreek de algemene lithologische gelijkenissen en verschillen tussen beide gebieden&lt;br /&gt;
##welke paleogeografische betekenissen kan je eraan koppelen?&lt;br /&gt;
#Een profiel van Vlaanderen is gegeven (met bij elke laag de tijdsperiode, niet de naam van de laag) &lt;br /&gt;
##waar situeer je deze profiel op de kaart? Het was een oost-west profiel met links de formaties van Kortrijk en Ieper en rechts Quartair. De formaties van de haven van Antwerpen lagen ergens in het midden. &lt;br /&gt;
##geef drie argumenten waarom je dit profiel hier zou leggen &lt;br /&gt;
&#039;&#039;schriftelijk&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#figuurtje van de &#039;paleografische reconstructie van de paleosoïsche supercontinentcyclus&#039; was gegeven zonder de tijd eronder, die moest je invullen. Ook sommige de oceanen en continenten benoemen&lt;br /&gt;
#Het verschil uitleggen tussen de Sudetische en de Asterische fase&lt;br /&gt;
#Milankovich cycli: herkenbaar in vele formaties, vaak gezien in de les. &lt;br /&gt;
##Geef drie formaties waarbij dit van toepassing is &lt;br /&gt;
##situeer deze formaties in de tijd en op welke plaats ze voorkomen. &lt;br /&gt;
##Hoe uiten de Milankovich cycli zich telkens in deze lagen en wat kan men daaruit afleiden ivbm het paleoklimaat?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&#039;&#039;Stassen&#039;&#039; &lt;br /&gt;
#2 handstukken plaatsen in de cursus. Er was één schrijfkrijt en één septaria (1p) &lt;br /&gt;
#Zanden van Diest en Brussel aanduiden op een gegeven profiel. Vervolgens lithologie, voorkomen in België, sedimentaire structuren geven. (3p) &lt;br /&gt;
#Welke invloeden hadden de Kimmerische fasen in België? (3p) &lt;br /&gt;
#Dit was een van de voorbeeldvragen: Zijn de Krijt-lagen van het Mons bekken en van het Kempisch bekken vergelijkbaar met elkaar? B) Bespreek de algemene lithologische gelijkenissen en verschillen tussen beide gebieden en C) welke paleogeografische betekenissen kan je eraan koppelen? (3p) &lt;br /&gt;
&#039;&#039;Swennen&#039;&#039;&lt;br /&gt;
#Waarom is het Carboon zo belangrijk voor energie in België (vroeger, nu en in de toekomst)? Geef ook de exploitatievorm en mogelijke problemen die kunnen optreden. Waar zou je het beste boren om deze lagen te verkennen? (5p)&lt;br /&gt;
#Da figuurtje van de &#039;paleografische reconstructie van de paleosoïsche supercontinentcyclus&#039; was gegeven zonder de tijd eronder, die moest je invullen. Je moest ook de figuur uitleggen, de oceanen en continenten benoemen, kortom de cyclus uitleggen. (5p)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Swennen&#039;&#039; &lt;br /&gt;
#Bespreek de beweging van de continenten in het Paleozoïcum a.d.h.v. een gegeven figuur. Geef er de juiste tijd bij en benoem een aantal continentblokjes en paleo-oceanen.&lt;br /&gt;
#Figuur van zeespiegelfluctuaties in het Devoon gegeven. Bespreek en verklaar de vorm van de kustlijnen.&lt;br /&gt;
#Waarom is het Carboon zo belangrijk voor energie in België (vroeger, nu en in de toekomst)? Geef ook de exploitatievorm en mogelijke problemen die kunnen optreden. &lt;br /&gt;
&#039;&#039;Stassen&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Bespreek het ontstaan en de evolutie van het Bekken van Mons in het Meso- en Cenozoïcum a.d.h.v. gegeven figuur. Vermeld de tijdsperiode, lithologieën en mogelijke verschillen in subsidentiesnelheid.&lt;br /&gt;
# Welke 2 geologische eenheden in België worden onderzocht voor berging van radioactief afval? Geef hun tijdsperiode en spreiding in België. &lt;br /&gt;
# Juist of fout en beargumenteer. Subsidentie van de Rijnslenk versnelt vanaf het Oligoceen.&lt;br /&gt;
#Juist of fout en beargumenteer. Het cuestalandschap in Lotharingen is gevormd in de lagen van het Krijt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Stel je voor dat je gevraagd wordt door een buitenlands bedrijf dat ertsen opspoort om uit te leggen hoe de geologie van het &#039;brabant massief&#039; in elkaar steekt; kan je een bondige en schematische &#039;geologische geschiedenis&#039; van deze geologische eenheid neerschrijven voor de exploratiemanager van dat bedrijf (die dus dat massief alleen zeer oppervlakkig kent)? illustreer in je rapport met de nodige schetsen (princiepsschetsen zijn belangrijker in deze fase dan nauwkeurige profielen of kaarten ...). zorg ervoor dat je aandacht besteedt aan alle componenten van de geologie, , namelijk sedimentatie, diagenese &amp;amp; metamorfisme, tektoniek (horizontaal en verticaal), magmatisme, erosie, ... &lt;br /&gt;
#wanneer en hoe ontstond de nederrijn slenk? Zijn er sporen van deze tektonische eenheid te vinden in het paleozoïcum? &lt;br /&gt;
#hoe vergelijkbaar zijn de krijtlagen van het mons bekken, van de kust en van de kempen met elkaar? &lt;br /&gt;
#was er enige economische motivatie om diepe verkenningsboringen uit te voeren in de condroz (Havelange) en noord frankrijk (Epinoy) ? leg je antwoord uit met enkele schetsen van de geologische opbouw van het gebied. kan je uitleggen welke nieuwe informatie de boring van havelange opleverde? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Hoe kan men de invloed van de Sudetische en Saalische fasen van de Variscische orogenese vaststellen in de Kempen? &lt;br /&gt;
#Wat zijn de belangrijkste geologische fenomenen voor ons land geweest in de Jura-tijd? &lt;br /&gt;
#Zou je een paleogeografische schets van het zuidelijk Noordzeegebied kunnen geven bij de overganstijd van het Ypresiaan naar het Lutetiaan? Uiteraard moet je alles op je schets kunnen argumenteren. &lt;br /&gt;
#Kan je aangeven, liefst ook met enkele schetsen, wat de paleotektonische betekenis is van de magmatische gesteenten die voorkomen in de overgangstijd van Orovicium naar Siluur? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
#Schets de evolutie van de paleogeografie van ons gebied tussen de Pyreneese en de Savische tektonische pulsen. &lt;br /&gt;
#Kan je de verschillende fasen van tektonische activiteit aangeven die het gebied van de huidige Neder Rijn (o.a. Roer Valley Graben...) heeft gekend in het Phanerozoïcum? &lt;br /&gt;
#Leg eens uit aan de hand van goed gekozen schetsen waarom de &#039;Syncline van Namen&#039; geen goede term is en hoe we doe structuur dan wel moeten begrijpen. &lt;br /&gt;
#Is de sedimentatiesnelheid tijdens het Onder Paleozoïcum (Cambrium, Ordovicium, Siluur) constant geweest? Leg uit hoe het verloop van die sedimentatiesnelheid in verband staat met de tektonische evolutie van die tijd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Stel je voor dat je gevraagd wordt door buitenlands bedrijf geologie van Brabant Massief uit te leggen. Bondige en schematische samenvatting van de geschiedenis met nodige principeschetsen geven (maar wel geen enkele stap vergeten!). En aandacht besteden aan alle componenten van de geologie zoals sedimentatie, diagenese &amp;amp; metamorfisme, tektoniek, magmatisme, erosie, ...&lt;br /&gt;
#Wanneer en hoe ontstond de Nederrijn slenk ? Zijn er sporen van deze tektonische eenheid te vinden in het Paleozoïcum (ge moet 3 voorlopers geven...) &lt;br /&gt;
#Hoe vergelijkbaar zijn de Krijtlagen van het Mons bekken, van de kust en van de Kempen met elkaar? &lt;br /&gt;
#Was er enige economische motivatie om diepe verkenningsboringen uit te voeren in de Condroz(Havelange) en noord-frankrijk(epinoy)? Leg uit aan de hand van schetsen van de geologische opbouw van het gebied... Leg ook uit welke nieuwe informatie de boring van Havelange opleverde. (men veronderstelde vooraf twee hypothese en ge moet dan zeggen welke als oplossing naar voren kwam uit interpretatie van boring..) &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Schets evolutie van de Schelde en leg verder uit... &lt;br /&gt;
#Beschrijf afzettingsmilieu van Diestiaan zanden. Wrm geven ze aanleiding tot specifieke landschap? &lt;br /&gt;
#Wat is de rol van de doorlatendheid van de gesteentes bij de excursies naar de prebarrages/stuwdam bij Samber/Maas. Toon opbouw van dam aan... &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Hoe zou je op een schematische manier de tektoniek van Henegouwen en Noord-Frankrijk voorstellen? &lt;br /&gt;
#Welke zijn de grote lijnen van de Onder Carboon paleogeografische ontwikkeling in onze gebieden? &lt;br /&gt;
#Leg de belangrijkste geologische fenomenen it die zich in de Perm tijd in onze gebieden voordeden en plaats ze in de contect van de Europese Perm geschiedenis. &lt;br /&gt;
#Welke zijn de belangrijkste kenmerken van de Zanden van Brussel en welke paleogeografische betekenis kan je eraan koppelen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Hoe verklaar je de grote porositeit in de Dinantiaan gesteenten van de Kempen? &lt;br /&gt;
#Maak een EIGEN vereenvoudigde (=enkel hoofdlijnen) geologische kaart van het steenkoolbekken van Luik, het land van Herve, het synclinorium van Verviers, het venster van Theux en het oostelijk gelegen Onder Devoon van de Ardennen (oa St Vith) en maak een eigen profiel erdoor, waarmee je kan uitleggen wat de geologische structuur is van dat gebied. &lt;br /&gt;
#Waar komt de codering als Ya, Yb, Yc, Yd, .. vandaan? Voldoet een dergelijke codering voor de beschrijving van de lagen? Hoe heeft men de kartering van deze lagen aangepakt op de nieuwe 1:50.000 kaarten? &lt;br /&gt;
#Was de tektonische rol van het Brabant Massief beperkt tijdens het Krijt? Argumenteer je antwoord &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Hoe verklaar je de verschillen in a) de Dinantiaan fauna van de Kempen en de Condroz? b) de Dinantiaan en Namuriaan lithologie in Kempen en Condroz Is er een relatie tussen beide fenomenen? &lt;br /&gt;
#Maak een EIGEN vereenvoudigde (=enkel hoofdlijnen) geologische kaart, met de nodige schematische profielen, van het steenkoolbekken van Noord-Frankrijk, Henegouwen en Namen waarmee je kan uitleggen wat de structurele ontwikkeling is van dat gebied. &lt;br /&gt;
#Op de oude 1:40000 geologische kaarten wordt een cyclus Landenien met codes L1 en L2 gebruikt. Deze lagen hebben een andere benaming gekregen op de recente 1:50000 kaarten. Weet je welke? Zou je een paleogeografische-sedimentologische historiek kunnen schetsen van ons gebied in deze tijd? &lt;br /&gt;
#Welke was de tektonische rol van het BM tijdens de Jura tijd? Argumenteer telkens wat je antwoordt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#De zanden van Brussel hebben een beperkte geografische verspreiding. Bespreek eens hoe dat komt en zijn er dan lateraal tijdsequivalente afzettingen van deze zanden. &lt;br /&gt;
#Op de citadel te Namen konden we de Boven Carboon gesteenten observere, dicht tegen de rand van het BM. Welke elementen kunnen ons informeren over de vroegere maximale begravingsdiepte van deze gesteenten? welke was dat bedrag ongeveer? Wanneer werd het bereikt? Wanneer zijn deze gesteente terug aan de oppervlakte gekomen? Argumenteer telkens Uw antwoorden &lt;br /&gt;
#Bespreek de randvoorwaarden (de beschikbare gegevens, argumenten) om de plooiing van, en de metamorfisme in, het BM in de tijd te situeren. &lt;br /&gt;
#Welke zijn de belangrijke fasen in de geschiedenis van het breuksysteem van de westrand van de Roermond slenk die het noordoosten van ons land doortrekken? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
#evolutie van het Brabant Massief geven&lt;br /&gt;
#Nederrijnslenk en zijn voorlopers geven&lt;br /&gt;
#vergelijk het krijt in mons, aan de kust, en in de kempen&lt;br /&gt;
#tektoniek in het tertiair&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Kan je een schets maken van de paleogeografie van ons gebied tijdens het Siluur. Voor ieder paleogeografisch element dat je tekent verwijs je met een pijl naar een bondige argumentatie om dat element weer te geven. Suggestie: denk eerst na wat je weet van het Siluur, maak een lijst, en maak dan een compositieschets waarop al die paleogeografische elementen opstaan. &lt;br /&gt;
#Wat maakt dat de ondergrond van de Kempen blijkbaar geschikt is voor het aanleggen van een ondergrondse gasopslag en voor doubletgeothermische systemen ? En waarom in de Kempen geen grote gasvelden zoals in Nederland ? &lt;br /&gt;
#Zou je een geologische historiek van de Jura tijd kunnen schrijven voor ons land (dat is niet gans West-Europa) ? (dwz een chronologische volgorde van alle belangrijke &#039;geologische events, processen&#039; tijdens de Jura.) &lt;br /&gt;
#Zou je de verschillende stappen in de ontwikkeling van het Schelde riviersysteem kunnen opgeven, startend vanaf de eerste ontwikkeling van het rivierstelsel ? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Stel je voor dat je gevraagd wordt voor een mineralen-exploratiebedrijf om een historiek van de geologische evolutie van het Brabant Massief te stellen: beschrijf eens de belangrijke fasen in de vorming, evolutie,... ervan. &lt;br /&gt;
#Hoe ver in het verleden kan je teruggaan om sporen, voorlopers, indicaties ... te vinden van de later Nederrijn slenk? Geef eens de grote evolutiestappen van deze slenk tot in het Quartair. &lt;br /&gt;
#Zijn de Krijtlagen van het Mons bekken, van de kust en de Kempen met elkaar te vergelijken? &lt;br /&gt;
#Zijn er in de Tertaire geschiedenis van ons land sporen van tektonische activiteit te vinden? Leg uit.&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Kan je aantonen aan de hand van stratigrafische begrippen zoals &#039;Paniseliaan&#039; en &#039;Yc&#039; dat de stratigrafische methodologie verandert in de tijd, met een beter inzicht als gevolg. &lt;br /&gt;
#Kan je de geologische evolutie van ons land schetsen tijdens de Jura tijd? Liefst met enkele goede kaartschetsen met paleogeografische en structurele informatie op. &lt;br /&gt;
#Kan je de ontstaanswijze schetsen ( maak enkele goede figuren) van het venster van Theux, als structurele eenheid, in relatie met het Massief van Stavelot, het Massief van de Vesder, het synclinorium van Dinant en het massief van Jalhay.&lt;br /&gt;
#Welke argumenten, gegevens ... uit de Caledonische geschiedenis van ons land kunnen gebruikt worden om te suggereren dat Oost-Avalonië wellicht nog uit kleinere onafhankelijke terranes bestond? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Maak een paleogeografische schets van hoe ons land er ongeveer moet uitgezien hebben bij het begin van het Siluur. Geef voor de verschillende elementen die je op je figuur aanbrengt ook de argumentatie (algemeen + specifiek uit de geologie van ons land). &lt;br /&gt;
#Kan je de historiek van het breuksysteem van de westrand van de Roermandslenk in het noordoosten van ons land eens opschrijven van zover je kan terug in de tijd tot nu? Met telkens de argumentatie zoals je die uit de geologische opbouw van ons land kunt afleiden. &lt;br /&gt;
#Wanneer ontstonden de breuken in het steenkoolterrein van de Kempen? Argumenten geven. &lt;br /&gt;
#Leg met enkele schematische profielen en kaarten (eigen tekeningen) uit wat het ‘Venster van Theux’ is. &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#hoe vergelijk je de geologie van Nederland met deze van ons land om uit te leggen dat Nederland grote gasvelden heeft in zijn ondergrond en België niet &lt;br /&gt;
#kan je iets gelijkaardigs doen om uit te leggen dat zowel de zuidelijke Noordzee als de meer Centrale Noordzee olievelden heeft en ons land niet? &lt;br /&gt;
#hoe verklaar je de vorming van het Brabant Massief in een plaattektonisch kader? Gebruik enkele schema&#039;s en geef er telkens de argumenten bij uit de geologie van ons eigen gebied. #Wat gebeurde er in de stratigrafie van het Cenozoïcum met het Paniseliaan, een eenheid die nu niet meer in de stratigrafische tabellen staat? leg dat eens uit. &lt;br /&gt;
#wanneer zijn de grote lijnen van ons rivierenstelsel zoals we dat nu kennen kunnen ontstaan? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#hebben tertiaire lagen een subhorizontaal vlak als afzetting bovenaan en onderaan? &lt;br /&gt;
#kan je een opeenvolgende paleogeografische evolutie schetsen die de geometrie van de mesozoische lagen verklaart in een doorsnede ongeveer parallel aan de belgische kust?(ergens in hfdst 9, een fig+uitleg op slides en cursustekst) &lt;br /&gt;
#hoe verklaar je de grote porositeit in de dinatiaangesteenten van de Kempen?(das met die karstlagen, Hfst4 Onder Carboon) &lt;br /&gt;
#Maak een vereenvoudigde (=enkel hoofdlijnen) geologische kaart van het steenkoolbekken van luik, het land van herve, synclinorium van verviers, het venster van theux, en het oostelijk gelegen onder devoon van de ardennen(oa St Vith) en een eigen profiel erdoor, waarmee je kan uitleggen wat de geologische structuur is van dat gebied (das het derde profiel van variscische+ da van stavelot(met die synclibnes zo) + da van het onderdevoon) &lt;br /&gt;
==Juni== &lt;br /&gt;
===Juni 2013=== &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Hoe kan je de ouderdom van de verkarsting in de Fondry des Chiens bepalen. Hier moet ge dus wel uw verhaal over die zanden doen (Opheffing Ardennen in Oligoceen blablabla onverzadigde watertafel leidt tot grondwaterstromingen in Oligocene zanden die recent zijn afgezet -&amp;gt; zure grondwaterstromingen -&amp;gt; karst), maar het belangrijkst is de bepaling van de ouderdom, hoe doen ze dat (blijkbaar door die zanden te vergelijken met andere) en hoe kunt ge weten dat die verkarsting is gestopt in midden-Mioceen (Miocene venen bovenop oligocene zanden in karstholtes-&amp;gt; karst moet dus al gestopt zijn) &lt;br /&gt;
# Bespreek de soorten riffen die we op de verschillende excursies gezien hebben. 3. Wat is het belang van de discontinuïteitsvlakken in het gesteente bij de plaatsing van een stuwdam. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Aan de hand van de ontsluitingen die we gezien hebben aantonen dat de syncline/synclinorium van Namen geen goede naam is. &lt;br /&gt;
#Het afzettingsmilieu van de kleien in de groeve van Hautrage bespreken. &lt;br /&gt;
#Wat is de oorsprong van de rode lagen die we gezien hebben in Huy en Tailfer? Wat is er speciaal aan? &lt;br /&gt;
#Een profiel maken van de verschillende stops in Fond de Quareux &lt;br /&gt;
=== Juni 2011 === &lt;br /&gt;
#Toon aan de hand van profielen de verschillen in de geologie ten noorden van de Midi-overschuiving voor Namen en Huy. &lt;br /&gt;
#*Het komt er hier dus op neer da ge een profiel moet tekenen voor Huy, Namen en Dave. Heel belangrijk is dus da ge hier op de 2 flanken van het Namen synclinorium zit. Zegt best ook da het geen echt syncliorium is maar da ge hier me het GMS zit. &lt;br /&gt;
#Verklaar adv een profiel waarom er ten noorden van Visé Mesozoische lagen aan het opp. komen en ten zuiden Paleozoische lagen. &lt;br /&gt;
#*Hier moet ge dus sedimentatie aan de rand van het BM vermelden, de verkarste Frasniaanlagen waar dan Viséaan is tussen gesedimenteerd, Variscische deformatie en het krijt da eerst overal lag maar daarna geërodeerd bij de opheffing van de ardennen. Het is bewaard gebleven ten noorden van Visé door de zakking van de RVG. &lt;br /&gt;
#Geef enkele relevante kenmerken van het Quarreux coglomeraat en leid hier de geologie van dit conglomeraat af. &lt;br /&gt;
#*Het Quareux conglomeraat zijn we tegengekomen bij de excursie naar het massief van Stavelot. Da was dieje conglomeraatmuur waar ge iets verder aan den overkant van een rivierke de zwarte fylladen van RV 5 had. Me geologie wordt hier dus eigenlijk het faciës bedoeld. over tektoniek moet ge hier (gelukkig) niets zeggen. Het co,nglomeraat is grof, ongesorteerd en dus niet ver getransporteerd. Aangezien het niet overal even dik is, was er een klifkust, een paleoreliëf. Aangezien de keien dooraderd zijn was de rotskust een klifkust bestaande uit harde en reeds getektoniseerde Caledonische gesteenten. &lt;br /&gt;
#Omda we tijdens de excursies profieltjes moesten maken, is er ook hier een vraag over gekomen. Deze stond echter niet op de papieren. Wat is het verschil of de gelijkenis tussen de noordrand van het Stavelotmassief en de noordrand van het Rocroimassief? &lt;br /&gt;
#*Het was een gelijkenis, namelijk, bij beiden hebt ge stoelplooien. De massieven zijn naar voor gedrukt door de Varisciden en ook omhoog geheven. In het profiel van Eupen is dit te zien door een rechtopstaande conglomeraatbank. Later komen we deze al liggend tegen. Ook de jongere lagen zullen afwisselend rechtopstaand en plat voorkomen. &lt;br /&gt;
=== Juni 2010 === &lt;br /&gt;
#Beschrijf de elementen waaruit je het afzettingsmilieu kon afleiden bij volgende stops : Hautrange en Bierbeek &lt;br /&gt;
#geef belangrijke geologische elementen voor het plaatsen van de dam in ( ben de naam kwijt). Zie voorlaatste excursie laatste stop (met kalkstenen en schiefers) &lt;br /&gt;
#Samson vallei ... Plaats in de geologische context van ons land (vooral waarom gebroken en niet geplooid) &lt;br /&gt;
=== Juni 2008 === &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Hoe wijzigen rivieren hun werking onder invloed van klimaatsvariaties tijdens het Quartair? Kan je hier voorbeelden van geven? &lt;br /&gt;
#Bespreek het afzettingsmilieu in het Weald facies in Hautrage (excursie 6 dus) in het kader van de lokale geologie en de regionale geologie. Met andere woorden: waarom rijden we naar daar en kunnen we niet dichter bij op excursie gaan? &lt;br /&gt;
#Groeve van de Zanden van Egem. Bespreek de paleogeografie van het onder Eoceen tot het midden Eoceen in functie van deze excursie. &lt;br /&gt;
#Als het werkje goed is, overloopt hij gewoon kleine stuff die ge geschreven hebt in uw werkje en geeft hij kleine tips enzo. Als uw werkje een flater bevat, vraagt hij hoe ge daar aan komt etc en moet ge da uitleggen. &lt;br /&gt;
#Er was ook een quotering op 2 dingen die je op excursie zelf moest doen, maar daar vroeg hij niets over, hij overliep het gewoon met je. Een uitgebreide litholog maken (des te uitgebreider en des te ordelijker (hmm Joris ) des te beter) en een breukstructuur interpreteren. &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
#Schets de West-Europese paleogeografische context van de kleiafzettingen die in de groeve te Hautrage werden gezien. &lt;br /&gt;
#Kan je de geologie van de omgeving van Hoei (Huy) verklaren met de concepten van de geologische opbouw van Henegouwen sensu Delmer? &lt;br /&gt;
#Kan je uitleggen wat de Vlaamse Vallei is? &lt;br /&gt;
#Wat is het verschil tussen basisveen en Hollands veen? &lt;br /&gt;
=== Juni 2005 === &lt;br /&gt;
#Hoe vergelijk je de geologie van Nederland met die van ons land om uit te leggen dat Nederland grote gasvelden heeft en België niet? &lt;br /&gt;
#Kan je iets gelijkaardigs doen om uit te leggen dat zowel de zuidelijke Noordzee als de meer Centrale Noordzee olievelden heeft en ons land niet? &lt;br /&gt;
#Hoe verklaar je de vorming van het Brabant Massief in een plaattektonisch kader? &lt;br /&gt;
#Wat gebeurde er in de stratigrafie van het Cenozoïcum met een eenheid zoals het &#039;Paniseliaan&#039; (die nu niet meer in de stratigrafische tabellen staat)? &lt;br /&gt;
#Wanneer ontstonden de grote lijnen van ons rivierenstelsel zoals we dat nu kennen? ( en da gaat blijkbaar over meer dan&#039;t quartair) &lt;br /&gt;
===Juni 2004=== &lt;br /&gt;
#Op de citadel te Namen konden we de Boven Carboon gesteenten observeren, dicht tegen de rand van het Brabant Massief. Er zijn ook meerdere profielen besproken doorheen de lagen van de citadel te Namen. Welke elementen kunnen ons informeren over de vroegere maximale begravingsdiepte van deze gesteenten? Welke was dat bedrag ongeveer? Wanneer werd het bereikt? Wanneer zijn deze gesteenten dan aan de oppervlakte gekomen zoals we ze nu zien? Argumenteer telkens Uw antwoorden. &lt;br /&gt;
#Maak een paleogeografische schets van hoe ons land er ongeveer moet uitgezien hebben bij het begin van het Siluur. Geef voor de verschillende elementen die je op de schets aanbrengt de argumentatie. Hoe kadert die schets in het grotere plaattektonische beeld van die tijd? Suggestie: maak 2 schetsen, een detail voor ons land, een globaler voor de plaattektonische situatie &lt;br /&gt;
#Welke zijn de belangrijke fasen in de geschiedenis van het breuksysteem van de westrand van de Roermand slenk dat het noordoosten van ons land doortrekt? Schets dus de historiek vanaf het ontstaan tot nu van de slenk &lt;br /&gt;
#Indien je de lagenopbouw uit het kustprofiel (Cenozoïcum, Mesozoïcum tot op de Caledonische sokkel)analyseert dan moet daaruit noodzakelijkerwijze tot herhaalde en differentiële vertikale bewegingen besloten worden. Kan je die vertikale tektonische historiek voor het Mesozoïcum en het Cenozoïcum reconstrueren (en argumenteren)? &lt;br /&gt;
=== Juni 2002 === &lt;br /&gt;
#Paleogeografische en paleotektonische situatie van Cambrium (alles wat ge maar kunt verzinnen) &lt;br /&gt;
#Paleotektonische betekenis van het porfier van Quenast &lt;br /&gt;
#Bespreek Carboon (min5/max10 N-S profielen), wederom alles wat ge daarover kunt verzinnen &lt;br /&gt;
#Geef de elkaar in de tijd opeenvolgende stappen (Sedimentatie/Begin Deformatie/Eind Deformatie/...) van het Stavelot Massief- Venster van Theux - Synclinorium van Verviers (is blijkbaar figuur overtekenen uit boek; deze met de doorgeschoven anticline?) &lt;br /&gt;
== Augustus == &lt;br /&gt;
=== Augustus 2005 === &lt;br /&gt;
#Roerdalslenk: schets de belangrijke evolutiestappen met als tip dat ge de voorlopers ni moogt vergeten (gaat ver terug) &lt;br /&gt;
#Paleogeografische context van Onder en Boven Carboon met elkaar vergelijken (met spreiding en faciessen). Hij houdt zeer veel van zelf getekende kaartjes! (al tekent ge ze stiekem over uit de cursus) &lt;br /&gt;
=== Augustus 2004 === &lt;br /&gt;
#Paleogeografischebetekenis van de conglomeraten van Burnot. &lt;br /&gt;
#Welke argumenten zijn er om op het einde van het Ordovicium een plooing van de Ardeense massieven te veronderstellen? &lt;br /&gt;
#Met de kennis van de Perm afzettingen in ons land en deze van onze buurlanden schets de paleogeografische situatie van ons land en onze buurlanden. &lt;br /&gt;
#Zijn in de geologische opbouw van ons land sporen terug te vinden van de cimmerische opheffingen. &lt;br /&gt;
#Kan je de belangrijkste Pliocene en Pleistocene geologische fenomenen of lagen in ons land opsommen en ze in een tijdskader en in hun paleogeografische context plaatsen?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=740</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=740"/>
		<updated>2025-01-20T10:49:23Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 januari - namiddag ====&lt;br /&gt;
* Wat gebeurt er met deoplosbaarheid van O2 bij verhoogde ionische sterkte?&lt;br /&gt;
* Invloed van sorptie op bodemvruchtbaarheid&lt;br /&gt;
* verzuring van de bodem bij intensieve veehouderij (tip: NH3 emissies)&lt;br /&gt;
* Een reactie met als EC: Ks van een sorptieding en massabalans van [S]t zeg maar en dan een concentratie van een stof hoeveel dat nog in oplossing blijft.&lt;br /&gt;
**2e deel waarbij een deel van die sorptieplaatsen weg gaan. De sorptieplaatsen waren op ferrihydriet (Fe(OH3)) (die formule stond erbij) en ging onderwater wegreduceren met organische stof van 2C/kg/dag voor 30 dagen. Dus je moest eerst een REDOX reactie uitschrijven van Fe(OH)3 + CH2O -&amp;gt; Fe2+ + CO2 (en dan verder uitwerken) en met dat resultaat wist je dan dat er voor elke CH2O 4Fe(OH)3 weg gingen reageren, wist je hoeveel sorptieplaatsen er minder zijn en dan dezelfde massabalans en zo&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 20 januari - voormiddag ====&lt;br /&gt;
*Waarom is de ph laag in water &#039;s ochtends &lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er me de pH als een bodem uitdroogt &lt;br /&gt;
*Welke invloed heeft NOx op het milieu&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
* Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
* Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
* Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
* Een bodem van pH 6,5 bevat 10 mmol / kg DS orthofosfaat. De bodem heeft 80 mmol/kg bindingssite en de sorptieconstante Ks van orthofosfaat (elke vorm, dus H2PO4-, HPO4(2-), enz) is 2000 l/mol. Het volumetrisch vochtgehalte van de bodem is 0,25 l/kg DS en in het poriewater (met ionische sterkte 0,01 M) is Ca(2+) concentratie 2mM. De bodem wordt bekalkt. Boven welke pH kan fosfaat in de bodem neerslaan als Ca3(PO4)2 dat oplosbaarheidsproduct heeft van logKsp = -28,9? Neem aan dat de activiteit van Ca(2+) niet varieert bij de bekalking. De pKa’s van orthofosfaat zijn 2,1;7,2;12,3. Ga ervan uit dat de Langmuir-waarde Ks verwijst naar de concentratie orthofosfaat [P] en niet naar de activiteit (P). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
* Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
* K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
* Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
* Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
* Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
* Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====22 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
* Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
* Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
* Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk (zelfde als op 18 januari in de namiddag)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====23 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
*Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
*Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=729</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=729"/>
		<updated>2025-01-18T08:29:27Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 januari - namiddag ====&lt;br /&gt;
* Wat gebeurt er met deoplosbaarheid van O2 bij verhoogde ionische sterkte?&lt;br /&gt;
* Invloed van sorptie op bodemvruchtbaarheid&lt;br /&gt;
* verzuring van de bodem bij intensieve veehouderij (tip: NH3 emissies)&lt;br /&gt;
* Een reactie met als EC: Ks van een sorptieding en massabalans van [S]t zeg maar en dan een concentratie van een stof hoeveel dat nog in oplossing blijft.&lt;br /&gt;
**2e deel waarbij een deel van die sorptieplaatsen weg gaan. De sorptieplaatsen waren op ferrihydriet (Fe(OH3)) (die formule stond erbij) en ging onderwater wegreduceren met organische stof van 2C/kg/dag voor 30 dagen. Dus je moest eerst een REDOX reactie uitschrijven van Fe(OH)3 + CH2O -&amp;gt; Fe2+ + CO2 (en dan verder uitwerken) en met dat resultaat wist je dan dat er voor elke CH2O 4Fe(OH)3 weg gingen reageren, wist je hoeveel sorptieplaatsen er minder zijn en dan dezelde massabalans en zo&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
* Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
* Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
* Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
* Een bodem van pH 6,5 bevat 10 mmol / kg DS orthofosfaat. De bodem heeft 80 mmol/kg bindingssite en de sorptieconstante Ks van orthofosfaat (elke vorm, dus H2PO4-, HPO4(2-), enz) is 2000 l/mol. Het volumetrisch vochtgehalte van de bodem is 0,25 l/kg DS en in het poriewater (met ionische sterkte 0,01 M) is Ca(2+) concentratie 2mM. De bodem wordt bekalkt. Boven welke pH kan fosfaat in de bodem neerslaan als Ca3(PO4)2 dat oplosbaarheidsproduct heeft van logKsp = -28,9? Neem aan dat de activiteit van Ca(2+) niet varieert bij de bekalking. De pKa’s van orthofosfaat zijn 2,1;7,2;12,3. Ga ervan uit dat de Langmuir-waarde Ks verwijst naar de concentratie orthofosfaat [P] en niet naar de activiteit (P). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
* Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
* K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
* Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
* Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
* Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
* Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====22 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
* Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
* Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
* Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk (zelfde als op 18 januari in de namiddag)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====23 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
*Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
*Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=723</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=723"/>
		<updated>2025-01-16T14:44:55Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 6 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;16/01/2025&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Geef de voorwaarden en gevolgen voor het stationariteitsprinciepe en geef een voorbeeld&lt;br /&gt;
* Wat kan je afleiden uit het periodiek systeem over de chemische eigenschappen van een atoom met betrekking op chemische reacties&lt;br /&gt;
* Waarom is het uitzonderlijk dat KrF bestaat, en waarom bestaat het toch en geef een analoog voorbeeld van een ander molecule.&lt;br /&gt;
** Geef een reden waarom er een verband zou zijn met het voorkomen van Na+ in de tabel van de complexatie constanten met het EDTA-Ligand in bod p 128 tabel 6.13&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Ni2+ en NH3 vormen een complex met gegeven Concentraties en volumes van elk apart, bereken de concentratie niet gecomplexeerde Ni2+&lt;br /&gt;
* Bepaal thermodynamisch K voor de neerslag reactie van PbCl2 bij 25 celcius&lt;br /&gt;
** bereken de oplosbaarheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 9 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Waarom wordt er magnesium en chloor gewonnen aan de zee bij een aardgasontginningsgebied? Beargumenteer de chemische reden en geef de reactievergelijkingen die dat aantonen&lt;br /&gt;
* De andere theorievraag weet ik ni meer da was een geobserveerde* snelheidsverhelijking van een complexvorming en dan moest ge een plausibel reactiemechanisme geven en dan vroeg die ook of methatese sneller zou zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Bij de eerste was de concentratie gegeven van een stof in oplossing. En dan werd er een ander ding ingekapt en ge moest de oplosbaarheid geven.&lt;br /&gt;
* De tweede was zeggen of een reactie spontaan opging (via vrije energieverandering)&lt;br /&gt;
** Wat is de grenstemperatuur voor de reactie om spontaan op te gaan?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk de berekening van de roosterenergie met de Coulomb-interactie in tegenstelling tot de wet van Hess.&lt;br /&gt;
**Geef de formule en interpretatie&lt;br /&gt;
**Werk beide methoden uit een de hand van voorbeeld&lt;br /&gt;
**Als beide resultaten verschillen, leg dan uit hoe dit komt. Is je resultaat hetzelfde, wat in de berekening is dan doorslaggevend? &lt;br /&gt;
**Bereken het verschil in focus tussen beide&lt;br /&gt;
*Geef alle chemische eigenschappen (zuur, oxidans, ligand,...) voor kation en anion. Geef telkens een ander voorbeeld en geef ook aan of het sterk of zwak is in dit voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Cu(IO3)2 is beter oplosbaar na toevoeging van  NH3. Het complex Cu(NH3)4 2+ wordt gevormd. Bereken de nodige concentratie NH3 om 20,67g Cu(IO3)2 op te lossen. Het totale volume is 200 ml. &lt;br /&gt;
**Er ontstaat een neerslag van Cu(OH)2. Toon dit aan met behulp van van berekeningen. &lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van C2O4 2- bij 25°C aan de hand van thermodynamische gegevens. Vergelijk de uitkomst met die die je kan afleiden uit de tabellen van de zuurconstanten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=722</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=722"/>
		<updated>2025-01-16T14:40:56Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 6 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;16/01/2025&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Geef de voorwaarden en gevolgen voor het stationariteitsprinciepe en geef een voorbeeld&lt;br /&gt;
* Wat kan je afleiden uit het periodiek systeem over de chemische eigenschappen van een atoom met betrekking op chemische reacties&lt;br /&gt;
* Waarom is het uitzonderlijk dat KrF bestaat, en waarom bestaat het toch en geef een analoog voorbeeld van een ander molecule.&lt;br /&gt;
** Geef een reden waarom er een verband zou zijn met het voorkomen van Na+ in de tabel van de complexatie constanten met het EDTA-Ligand in bod p 128 tabel 6.13&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Ni2+ en NH3 vormen een complex met gegeven Concentraties en volumes van elk apart, bereken de concentratie niet gecomplexeerde Ni2+&lt;br /&gt;
* Bepaal thermodynamisch K voor de neerslag reactie van PbCl2 bij 25 celcius&lt;br /&gt;
** bereken de oplosbaarheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 9 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Waarom wordt er magnesium en chloor gewonnen aan de zee bij een aardgasontginningsgebied? Beargumenteer de chemische reden en geef de reactievergelijkingen die dat aantonen&lt;br /&gt;
* De andere theorievraag weet ik ni meer da was een geobserveerde* snelheidsverhelijking van een complexvorming en dan moest ge een plausibel reactiemechanisme geven en dan vroeg die ook of methatese sneller zou zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk de berekening van de roosterenergie met de Coulomb-interactie in tegenstelling tot de wet van Hess.&lt;br /&gt;
**Geef de formule en interpretatie&lt;br /&gt;
**Werk beide methoden uit een de hand van voorbeeld&lt;br /&gt;
**Als beide resultaten verschillen, leg dan uit hoe dit komt. Is je resultaat hetzelfde, wat in de berekening is dan doorslaggevend? &lt;br /&gt;
**Bereken het verschil in focus tussen beide&lt;br /&gt;
*Geef alle chemische eigenschappen (zuur, oxidans, ligand,...) voor kation en anion. Geef telkens een ander voorbeeld en geef ook aan of het sterk of zwak is in dit voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Cu(IO3)2 is beter oplosbaar na toevoeging van  NH3. Het complex Cu(NH3)4 2+ wordt gevormd. Bereken de nodige concentratie NH3 om 20,67g Cu(IO3)2 op te lossen. Het totale volume is 200 ml. &lt;br /&gt;
**Er ontstaat een neerslag van Cu(OH)2. Toon dit aan met behulp van van berekeningen. &lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van C2O4 2- bij 25°C aan de hand van thermodynamische gegevens. Vergelijk de uitkomst met die die je kan afleiden uit de tabellen van de zuurconstanten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=721</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=721"/>
		<updated>2025-01-16T14:39:52Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 6 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;16/01/2025&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Geef de voorwaarden en gevolgen voor het stationariteitsprinciepe en geef een voorbeeld&lt;br /&gt;
* Wat kan je afleiden uit het periodiek systeem over de chemische eigenschappen van een atoom met betrekking op chemische reacties&lt;br /&gt;
* Waarom is het uitzonderlijk dat KrF bestaat, en waarom bestaat het toch en geef een analoog voorbeeld van een ander molecule.&lt;br /&gt;
** Geef een reden waarom er een verband zou zijn met het voorkomen van Na+ in de tabel van de complexatie constanten met het EDTA-Ligand in bod p 128 tabel 6.13&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Ni2+ en NH3 vormen een complex met gegeven Concentraties en volumes van elk apart, bereken de concentratie niet gecomplexeerde Ni2+&lt;br /&gt;
* Bepaal thermodynamisch K voor de neerslag reactie van PbCl2 bij 25 celcius&lt;br /&gt;
** bereken de oplosbaarheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 9 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Waarom wordt er magnesium en chloor gewonnen aan de zee bij een aardgasontginningsgebied? Beargumenteer de chemische reden en geef de reactievergelijkingen die dat aantonen&lt;br /&gt;
* De andere theorievraag weet ik ni meer da was een geobserveerde* snelheidsverhelijking van een complexvorming en dan moest ge een plausibel reactiemechanisme geven en dan vroeg die ook of methatese sneller zou zijn.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk de berekening van de roosterenergie met de Coulomb-interactie in tegenstelling tot de wet van Hess.&lt;br /&gt;
**Geef de formule en interpretatie&lt;br /&gt;
**Werk beide methoden uit een de hand van voorbeeld&lt;br /&gt;
**Als beide resultaten verschillen, leg dan uit hoe dit komt. Is je resultaat hetzelfde, wat in de berekening is dan doorslaggevend? &lt;br /&gt;
**Bereken het verschil in focus tussen beide&lt;br /&gt;
*Geef alle chemische eigenschappen (zuur, oxidans, ligand,...) voor kation en anion. Geef telkens een ander voorbeeld en geef ook aan of het sterk of zwak is in dit voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Cu(IO3)2 is beter oplosbaar na toevoeging van  NH3. Het complex Cu(NH3)4 2+ wordt gevormd. Bereken de nodige concentratie NH3 om 20,67g Cu(IO3)2 op te lossen. Het totale volume is 200 ml. &lt;br /&gt;
**Er ontstaat een neerslag van Cu(OH)2. Toon dit aan met behulp van van berekeningen. &lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van C2O4 2- bij 25°C aan de hand van thermodynamische gegevens. Vergelijk de uitkomst met die die je kan afleiden uit de tabellen van de zuurconstanten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=720</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=720"/>
		<updated>2025-01-16T14:35:27Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 6 studiepunten ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;16/01/2025&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Geef de voorwaarden en gevolgen voor het stationariteitsprinciepe en geef een voorbeeld&lt;br /&gt;
* Wat kan je afleiden uit het periodiek systeem over de chemische eigenschappen van een atoom met betrekking op chemische reacties&lt;br /&gt;
* Waarom is het uitzonderlijk dat KrF bestaat, en waarom bestaat het toch en geef een analoog voorbeeld van een ander molecule.&lt;br /&gt;
** Geef een reden waarom er een verband zou zijn met het voorkomen van Na+ in de tabel van de complexatie constanten met het EDTA-Ligand in bod p 128 tabel 6.13&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Ni2+ en NH3 vormen een complex met gegeven Concentraties en volumes van elk apart, bereken de concentratie niet gecomplexeerde Ni2+&lt;br /&gt;
* Bepaal thermodynamisch K voor de neerslag reactie van PbCl2 bij 25 celcius&lt;br /&gt;
** bereken de oplosbaarheid&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk de berekening van de roosterenergie met de Coulomb-interactie in tegenstelling tot de wet van Hess.&lt;br /&gt;
**Geef de formule en interpretatie&lt;br /&gt;
**Werk beide methoden uit een de hand van voorbeeld&lt;br /&gt;
**Als beide resultaten verschillen, leg dan uit hoe dit komt. Is je resultaat hetzelfde, wat in de berekening is dan doorslaggevend? &lt;br /&gt;
**Bereken het verschil in focus tussen beide&lt;br /&gt;
*Geef alle chemische eigenschappen (zuur, oxidans, ligand,...) voor kation en anion. Geef telkens een ander voorbeeld en geef ook aan of het sterk of zwak is in dit voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Cu(IO3)2 is beter oplosbaar na toevoeging van  NH3. Het complex Cu(NH3)4 2+ wordt gevormd. Bereken de nodige concentratie NH3 om 20,67g Cu(IO3)2 op te lossen. Het totale volume is 200 ml. &lt;br /&gt;
**Er ontstaat een neerslag van Cu(OH)2. Toon dit aan met behulp van van berekeningen. &lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van C2O4 2- bij 25°C aan de hand van thermodynamische gegevens. Vergelijk de uitkomst met die die je kan afleiden uit de tabellen van de zuurconstanten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Statistiek_%26_data-analyse&amp;diff=713</id>
		<title>Statistiek &amp; data-analyse</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Statistiek_%26_data-analyse&amp;diff=713"/>
		<updated>2025-01-14T15:50:43Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Mia Hubert&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, computerzitting&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; ja, niet de computerzittingen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze prof geeft elke week 2 uurtjes les en komt altijd zeer enthousiast over. Het grote hekelpunt aan haar lessen is het niet-altijd-even-aangename stemgeluid van Mia Hubert. Voor de rest is ze altijd vriendelijk in de les en stelt ze veel vragen aan de aula. Het examen zal veel oefeningen bevatten, het is dus aangeraden om naar de oefenzittingen te gaan.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;17/01/2024&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*We hebben een koelkast en in de brochure staat dat de kan dat de temperatuur lager is dan 2°C, 2% is. De kans dat de temperatuur hoger is dan 6°C bedraagt 3%. Duidt aan welke stelling correct is en verantwoord je keuze. Voor een juist antwoord zonder verklaring krijg je geen punten. &lt;br /&gt;
**mu is kleiner dan of gelijk aan 4 / mu is groter dan 4&lt;br /&gt;
**Als we 50 van deze koelkasten nemen, dan is de verwachte waarde: kleiner of gelijk aan 4 / groter dan 4 &lt;br /&gt;
**Als we het betrouwbaarheidsinterval berekenen dan is mu in het midden / ligt het steekproefgemiddelde er in / ligt het populatiegemiddelde er in &lt;br /&gt;
*We hebben 200 gegevens uit een lognormale verdeling. Duidt aan wat juist is en verklaar. &lt;br /&gt;
*In een gemeente liggen 2 waterzuiverringscentrales. 40% van het afvalwater gaat naar centrale 1, de overige 60% naar centrale 2. 99% van het water dat gezuiverd wordt in centrale 1 voldoet aan de normen. 98% van het water dat gezuiverd is in centrale 2 voldoet aan de normen. &lt;br /&gt;
**Als we een staal uit centrale 1 nemen, wat is dan de kans dat dit niet aan de normen voldoet? &lt;br /&gt;
**Als we 15 stalen nemen van het water in centrale 2, wat is dan de kans dat minstens 13 van deze stalen voldoen aan de normen?&lt;br /&gt;
**Wat is de kans dat meer dan 11 van de 33 stalen van centrale 2 niet aan de normen voldoen? &lt;br /&gt;
*Ons tante heeft een verjaardagskalender waar ze haar eigen verjaardag op heeft staan en de verjaardagen van 65 kennissen. Ze heeft geteld hoeveel verjaardagen er zijn in elk kwartaal: kwartaal 1 = 13, kwartaal 2 = 21, kwartaal 3 = 16 en kwartaal 4 = 16. Ze wil weten of de verdeling van de verjaardagen van de wereldbevolking uniform verdeeld is. &lt;br /&gt;
**Welke hypotheses gebruikt ze. Leg je termen ook uit, schrijf zo veel mogelijk in symbolen. &lt;br /&gt;
**Aan welke voorwaarden moet worden voldaan? Is er voldaan aan deze voorwaarden? Waarom wel/niet? &lt;br /&gt;
**Geef de teststatistiek en de eventuele verdeling onder H0. &lt;br /&gt;
**Bereken de testwaarde &lt;br /&gt;
**Geef een besluit op het significantieniveau alfa = 5%&lt;br /&gt;
**leg uit wat de betekenis is van de P-waarde&lt;br /&gt;
*Een ijssalon wil weten of de winst die het maakt afhankelijk is van de dagtemperatuur. Gegeven: R-code &lt;br /&gt;
**Stel een regressierechte op en bepaal de winst volgens deze vergelijking bij een temperatuur van 20°C&lt;br /&gt;
**Welke veronderstellingen heb je gemaakt? Leg uit&lt;br /&gt;
**Is het model zinvol? &lt;br /&gt;
**Vul de ontbrekende delen in de R-code aan (df res en ANOVA-tabel met enkel linksboven gegeven) &lt;br /&gt;
**Stel X=maximale dagtemperatuur. Bereken de variantie van X aan de hand van de gegevens in de R-code. &lt;br /&gt;
**We kunnen de temperatuur in °C omzetten naar Fahrenheit volgens volgende vergelijking: F=1,8X+32. Bereken de variantie van F. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Vragen bij een reeks gegevens  van x en y  (met x=... en y=...)&lt;br /&gt;
** Is het gemiddelde van x significant lager dan het gemiddelde van y?&lt;br /&gt;
*** Maak een gepaste grafiek en trek hieruit een besluit. Vermeld welk type grafiek je maakt en benoem en duidt kenmerken van de grafiek aan.&lt;br /&gt;
*** Onderzoek de stelling a.h.v. een geschikte hypothesetest. Teken de P-waarde.&lt;br /&gt;
** Is er een lineair verband tussen de gegevens?&lt;br /&gt;
*** Onderzoek dit a.h.v. een geschikte hypothesetest. Schets de P-waarde.&lt;br /&gt;
* Vragen over hoofdstuk 9 via R-output (met gegevens over steekproef van verkiezingen doorheen de jaren)&lt;br /&gt;
** Welk regressiemodel is gerbuikt?  Geef de parameters en schattingen (?).&lt;br /&gt;
** Ontbrekende waarden in R-output invullen.&lt;br /&gt;
** Welke modelveronderstellingen zijn er gemaakt?&lt;br /&gt;
** Bepaal het gestandardiseerd residu. Kan je hieruit besluiten dat er een verschil is tussen de verkiezingsuitslag in 1993 en al de andere jaren?&lt;br /&gt;
* Kansrekenen&lt;br /&gt;
* Kansrekenen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* Theorie vraag met bewijzen: E(X) = E(schatter van X) en Var(schatter van X) = Var(X)/n&lt;br /&gt;
	Kansberekening (hfdst 3)&lt;br /&gt;
* Er komen gemiddeld 2 patiënten per shift van 4 uur binnen bij een ziekenhuis. Deze zijn Poisson-verdeeld.&lt;br /&gt;
** Wat is een Poisson-verdeling en wat is die hier specifiek (Landa dus gewoon invullen)?&lt;br /&gt;
** Wat is de kans dat er meer dan twee patiënten binnenkomen in deze shift?&lt;br /&gt;
** nog zo&#039;n kansberekening &lt;br /&gt;
** Een dokter wordt extra opgeroepen op kerstavond als er tijdens de eerste twee uur van de shift 4 of meer 	patiënten binnenkomen. Wat is de kans dat hij wordt opgeroepen?&lt;br /&gt;
** Wat is de kans dat de dokter de voorbije 5 jaar, precies 4 keer is opgeroepen op kerstavond?&lt;br /&gt;
* Donald zegt dat de gemiddelde Amerikaan 75 jaar oud wordt. Vladimir gelooft hem niet en hackt in de computers van 	het Amerikaanse ministerie. Daar vindt hij een document waaruit blijkt dat een Amerikaan gemiddeld 77 jaar oud 	wordt met een standaarddeviatie van 5 jaar. Vladimir kan goed met R werken en krijgt de volgende output: (dan 	kreeg je de output van een t-test).&lt;br /&gt;
** Welke hypothesetest paste Vladimir toe?&lt;br /&gt;
** Wat is de teststatistiek onder H0?&lt;br /&gt;
** vul de output verder aan: (de volgende waarden moest je aanvullen:) testwaarde, p-waarde, waarde van µ0 (75 dus), de waarde van het 99% BI&lt;br /&gt;
** Wat kan Vladimir besluiten? Had Donald gelijk?&lt;br /&gt;
** Wat als, na jarenlang onderzoek, blijkt dat sigma = 5? Wat verandert dit aan de p-waarde en aan je besluit?&lt;br /&gt;
* Op een avond wordt er een alcoholcontrole gedaan bij 313 bestuurders door een agent en daar zijn volgende gegevens uitgekomen: (tabel van 3X3 met in de kolommen het aantal promille en de rijen de soort weg). Zijn deze gegevens onafhankelijk?&lt;br /&gt;
** Welke hypothesetest pas je toe?&lt;br /&gt;
** Wat is de teststatistiek onder H0? (die van geobserveerde waarde - verwachte waarde)&lt;br /&gt;
** Wat is je testwaarde en p-waarde?&lt;br /&gt;
** Wat kan je besluiten?&lt;br /&gt;
** Stel dat de agent zelf gedronken had en de gegevens verkeerd had opgeschreven. Dit zijn de juiste gegevens: 	(alles was hetzelfde behalve in de laatste rij waren er wat gegevens verschoven). Gaat de p-waarde nu vergroten, 	verkleinen of gelijk blijven, zonder alles opnieuw te moeten berekenen.&lt;br /&gt;
* Er is een duidelijk verband tussen het aantal keer dat een kind in de hoek moet staan en het aantal kadotjes dat hij/zij krijgt van de Sint. (daaronder een tabel met x =  het aantal keer in de hoek en y =  het aantal kadotjes)&lt;br /&gt;
** Teken een scatterplot&lt;br /&gt;
** Wat denk je dat de correlatiecoëfficiënt gaat zijn o.b.v. de scatterplot? Positief of negatief en dicht bij 0 of dicht bij 	+-1?&lt;br /&gt;
** Bereken de correlatiecoëfficiënt. Wat betekent dit?&lt;br /&gt;
** Stel de vergelijking van de regressierechte op&lt;br /&gt;
** Lientje is heel braaf geweest voorbij jaar en is twee keer minder in de hoek moeten gaan staan. Hoeveel kadotjes 	verwacht je dat Lientje meer of minder gaat krijgen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Enkele meerkeuzevragen over alle soorten verdelingen. &lt;br /&gt;
*Een vraag uit 3 punten: &lt;br /&gt;
**Bewijs dat f(x) een verdelingsfunctie is: f(x)= 1/6 - x/72 voor 0&amp;lt;=x&amp;lt;=12 anders is f(x) = 0 &lt;br /&gt;
**Bewijs dat de verwachte waarde 4 is. &lt;br /&gt;
*Bereken de VAR. &lt;br /&gt;
*Hypothesetest over het vergelijken van 2 gemiddelde omtrekken, zeggen wat je allemaal heb aangenomen, en hoe hoe je dit zou kunnen aantonen als je de juiste gegevens had, en verklaren wat de type 1 en type 2 fout in dit geval betekent. &lt;br /&gt;
*SAS output: regressie model opstellen, enkele waarden invullen die ze in de output hebben weggelaten, modellen nagaan, betrouwbaarheidsinterval van rico opstellen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*dataset van appartementen, met de prijs, de oppervlakte, de ligging en nog iets &lt;br /&gt;
*toon aan dat de variabele prijs niet normaal verdeeld is. Zoek een gepaste transformatie (die je gtprijs noemt). &lt;br /&gt;
*Iemand beweerd dat de prijs van appartementen is een residentiële omgeving hoger is dan de prijs voor appartementen in een niet residentiële omgeving. Ga na of hij gelijk heeft &lt;br /&gt;
**met de variabele gtprijs &lt;br /&gt;
**met de variabele prijs &lt;br /&gt;
**de p-waarde bekomen in a op een grafiek weergeven + leg uit in woorden wat de p-waarde is &lt;br /&gt;
*is er een verband tussen gtprijs en de oppervlakte &lt;br /&gt;
*15% volwassenen uit een steekproef van 1540 volwassenen gaan regelmatig joggen &lt;br /&gt;
**bereken het gemiddelde en de variantie &lt;br /&gt;
**wat is de kans dat tussen 13% en 17% van de volwassenen gaan joggen &lt;br /&gt;
**hoe groot moet de steekproef zijn om de standaarddeviatie van a te halveren &lt;br /&gt;
*55% drinkt koffie, 25% thee en 45% cola. 15% drinkt zowel koffie als thee, 25% zowel koffie als cola en 5% drinkt koffie, thee en cola. Er is ook geweten dat 5% alleen thee drinkt. &lt;br /&gt;
**hoeveel procent drinkt alleen cola &lt;br /&gt;
**hoeveel procent drinkt geen enkele van deze dranken &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vraag 1-3 dataset met geslacht, L of R handig, langste voet(L of R) en lengte van voet. &lt;br /&gt;
**hebben linkshandingen meestal de linkse voet als langste voet? &lt;br /&gt;
**Kun je aan de hand van de breedte van de voet bij de jongens de lengte bepalen? &lt;br /&gt;
**Is de gemiddelde lengte van de voeten bij jongens en meisjes verschillend? en wat is de betekenis van die P-waarde. &lt;br /&gt;
*u pillekes zijn gemiddeld 4 mm en en 1/100 wijkt hiervan meer dan 0.02 mm af. Degene die meeer dan 0.2mm afwijken moeten vernietigd worden. Wat is de kans da ge op 1000 pillekes meer dan 15 moet vernietigen. #ge hebt een 95% betrouwbaarheidsinterval [38.9 en 40.9]. bereken nu het 99% betrouwbaarheidsinterval en wat is de betekenis hiervan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Is er een significant verschil in gewicht tussen ratten met genotype A en ratten met genotype B?&lt;br /&gt;
**Heeft het genotype van de moeder invloed op het genotype van de rat? &lt;br /&gt;
*Je buurman heeft een alarmsysteem dat afgaat bij 95% van de inbraken. Het is de afgelopen twee jaar echter ook 5 keer afgegaan zonder reden. De kans op inbraak in je buurt wordt geschat op 2 op 10000. Als het alarm van je buurman op een nacht afgaat, hoe groot is de kans dat het een echte inbraak betreft? &lt;br /&gt;
*Bij mannelijke en vrouwelijke muizen van twee soorten werd bij 100 exemplaren elk (voor een totaal van 400) onderzocht of ze een bepaalde ziekte hebben. Soort 1, V: p1, Soort 1, M: p2, Soort 2, V: p3, Soort 2, M: p4. p1 = 0,02, p2 = 0,03, p3 = 0, p4 = 0,01. &lt;br /&gt;
**Formuleer een nulhypothese en een alternatieve hypothese en zoek de bijhorende p-waarde om uit te zoeken of het aanvaardbaar is te stellen dat de mannetjes van soort 1 makkelijker besmet raken dan de vrouwtjes. &lt;br /&gt;
**Vind de p-waarde voor H0: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;gt;= 0 en H1: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;lt; 0. (Hier ben ik niet zeker van) &lt;br /&gt;
*Bij het saneren van de grond moet men exact weten hoeveel plutonium er in de grond zit. Dit plutonium is echter moeilijk op te sporen als het gemengd is met andere stoffen. Daarom spoort men de alfa-stralen op die het plutonium uitzendt. Was het correct de kleinste-kwadratenmethode te gebruiken? Waren de voorwaarden om de kleinste-kwadratenmethode toe te passen voldaan? (Onder de tekst staat een afbeelding van een in een statistisch programma bekomen resultaat van een F-test en een t-test). &lt;br /&gt;
*Meerkeuzevraag: als men de steekproef vergroot bij een vast significantieniveau en een normale verdeling zal de nauwkeurigheid stijgen en de correlatiecoëfficiënt vergroten. Waarom? Vier mogelijkheden. &lt;br /&gt;
*In een diamantmijn schat men dat er per 500m^3 1 diamant zit, die kan verkocht worden aan 2,5 miljoen euro. De diamantmijn is 1000m^3 groot, en het kost 5000 euro per m^3 om ze te ontginnen. Hoe groot is de kans dat de totale winst minimum 2,5 miljoen euro zal zijn? {| class=&amp;quot;wikitable&amp;quot; style=&amp;quot;text-align:center&amp;quot; |- | rat || moeder || gewicht || || rat || moeder || gewicht |- | A || A || 68.2 || || A || J || 39.6 |- | A || A || 64 || || A || A || 60.3 |- | A || A || 65 || || A || A || 51.7 |- | A || A || 59.7 || || A || A || 49.3 |- | A || B || 55 || || A || A || 48 |- | A || B || 42 || || A || B || 50.8 |- | A || B || 60.2 || || A || B || 64.7 |- | A || I || 52.5 || || A || B || 61.7 |- | A || I || 68.2 || || A || B || 64 |- | A || I || 61.8 || || A || B || 62 |- | A || I || 49.5 || || A || I || 56.5 |- | A || A || 52.7 || || A || I || 59 |- | A || J || 42 || || A || I || 47.2 |- | A || J || 54 || || A || I || 53 |- | A || J || 61 || || A || J || 51.3 |- | A || J || 48.2 || || A || J || 40.5 |- | I || A || 37 || || B || A || 57.4 |- | I || A || 36.3 || || B || A || 54 |- | I || A || 68 || || B || A || 47 |- | I || B || 56.3 || || B || B || 59.5 |- | I || B || 69.8 || || B || B || 52.8 |- | I || B || 67 || || B || B || 56 |- | I || I || 39.7 || || B || I || 45.2 |- | I || I || 46 || || B || I || 57 |- | I || I || 61.3 || || B || I || 61.4 |- | I || I || 55.3 || || B || J || 44.8 |- | I || I || 55.7 || || B || J || 51.5 |- | I || J || 50 || || B || J || 53 |- | I || J || 43.8 || || B || J || 42 |- | I || J || 54.5 || || B || J || 54 |- | I || A || 59 || || || || |} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== met dank aan de geografen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2001-2002 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vraagstuk met figuur met veel boxplotten: 4 besluiten uit de boxplotten trekken &lt;br /&gt;
*Geef de binomiaalverdeling - bereken E(X) en Var(X) van de verdeling - welke verdeling wordt benaderd als n groot is - vraagstuk: 250 euromunten worden opgegooid, 140 waren kop. Wat is de kans dat je bij een eerlijke euromunt minstens 140 keer kop gooit. - geef betrouwbaarheidsinterval van 95% &lt;br /&gt;
*Vraagstuk: krijgen armen dagelijks minder dan 800 mg Ca binnen? 35 mensen werden onderzocht, gemiddelde 774.9 mg Ca: test op significantieniveau 0.05, geef P-waarde, definieer p-waarde en duidt aan in tekening. Geef de gebruikte veronderstellingen en hoe ga je die veronderstellingen na? &lt;br /&gt;
*f(x) = ¼ * |x| als x  -2,2 f(x) = 0 elders - teken de dichtheidsfunctie - bewijs dat het een dichtheidsfunctie is - bereken E(X) en de mediaan - geef p(-1 &amp;lt; x &amp;lt; 1) &lt;br /&gt;
*vraag bij practicum: bij onderzoek van verwantschap en gebied: welke test heb je gebruikt en welk resultaat &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2003-2004 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Jan studeert één hoofdstuk uit zijn cursus statistiek. De gemiddelde duur om 1 hoofdstuk te leren bedraagt 1 uur met een standaardafwijking van 20 minuten. Bepaal de kans da hij langer dan anderhalf uur moet leren. Stel Jan wil om 23h naar een feest vertrekken. om welk uur moet hij ten laatste beginnen te studeren als hij met 98% zekerheid om 23h gedaan wilt hebben. &lt;br /&gt;
*Een boer beweert da hij water kan ontdekken met zijn peddel. De buren geloven hem niet en willen hem testen. Ze zetten 10 vaten waarvan er een aantal gevuld zijn met water. De boer raadt er 8 van juist. Als de boer gegokt heeft, wat is dan de kans dat hij hetzelfde resultaat of nog beter boekt. Bepaal de kans eerst exact, daarna benaderend. Zijn beide kansen gelijk of sterk verschillend? Verklaar. &lt;br /&gt;
*Is de mortaliteit hoger bij mensen met een laag inkomen dan met een hoog inkomen? &lt;br /&gt;
**geef nulhypothese en alternatieve &lt;br /&gt;
**wat is de teststatistiek? welke waarde heeft ze? &lt;br /&gt;
**voer de test uit met significantieniveau (0,05 of 0,1 weet ik niet meer) &lt;br /&gt;
**geef de resultaten, wat is je besluit, toon dit ook grafisch aan &lt;br /&gt;
**Is de mortaliteit afhankelijk van het opleidingsniveau &lt;br /&gt;
***geef dit grafisch &lt;br /&gt;
***welk verband kan je vinden &lt;br /&gt;
***test de onafhankelijkheid (0,05 of 0,1 weet ik niet meer) &lt;br /&gt;
***wat is hier de betekenis van de p-waarde? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2004-2005 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Iets met koeien en het geven van melk. gemiddelde: 25 liter en standaardeviatie 10 liter. &lt;br /&gt;
**1750 liter op pallet vol te krijgen; Hoe groot is de kans dat 65 koeien zo&#039;n pallet kunnen vullen ? &lt;br /&gt;
**Een bedrijf dat een gemiddelde heeft van &amp;gt; 22 liter. Is succesvol. Hoe veel koeien moet eenbedrijf met 95 % zekerheid hebben om succesvol te zijn &lt;br /&gt;
*Y~ verkochte producten in millioen X ~ aantal mensen die in gebied wonen waar product verkocht worden. over 50 gebieden (ook in millioen) een tabel gegeven met t waarden Df estimates parameters t value standaardeviatie p-value interceptie alles gegeven slope alles behalve p-value gegeve &lt;br /&gt;
**bereken p-value slope &lt;br /&gt;
**teken de p waarde en t waarde voor slope en verduidelijk &lt;br /&gt;
**geef defentie p waarde &lt;br /&gt;
** bereken het aantal verkocte producten voor 10 000 000... &lt;br /&gt;
*Er is dus een tabel gegeven met hoogte, grootte van waargenomen gebied,volume, grootte eikel (logaritmisch) , hoog/laag ( als hoogte &amp;gt; 20 ), grote eikel/kleine eikel gegeven voor california en atlantica eiken... eik.xls Kan je zeggen dat de california bomen typisch laag zijn? &lt;br /&gt;
**Geef alle numerieke,formele,grafische, kenmerken van de variabele grootte in elke regio &lt;br /&gt;
**Zijn deze significant verschillend ? &lt;br /&gt;
**beoordele volgende stelling; grootte van gebied is gemiddeld 400 in Californië( i vierkante km²). Ahv betrouwbaarheidsinterval 95 % &lt;br /&gt;
**Bespreek de afhankelijkheid van grootte en volume in Californië &lt;br /&gt;
*Een koppel houdt een bescheiden huwelijksfeest met 25 uitgenodigde koppels. 8 daarvan komen zeker, 2 komen met een kans van 30%, en de rest met een kans van 80%. - wat is de kans dat iedereen komt? - de 2 koppels met een 30%-kans laten weten dat ze niet zullen komen. Hoeveel zitplaatsen moeten voorzien worden om met 90% zekerheid voldoende zitplaatsen te hebben? &lt;br /&gt;
*Een doos heeft een gewicht met een 99% betrouwbaarheidsinterval van 93,04; 96,96. Een andere doos heeft een gewicht met 99% betrouwbaarheid van 103,34; 106,66. Variantie is telkens 2,5. Wat is het gewicht van de samengevoegde dozen in een 95% betrouwbaarheidsinterval. Geef de verschillende tussenstappen. &lt;br /&gt;
*Een dataset ontbijtgranen met producenten, koolhydraten, calorieën, suikers, kwaliteitsscore, rek waarin ze geplaatst worden... &lt;br /&gt;
**is er een verband tussen de producent en het rek waarin de producten geplaatst worden? &lt;br /&gt;
**bevatten producten uit het middenste rek meer suikers dan uit het bovenste/onderste rek?&lt;br /&gt;
**producent wil nagaan of er een verband is tussen score en koolydraten/calorieën. Welke variabele, koolhydraten of calorieën, is het meest geschikt voor nader onderzoek? Wat is het verband? wat raad je de producent aan? vermeld steeds voorwaarden, hypothesetesten,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2005-2006 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 &amp;lt;b/&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Excelbestandje: zie &#039;afhaalpagina&#039;. &lt;br /&gt;
**Is er een significant verschil in gewicht tussen ratten met genotype A en ratten met genotype B? &lt;br /&gt;
**Heeft het genotype van de moeder invloed op het genotype van de rat? &lt;br /&gt;
*Je buurman heeft een alarmsysteem dat afgaat bij 95% van de inbraken. Het is de afgelopen twee jaar echter ook 5 keer afgegaan zonder reden. De kans op inbraak in je buurt wordt geschat op 2 op 10000. Als het alarm van je buurman op een nacht afgaat, hoe groot is de kans dat het een echte inbraak betreft? &lt;br /&gt;
*Bij mannelijke en vrouwelijke muizen van twee soorten werd bij 100 exemplaren elk (voor een totaal van 400) onderzocht of ze een bepaalde ziekte hebben. Soort 1, V: p1, Soort 1, M: p2, Soort 2, V: p3, Soort 2, M: p4. p1 = 0,02, p2 = 0,03, p3 = 0, p4 = 0,01. &lt;br /&gt;
**Formuleer een nulhypothese en een alternatieve hypothese en zoek de bijhorende p-waarde om uit te zoeken of het aanvaardbaar is te stellen dat de mannetjes van soort 1 makkelijker besmet raken dan de vrouwtjes. &lt;br /&gt;
**Vind de p-waarde voor H0: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;gt;= 0 en H1: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;lt; 0 (vraag is niet 100% zeker juist) &lt;br /&gt;
*Bij het saneren van de grond moet men exact weten hoeveel plutonium er in de grond zit. Dit plutonium is echter moeilijk op te sporen als het gemengd is met andere stoffen. Daarom spoort men de alfa-stralen op die het plutonium uitzendt. Was het correct de kleinste-kwadratenmethode te gebruiken? Waren de voorwaarden om de kleinste-kwadratenmethode toe te passen voldaan? (Onder de tekst staat een afbeelding van een in een statistisch programma bekomen resultaat van een F-test en een t-test). &lt;br /&gt;
*Meerkeuzevraag: als men de steekproef vergroot bij een vast significantieniveau en een normale verdeling zal de nauwkeurigheid stijgen en de correlatiecoëfficiënt vergroten. Waarom? Vier mogelijkheden. &lt;br /&gt;
*In een diamantmijn schat men dat er per 500m^3 1 diamant zit, die kan verkocht worden aan 2,5 miljoen euro. De diamantmijn is 1000m^3 groot, en het kost 5000 euro per m^3 om ze te ontginnen. Hoe groot is de kans dat de totale winst minimum 2,5 miljoen euro zal zijn? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;b/&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Excelbestandje, zie &#039;afhaalpagina&#039;. &lt;br /&gt;
**Test of de variabelen &#039;Prooi&#039; en &#039;Blootstelling&#039; onafhankelijk zijn. &lt;br /&gt;
**Is er een significante associatie tussen &#039;Levensduur&#039; en &#039;Zwangerschapsduur&#039;? Hoe zou je je beslissingsmethode grafisch ondersteunen? &lt;br /&gt;
**Is er een significant verschil in totale slaaptijd tussen dieren met prooi-index 1 en dieren met prooi-index 5? [Antwoorden: b) Jep, Pearson cc = 0,64 [Jep.] &lt;br /&gt;
*Bespreek een lineair regressiemodel dat het verband tussen &#039;Levensduur&#039; en &#039;Zwangerschapsduur&#039; weergeeft. Pas eventueel transformatie toe. Bespreek de uitvoer volledig, zowel de numerieke waarden als de nuttige grafieken&lt;br /&gt;
*Een bakker maakt deeg voor krentenbrood in volumes van 1m³. De krenten worden toegevoegd en bij het deeg gemengd tot ze lukraak en uniform verdeeld zijn in het deeg. Hoeveel krenten dient de bakker toe te voegen aan het totale volume zodat er zich per 10 cm³ met 95% zekerheid tenminste één krent bevindt? &lt;br /&gt;
*Een chemisch bedrijf heeft speciaal aandacht voor de onzuiverheidsgraad van de chemische producten die ze maken. Uit ervaring schatten ze dat 1 van de 100 chemische mengsels en te hoge onzuiverheidsgraad heeft. Om de kwaliteit van hun producten te verbeteren heeft het bedrijf geïnvesteerd in een nieuwe lasertechnologie om de onzuiverheidsgraad te meten. Maar de fabrikant waarschuwt dat voor 95% van de mengsels die voldoende zuiver zijn, de lasertechnologie zal aangeven dat het mengsel voldoende zuiver is. Maar tegelijk zal de technologie voor 2% van de te onzuivere mengsels aangeven dat het mengsel toch zuiver genoeg is. Wanneer de lasertechnologie aangeeft dat het mengsel voldoende zuiver is, wat is de kans dat het mengsel toch te onzuiver is? [Antwoord: 0,0213%]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=709</id>
		<title>Algemene natuurkunde II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=709"/>
		<updated>2025-01-13T17:16:50Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Michael Wübbenhorst&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, oefenzitting, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 6&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding, oefeningen zijn schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari (sinds 2013-2014)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze prof heeft een uitgesproken Duits accent, zo kan hij een hele les praten over &#039;sinus tette&#039;. Deze prof doet zeer veel proefjes in zijn les, dat zijn natuurlijk de leukste momenten van de les, de rest van de les is nogal saai. Het is geen ramp om deze lessen te missen, alles is duidelijk uitgelegd in de cursus. (Het is trouwens een aanrader om gewoon uit de &#039;oude&#039; cursus te leren die op Toledo staat ipv Giancoli.) Op het examen is hij zeer vriendelijk, hij leest gewoon je voorbereiding en stelt hierbij bijvragen om na te kijken dat je de leerstof wel degelijk begrijpt en niet gewoon van buiten hebt geleerd. &amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 1 (13/01/2025)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een homogeen magneetveld. &lt;br /&gt;
** Leid de straal van de cirkelbaan af als functie van de magnetische inductie, de massa, snelheid en lading. Let op de omlooprichting!&lt;br /&gt;
** Leg het principe uit van een massaspectrometer. Vertrek vanuit een geladen deeltje (begin snelheid = 0) dat lineair wordt versneld in een homogeen elektrisch veld naar de eindsnelheid v.&lt;br /&gt;
** Bespreek de werking van een cyclotron&lt;br /&gt;
*Geleiders en kristallijne stoffen&lt;br /&gt;
**Bespreek de werking en kenmerken van een intrinsieke halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, ...). Leg ook de termen meerderheids- en minderheidsladingdragers uit. &lt;br /&gt;
**Hoe zijn deze halfgeleiders temperatuurafhankelijkheid (grafiek). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken. De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. Je mag aannemen dat de n van lucht exact gelijk is aan 1.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 1 (15/01/2024)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Biot savart en vergelijk met Coulomb&lt;br /&gt;
**Toon B aan voor oneindige stroomvoerende draad met behulp van Biot savart&lt;br /&gt;
*Spectrum van zwarte straler adhv verschuivingswet van Wien en wet van Stefan-nog iets&lt;br /&gt;
**Vergelijk spectrum van zwarte straler met dat van een laser&lt;br /&gt;
**Relatie weerkaatsingscoëfficiënt en nog een coëfficiënt wat ik even vergeten ben voor verschillende materialen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Twee geleidende bolschillen concentrisxh opgesteld met R1 en R2 de stralen. Binnenste bol lading q, buitenste lading -q&lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil tussen de twee bollen&lt;br /&gt;
**Bereken capaciteit&lt;br /&gt;
*C, R en V0 gegeven. Op tijdstip t=0 vermindert de afstand tussen de condensator platen met 20%&lt;br /&gt;
**Wat is spanningsverschil op condensator voor (V1) en na (V2) de gebeurtenis. &lt;br /&gt;
**We wachten een lange tijd. Wat is dan het spanningsverschil (V3) op de condensator&lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip is het spanningsverschil op de weerstand gelijk aan het gemiddelde van V2 en V3&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 2 (23/01/2024)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een homogeen magneetveld. &lt;br /&gt;
** Leid de straal van de cirkelbaan af als functie van de magnetische inductie, de massa, snelheid en lading. Let op de omlooprichting!&lt;br /&gt;
** Leg het principe uit van een massaspectrometer. Vertrek vanuit een geladen deeltje (begin snelheid = 0) dat lineair wordt versneld in een homogeen elektrisch veld naar de eindsnelheid v.&lt;br /&gt;
** Bespreek de werking van een cyclotron&lt;br /&gt;
* Bespreek de RLC-serieketen. &lt;br /&gt;
** Leg uit met behulp van fasoren en de wetten van Kirchoff.&lt;br /&gt;
** Bepaal de stroom en de impedantie in functie van R, L, C en de frequentie omega.&lt;br /&gt;
** Leg uit wat er gebeurt met de stroom en de fasoren als de frequentie veel kleiner, groter en gelijk aan de resonantiefrequentie is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bereken de dikte van een micaplaatje d.m.v. de proef van Young. Gegeven: micaplaatje is tussen de 6-7 *10^-6 meter dik en staat voor één van de twee spleten. Het gebruikte licht heeft een golflengte van 539nm en n = 1,582. Op het scherm is een centraal maximum te zien. Bepaal de exacte dikte van het micaplaatje.&lt;br /&gt;
* Condensator in water. Gegeven: dipoolmoment water = 1,610*10^-30, massadichtheid 1 g/cm^3, diëlektrische constante water = 80, getal van Avogadro = 6,02*10^23, molaire massa van water = 18g. &lt;br /&gt;
** Stel dat de condensator zo opgeladen zou worden dat de dipolen in water zich oriënteren volgens het geïnduceerde elektrisch veld. Wat is de oppervlakteladingsdichtheid op de condensator?&lt;br /&gt;
** Stel dat de ladingsdichtheid 1/1000 is van de bekomen waarde, wat is dan de sterkte van het geïnduceerde elektrisch veld?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Leg uit en geef de wet van Faraday en de wet van Lenz. Hoe werken transformatoren en geef ook voorbeelden. Hoe werkt een rem op basis van Foucaultstromen? &lt;br /&gt;
*Geef de polarisatietoestanden van EM-straling. Absorptie, breking en verstrooiing uitleggen. Waarom is de zon bij zonsondergang rood en is de hemel blauw? &lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde na lange tijd (ook P berekenen hier) en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. Hoeveel procent van het maximaal vermogen wordt er hier gebruikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Zelfde examen dus als januari 2021. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
Het examen was exact hetzelfde als in januari. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*Bespreek de werking en kenmerken van een intrinsieke halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, ...). Leg ook de termen meerderheids- en minderheidsladingdragers uit. Hoe zijn deze halfgeleiders temperatuurafhankelijkheid (grafiek). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken. De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. Je mag aannemen dat de n van lucht exact gelijk is aan 1. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de wet van Faraday en de wet van Lenz. Foucaultstromen: hoe werkt een rem op basis van wervelstromen? &lt;br /&gt;
*Bespreek de mogelijke polarisaties van EM-straling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde (?) met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde (?) na lange tijd en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
Dit waren EXACT dezelfde vragen als een jaar geleden. Zelfs de datum had hij niet aangepast. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de beweging van een lading in een magnetisch veld. Leid een formule af voor de straal van de cirkel die de lading beschrijft. Leg de werking van een massaspectrometer en een cyclotron uit. &lt;br /&gt;
*Leg aan de hand van een fasordiagram de RCL-kring uit. Leid een formule af voor de stroom en de impedantie. Resonantiefrequentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Condensator in water: gegeven: dipoolmoment water = 1,610*10^-30, massadichtheid 1 g/cm^3, diëlektrische constante water = 80. Stel dat de condensator zo opgeladen zou worden dat de dipolen in water zich oriënteren volgens het geïnduceerde elektrisch veld. Wat is de oppervlakteladingsdichtheid op de condensator? Stel dat de ladingsdichtheid 1/1000 is van de bekomen waarde, wat is dan de sterkte van het geïnduceerde elektrisch veld? &lt;br /&gt;
*Micaplaatje d.m.v. de proef van Young: micaplaatje is tussen de 6-7 *10^-6 meter dik en bedekt één van de twee spleten. Het gebruikte licht heeft een golflengte van 532nm en n = 1,582. Op het scherm is een centraal maximum te zien. Bepaal de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 17/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dikte van een micaplaatje d.m.v. de proef van Young &lt;br /&gt;
*Condensator in water &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 29/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg volgende begrippen uit: &lt;br /&gt;
**Magnetische moment (vb in solenoïde) en magnetisatie &lt;br /&gt;
**Ferromagnetisme &lt;br /&gt;
*Beschrijf het werkingsprincipe van een LASER, houd rekening met &lt;br /&gt;
**gestimuleerde en spontane emissie &lt;br /&gt;
**eigenschappen van laserlicht &lt;br /&gt;
**nergieniveau&#039;s en bijzonderheden bij lasermateriaal &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 20/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wet van Ampere met uitbreiding. &lt;br /&gt;
*RLC-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geleidende bol en bolschil. Lading en potentiaal op bol bepalen. &lt;br /&gt;
*Wit licht tussen bepaalde golflengtes, welke golflengtes gaan door een vierkant gat op het scherm? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 16/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
*beweging van lading &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Mica: De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 11/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL- kring &lt;br /&gt;
*Wet van Ampère &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*spleet, berekenen welke golflengtes er in het vierkant vallen (zie oudere examenvragen of bij chemica?) &lt;br /&gt;
*oude examenvraag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, temperatuurafhankelijkheid). Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Geef en verklaar de wet van Biot-Savart. Pas deze daarna toe op een oneindig lange, rechte stroomvoerende draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de binnenste bolschil heeft straal R1 en een lading q, de buitenste bolschil heeft straal R2 en een lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**Geef het potentiaalverschil tussen deze twee bolschillen &lt;br /&gt;
**Geef de capaciteit van deze zogenoemde &#039;sferische&#039; condensator. &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken.De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider. Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Bespreek de verschillende soorten polarisatie van em-golven (lineair, circulair, elliptisch), de manieren om te polariseren moet je niet uileggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de eerste bolschil heeft straal R1, de tweede bolschil heeft straal R2 (R2&amp;gt;R1). De dikte van de bolschillen is verwaarloosbaar. De binnenste bol heeft lading q, de buitenste bol lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**geef E in functie van r, (met 0&amp;lt;r&amp;lt;oneindig) &lt;br /&gt;
**geef V in functie van r, de potentiaal is nul op oneindig &lt;br /&gt;
*Een solenoïde heeft een zelfinductie van 53 mH en een elektrische weertand van 0,35 Ohm. De bron heeft een potentiaal van 12,0 V. &lt;br /&gt;
**Bereken de stroom door de self wanneer we lang wachten. Welk vermogen moet de bron op dat moment nog leveren? &lt;br /&gt;
**Bereken hoe lang het duurt tot de magnetische energie de helft heeft van de maximum waarde (energie als t=oneindig). Welk vermogen moet de bron leveren op dat tijdstip? Hoe groot is het percentage van het magnetische vermogen t.o.v. het totale vermogen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 10/06 - &#039;s middags&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de wet van Biot Savart en pas dit toe op een oneindig lange stroomvoerende draad &lt;br /&gt;
*Wat is een virtueel beeld? Kan je dat vormen met een vlakken spiegel? Holle spiegel? Bolle spiegel? Welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dieje kubus (zie oude examenvragen) &lt;br /&gt;
*Iets met een RLC kring met uitzonderlijke omstandigheden, R gegeven, wat is de capaciteit en de inductie in de kring. Uitzondelijke omstandighede dus da de ampitude van uw weerstand = amplitude zelfinductie = amplitude condensator = amplitude van de bron, en ge had ook een frequentie gegeven? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 10/06 - &#039;s ochtends&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Magnetisatie &amp;amp; magnetische susceptibiliteit &lt;br /&gt;
*Methodes om te polariseren (verstrooiing, absorptie etc...) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om een dergelijk, dus virtueel, beeld van een reëel voorwerp te bekomen met een vlakke spiegel? Met een holle spiegel? Met een bolle spiegel? Onder welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? #In een RLC-serieketen met een sinusoïdale wisselspanningsbron blijkt bij een frequentie van 1.73kHz de amplitude van de spanning over de weerstand gelijk te zijn aan de amplitude van de spanning over de zelfinductie en gelijk aan de amplitude van de spanning over de condensator en bovendien gelijk aan de amplitude van de bronspanning. De weerstand in een kring is R=700Ω. Bepaal de zelfinductie en de capaciteit in de kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is magnetisatie en magnetische susceptibiliteit? #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RC-kring met gegeven bronspanning (15V), weerstand (100000Ω) en begincapaciteit (9 nF) van condensator. de condensator wordt volledig opgeladen en op een bepaald moment wordt de afstand tussen de platen van de condensator ineens met 20% verkort. #*Wat is de spanning over de condensator net voor en net na de verkorting? #*Wat is de spanning over de condensator na opnieuw lang wachten? #*Wanneer is de spanning over de weerstand de gemiddelde waarde tussen a (net na) en b (lang wachten)? #Een tweespletenexperiment waarvan 1 spleet wordt afgedekt met micaplaatje (met gegeven brekingsindex). Het micaplaatje is tussen 6 en 7µm dik. Voor een gegeven golflengte is er in het centrum van het waarnemingsscherm een intensiteitsmaximum. Bereken de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een magneetveld. Leg bij wijze van voorbeeld de werking uit van een massaspectrometer en een een cyclotron. #Leg het begrip &#039;effectiefspanning&#039; uit en bereken deze grootheid voor een sinusoïdale wisselspanning. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een geleidende bol (straal R0 : 4.00cm is concentrisch omsloten door een volle geleidende bol (stralen R1 : 6.00cm en R2 : 7.00cm). Het geheel is elektrisch neutraal maar er is een zekere hoeveelheid lading van de bol overgezet op de bolschil. Als gevolg daarvan is er aan het oppervlak van de bol een elektrisch veld van 150kV/m naar het centrum van de bol gericht. #*Bereken de lading op de bol #*Bereken de elektrische potentiaal aan het oppervlak van de bol, met de conventie dat de potentiaal 0 wordt genomen op oneindige afstand van het centrum. #Wit licht met een golflengtebereik van 400-700 nm valt loodrecht in op een diffractierooster dat 200 lijnen met mm telt. Een waarnemingsscherm staat 30cm verder. In dat scherm wordt een vierkant gat gesneden met een zijde van 10 mm en met de dichtste zijde op 50 mm van het centrale maximum. De zijden van het vierkant zijn evenwijdig met de lijnen op het rooster. Welke golflengtes vallen door het gat? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RLC-keten met wisselspanning uitleggen #Wat is het verschil tussen een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider? geef uitleg over de pn-junctie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een solenoïde met een L en een R die verbanden zijn aan een batterij. L, R en V waren gegeven en men vroeg de energie van de spoel op t= oneindig en vermogen dat de batterij moest leveren. #2 stralen door glas met 2 verschillende n, met uiteindelijk de vraag: wat is het faseverschil van de 2 stralen aan het scherm achter het doorlopen van het glas? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de verschillende polarisatietoestanden (niet de manieren om te polariseren maar zo lineair gepol. golf, circulair gepol. golf en eliptisch gepol. golf) #Hoe beweegt een deeltje zich in een magneetveld. (afleiding van de straal geven) toon dit verder aan adhv de werking van een massaspectrometer en een cyclotron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de wet van Ampère + voorbeeld.. en geef ook de uitgebreide wet van Ampère en leg uit. #Hoe worden elektromagnetische oscillaties opgewekt in een LC-kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen de RC en de RL keten? (niet vergeten om ook de energie en energiedichtheid te geven) #De verschillende polarisatietoestanden geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zaagtandspanning waarvan V&amp;lt;sub&amp;gt;eff&amp;lt;/sub&amp;gt; moet gegeven worden in de veronderstelling dat V&amp;lt;sub&amp;gt;0&amp;lt;/sub&amp;gt; gekend is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg uit was elektrische potentiaal is en illustreer met een paar voorbeelden. #Leg uit wat de wet van Biot-Savart betekent en gebruik deze wet om het magneetveld te berekenen op een punt van de symmetrieas van een cirkelvormige stroomlus &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een intervalschakelaar voor de ruitenwisser van een auto kan gebasseerd zijn op een RC-kring. In de gekentende schakeling wordt de spanning over de condensator gemeten en zodra deze groter is dan 9V wordt een hulpschakeling geactiveerd die de ruitenwisser doet bewegen. Tevens wordt dan op zeer korte tijd de condensator ontladen. De gebruikte condensator heeft een capaciteit van 4.7 microfarat. Met een knop op het dashbord kan de bestuurder de weerstand veranderen. Tussen welke waarden moet R kunnen instellen omdat de tussen de 2 opeenvolgende bewegingen van de ruitenwisser zo kunnen ingesteld worden tussen de 1 en 10 seconden. De bronspanning bedraagt 12V. #Een solenoïde heeft een diameter van 2cm, 20 cm lang en 100 windingen. Coaxiaal daarme en in het midden is er een spoeltje opgesteld van 1 enkele winding met een diameter van 1.5 cm. Dit spoeltje is verbonden aan een weerstand van 33 ohm. De stroom Is door de grote solenoïde is tijdsafhankelijk en wordt gegeven in de figuur. Bereken en schets de structuur van de stroom in het 2e spoeltje als functie van de tijd. De stroom stijgt lineair van 0 tot 30A in 0.3 s en daalt dan weer lineair van 30 naar 0A in de daaropvolgende 0.3s. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek wet Biot-Savart en gebruik om magneetveld rond oneindig lange draad met stroom af te leiden. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om dit van een reëel voorwerp te bekomen bij een vlakke/holle/bolle spiegel. Onder welke omstandigheden? (hier vroeg hij bij het mondelinge deel een bewijs waarom de gereflecteerde stralen achter de spiegel in een punt (virueelbeeld) samen komen ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen een condensator is helemaal gevuld met water. Water heeft een dipoolmoment 6.10*10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt; Cm. De molaire massa van water is 18. De dichtheid is 1g/cm&amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt;. Water heeft een dielektrische constante van 80. #*bepaal de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid wanneeer alle dipolen zich volgens E uitlijnen. #*stel dat de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid 1/1000 is van die hierboven, wat is dan het elektrisch veld? #In een RLCkring is de frequentie 1.73kHz. De amplitude van de spanning over de weerstand, de amplitude van de spanning over de condensator, de amplitude van de inductie en de amplitude van de bronspanning zijn allen gelijk. R = 700 ohm. Bepaal L en C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is het verschil tussen halfgeleiders en gedopeerde halfgeleiders? Bespreek de pn-junctie. #Bespreek de RLC-keten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een spoel (L = 53mH) met een weerstand van 0,35 Ohm staat in een keten met een batterij die een spanning aanlegt van 12,0V. #*Wat is de opgeslagen energie in de spoel als we t zeer groot nemen? #*Wat is het vermogen dat de batterij dan moet leveren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek hoe oppervlaktelading ontstaat in een diëlektricum. Leg uit wat elektrische polarisatie is en geef de relasie hier tussen #Bespreek enkele methoden van polarisatie (van licht) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen (ongeveer)&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aarde is een geladen bol met daarrond een tweede anders geladen bol (ionosfeer). Elektrisch veld naar de aarde is 100. Straal aarde is 6400km en afstand tot ionosfeer 100km. #*bereken de netto lading die Belgie heeft (oppervlakte 30.500km³ ofzoiets) #*bereken de potentiaal op het oppervlak. Je mag de potentiaal op oneindig gelijk aan 0 stellen. #Twee gevallen. #*Een oneindig lange draad met in het midden een lus in die parallel aan de draad lag. Bereken de grootte, richting en zin van het magnetische veld in het centrum van de lus. #*hetzelfde, maar dan die lus loodrecht op de draad (het was dus dezelfde draad maar dan zo wa gek gedraaid) theoretisch oplossen (veronderstel I en staal R zijn gekent) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de wet van Ampere uit en de uitgebreide wet van Ampere. #Bespreek de Proef van Young . &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee niet geleidende platen met oneindig groot oppervlak staan loodrecht op elkaar (maken een kruis) en dragen een lading van -3 C/m2. Bereken het veld in punt A en B en duid aan hoe deze gericht is. Bereken ook hoe groot het potentiaalverschil is en welk punt op het grootste potentiaal zit. #Iets met een stroom in de tijd meten en een draad die steeds korter wordt ofzoiet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de polarisatie van een diëlektricum.( ongeveer de zelfde vraag als ik in 1zit had) #Leg uit wederzijdse inductie en zelf inductie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er is een homogeen E veld (omgekeert aan x’as )en een proton met begegin snelheid v°(geg) vertekt in A en gaat naar B (ABC ligen op de X’as) hier is v=o . je kent de massa. En q en de afstant van AB en AC is geg. Geef het potentiaal verschiel tussen A en B en waar is het het hoogst. Geef E. Geef de snelhied als het proton weer in A is en als het in C is. #Je krijgt N d van een spoel. Veff wisselspanning en een toerental=1500van de spoel. Een spoel kan roteren op een verticale as die in de spoel prikt. Deze draait onder invloed van het aard magnetisch veld. Wat kun je met deze gegevens zegen over B horizontaal en B vertikaal van de aarde.(van de stroom weet je niks. Hoe ze vloeit) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek het verschil tussen een capaciteit en een zelfinductie bij wisselstroom #leg uit wat diffractie is en hoe optische resolutie hierdoor beperkt wordt &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;moeilijke over een kring zoals in de cursus vlak voor de wet van faraday met een staaf die met een constante snelheid voortbeweegt en die aan geleidende buizen vasthangt met een niet-homogeen magneetveld en dan moest ge de stroom door de kring berekenen #makkelijke oef over polarisatie: #*ge hebt gepolariseerd licht en ge wilt da draaien over 90°. Hoeveel polarisatoren heb je minstens nodig #*zelfde als vraag a maar je moet 60% intensiteit behouden #*zelfde als b maar je moet rekening houden met 1% absorbtie bij elke polarisator &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe dopering leidt tot een betere geleidbaarheid. En de pn-junctie uitleggen. #Wat is zelfinductie en wederkerige inductie en geef voor elke vorm een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De eerste oefening ging over een RLC-keten en de tweede over een lus in de vorm van een halve maan waar een stroom door vloeit en waarbij het magnetisch veld gevraagd werd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Elektrische polarisatie + invloed van dielektricum op condensator #methodes van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische polarisatie en invloed van diëlektricum op cond #TOESTANDEN (niet methodes) van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;kompasnaald is 20° naar oosten georienteerd volgens het aardmagneetveld van 0,5e(-4) Tesla. Uw kompas staat in de Oorsprong van uw assenstelsel. Op 12 cm ten westen van uw kompasnaald staat een loodrechte geleider. Deze voert een stroom en uw kompasnaald gaat 55° naar het oosten staan: welke stroom voert deze geleider? #laten zien dat er totale inwendige reflectie is in een prisma &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Hoofdvragen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het begrip elektrische susceptibiliteit uit. #Geef enkele manieren om gepolariseerd licht te bekomen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee kabels zijn evenwijdig gespannen op een hoogte van 30m, met een afstand van 3 m tussen de kabels. Er stroomt een wisselspanning door met een Veff van 20 kV. Het vermogen is ??? MW. Bereken het magneetveld in het punt P op de grond in het midden van de kabels. #Je hebt een zender aan de ene oever van het meer op 70 m die golven uitzend naar een ontvanger op hoogte x aan de andere kant van het meer. Het meer is 1 km lang. Welke minimale x heb je bij een maximum. (Hoe rekening met de weerkaatsing van de golven op het opp en vierkantswortel (1+e) = 1+E/2) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische potentiaal rond een puntlading #bespreek ferromagnetisme. #een oefening die we in de oefenzitting hadden gemaakt en een andere die op zich ni zo moeilijk was maar wel de tekening die je erbij moest geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;intensiteitsverdeling van euh een youngexperiment en een me 3 openingen. met fasoren doen. #laser &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee masten staan op een lengte L van elkaar. Beide zijn 75 meter hoog, Eén fungeert als zender en de ander als ontvanger. Er wordt uitgezonden met een freq van 113MHz. De straal kan rechtstreeks van zender naar ontvanger en een andere manier is via weerkaatsing tegen de grond. Het is dan mogelijk dat in de ontvanger destructieve interferentie optreedt. Vraag: wat is de maximale (maar eindige) lengte L tussen de masten waarbij destructieve interferentie optreedt. Neem aan dat dat de brekingsindex van de grond significant verschilt van die van lucht. (Denk dus, denk ik, aan fasedraaiing) Mijn antwoord: rond 4300 meter #Gegeven 2 lenzen, 1 convergerende met onbekende brandpuntsafstand en 1 divergerende met een bekende brandpuntsafstand (getal weet ik niet meer). De stralen afkomstig van de zon (dus v=oneindig) komen terecht op een gegeven punt. (getal weet ik niet meer). Neem aan dat de lenzen elkaar raken. #*bereken de brandpuntsfstand van de convergerende lens (mijn antwoord: 1/f=1/f1+1/f2) #*De lenzen worden nu 5 cm uit elkaar geschoven. Bereken opnieuw de plaats van het beeld. (mijn antwoord: eerst beeld voor 1e berekenen en vervolgens dit als voorwerp laten dienen bij de tweede) (Maakt het uit of eerst de convergerende of eerst de divergerende wordt getroffen?) (Nee, denk ik want stralengang is omkeerbaar) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wederzijdse inductiecoëfficiënt, wat is dat? Pas toe op 2 coaxiale solenoïden. #Leg uit hoe je aan magnetisch krachtmoment komt a.d.h.v. een rechthoekige stroomlus in een magnetisch veld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de emk uit van een bewegende geleider. Leg aan de hand hiervan ook de wet van Faraday en de wet van Lenz uit. #Leg de RLC-serieketen uit met een wisselspanningsbron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er vertrekt een bundel elektronen vanuit de oorsprong van een 3D assenstelsel in de y-richting met snelheid v(0)= 6x10(tot de 7e). Er is een magnetisch veld dat volgens de z-as ligt en dat gelijk is aan 6 microTesla.(kan zijn dat deze waarde fout is) Op een afstand van y(0) = 40 centimeter , ligt een vlak dat evenwijdig is met het XZvlak. ((e= 1.6x10(tot de -19e)Coulomb en m(elektron)= 1.611x10(tot de -31e) kilogram. #*Waar ligt dan het centrum van de baan van de bundel? #*Welke hoek maakt deze baan als het op het vlak terecht komt? #*Bepaal de coördinaten van waar ze terecht komen op het vlak. #Stel dat een lading q op afstand x(0) van een rechte , niet-geleidende homogeen geladen staaf ligt. De heeft een lengte van 0 tot oneindig Bepaal de kracht die deze staaf dan op deze lading. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bereken het electrisch veld van een lange dunne draad met homogene ladingsdichtheid. Zowel zonder als met de stelling van Gauss #Bespreek paramagnetisme en diamagnetsime #wat is polarisatie en bespreek de invloed op de capaciteit van een condensator. #wat is de wederzijdse inductiecoëfficiënt? Leid deze af voor 2 solenoïdes. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;wat is de spanning over iedere condensator in volgend schema, als: #*schakelaar B geopend wordt en daarna schakelaar A gesloten (daarmee wordt de spanningsbron aangeschakeld) #*vervolgens A geopend wordt en B gesloten? (daarmee wordt de spanningsbron afgeschakeld en een extra condensator parallel gezet over een andere. #*alle condensatoren worden eerst ontladen, vervolgens wordt B gesloten en dan wordt A gesloten. Wat is de spanning over iedere condensator. bij deze oef. heb je enkel symbolisch V en je weet dat C1=C2=C3=C4=C Dus volledig symbolisch uit te werken! #Bereken de magnetische flux door volgend plaatje (hoogte b, breedte a) op een afstand c van een draad waardoor een stroom I= ... (geg.) loopt. Het plaatje staat volledig evenwijdig met de draad en in het vlak van de draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe hangt beeldvorming af van brekingsindex. gebruik deze afleiding om de Lenzenformule van Newton te bepalen. #Interferometer van Michelson en Holografie uitleggen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;geef de intensiteitsverdeling bij diffractie aan 1 opening #bespreek transmissie en refractie bij overgang van optisch ijl naar optisch dicht &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Door een ruit kijken die 8mm dik is. erachter staat een voorwerp. wordt da door de waarnemer dichter bij of verder weg gezien. en zo ja, hoeveel is dan het verschil (afstand waarnemer-beeld en afstand waarnemer voorwerp) #de scheidingshoek berekenen tussen de eerste en tweede orde maximum van een diffractierooster en ik had nog zo op de laser gehoopt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het energietransport van em-golven uit? #Leg uit wat het f-getal is? Leg ook uit hoe een vergrootglas werkt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een berg die op grote afstand staat wordt door een convergerende lens bekeken. Deze lens geeft een beeldafstand van 38cm voor de berg. #*Bepaal de brandpuntsafstand? Kan er een virtueel beeld gevormd worden? Kan er een reëel beeld gevormd worden? #*Als we nu voor de lens een dennenappel leggen met een voorwerpsafstand van 75cm, wat is dan de positie en de aard van het beeld van de dennenappel? #Een interfentieproef waarbij ge met behulp van de breedte tussen de puntbronnen en het faseverschil, de maximale intensiteit op een scherm moet gaan berekenen. Dus onder welke hoek een maximale intensiteit optreedt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek polarisatie(niet de methoden van polarisatie). [Dus vlakke polarisatie, circulaire en elliptische] #Leg uit hoe een LASER werkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;ivm golflengte en 1 ivm lenzen (en met dioptrie)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek zelfinductie en wederkerige inductie. Van welke parameters hangen ze af? Toon aan aan de hand van 1 resp 2 spoel(en). Toon aan dat de stijging/daling van de stroom een tijdsconstante heeft. #bespreek 4 verschillende manieren om van ongepolariseerd licht gepolariseerd licht te krijgen. Een straal valt in op een prisma, parallel aan de prismahoek : bespreek hoe het licht uit het prisma komt. #oefening gelijkend op oef. 5 van werkzitting 2 #10 kleine vraagjes over impedantie, radio&#039;s, zonnebrillen, antennes en zo voort&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=708</id>
		<title>Algemene natuurkunde II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=708"/>
		<updated>2025-01-13T17:15:12Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Michael Wübbenhorst&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, oefenzitting, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 6&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding, oefeningen zijn schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari (sinds 2013-2014)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze prof heeft een uitgesproken Duits accent, zo kan hij een hele les praten over &#039;sinus tette&#039;. Deze prof doet zeer veel proefjes in zijn les, dat zijn natuurlijk de leukste momenten van de les, de rest van de les is nogal saai. Het is geen ramp om deze lessen te missen, alles is duidelijk uitgelegd in de cursus. (Het is trouwens een aanrader om gewoon uit de &#039;oude&#039; cursus te leren die op Toledo staat ipv Giancoli.) Op het examen is hij zeer vriendelijk, hij leest gewoon je voorbereiding en stelt hierbij bijvragen om na te kijken dat je de leerstof wel degelijk begrijpt en niet gewoon van buiten hebt geleerd. &amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2025 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 1 (13/01/2025)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ggeleiders en kristallijne stoffen&lt;br /&gt;
**Bespreek de werking en kenmerken van een intrinsieke halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, ...). Leg ook de termen meerderheids- en minderheidsladingdragers uit. &lt;br /&gt;
**Hoe zijn deze halfgeleiders temperatuurafhankelijkheid (grafiek). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een homogeen magneetveld. &lt;br /&gt;
** Leid de straal van de cirkelbaan af als functie van de magnetische inductie, de massa, snelheid en lading. Let op de omlooprichting!&lt;br /&gt;
** Leg het principe uit van een massaspectrometer. Vertrek vanuit een geladen deeltje (begin snelheid = 0) dat lineair wordt versneld in een homogeen elektrisch veld naar de eindsnelheid v.&lt;br /&gt;
** Bespreek de werking van een cyclotron&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken. De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. Je mag aannemen dat de n van lucht exact gelijk is aan 1. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 1 (15/01/2024)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Biot savart en vergelijk met Coulomb&lt;br /&gt;
**Toon B aan voor oneindige stroomvoerende draad met behulp van Biot savart&lt;br /&gt;
*Spectrum van zwarte straler adhv verschuivingswet van Wien en wet van Stefan-nog iets&lt;br /&gt;
**Vergelijk spectrum van zwarte straler met dat van een laser&lt;br /&gt;
**Relatie weerkaatsingscoëfficiënt en nog een coëfficiënt wat ik even vergeten ben voor verschillende materialen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Twee geleidende bolschillen concentrisxh opgesteld met R1 en R2 de stralen. Binnenste bol lading q, buitenste lading -q&lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil tussen de twee bollen&lt;br /&gt;
**Bereken capaciteit&lt;br /&gt;
*C, R en V0 gegeven. Op tijdstip t=0 vermindert de afstand tussen de condensator platen met 20%&lt;br /&gt;
**Wat is spanningsverschil op condensator voor (V1) en na (V2) de gebeurtenis. &lt;br /&gt;
**We wachten een lange tijd. Wat is dan het spanningsverschil (V3) op de condensator&lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip is het spanningsverschil op de weerstand gelijk aan het gemiddelde van V2 en V3&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Reeks 2 (23/01/2024)&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een homogeen magneetveld. &lt;br /&gt;
** Leid de straal van de cirkelbaan af als functie van de magnetische inductie, de massa, snelheid en lading. Let op de omlooprichting!&lt;br /&gt;
** Leg het principe uit van een massaspectrometer. Vertrek vanuit een geladen deeltje (begin snelheid = 0) dat lineair wordt versneld in een homogeen elektrisch veld naar de eindsnelheid v.&lt;br /&gt;
** Bespreek de werking van een cyclotron&lt;br /&gt;
* Bespreek de RLC-serieketen. &lt;br /&gt;
** Leg uit met behulp van fasoren en de wetten van Kirchoff.&lt;br /&gt;
** Bepaal de stroom en de impedantie in functie van R, L, C en de frequentie omega.&lt;br /&gt;
** Leg uit wat er gebeurt met de stroom en de fasoren als de frequentie veel kleiner, groter en gelijk aan de resonantiefrequentie is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bereken de dikte van een micaplaatje d.m.v. de proef van Young. Gegeven: micaplaatje is tussen de 6-7 *10^-6 meter dik en staat voor één van de twee spleten. Het gebruikte licht heeft een golflengte van 539nm en n = 1,582. Op het scherm is een centraal maximum te zien. Bepaal de exacte dikte van het micaplaatje.&lt;br /&gt;
* Condensator in water. Gegeven: dipoolmoment water = 1,610*10^-30, massadichtheid 1 g/cm^3, diëlektrische constante water = 80, getal van Avogadro = 6,02*10^23, molaire massa van water = 18g. &lt;br /&gt;
** Stel dat de condensator zo opgeladen zou worden dat de dipolen in water zich oriënteren volgens het geïnduceerde elektrisch veld. Wat is de oppervlakteladingsdichtheid op de condensator?&lt;br /&gt;
** Stel dat de ladingsdichtheid 1/1000 is van de bekomen waarde, wat is dan de sterkte van het geïnduceerde elektrisch veld?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Leg uit en geef de wet van Faraday en de wet van Lenz. Hoe werken transformatoren en geef ook voorbeelden. Hoe werkt een rem op basis van Foucaultstromen? &lt;br /&gt;
*Geef de polarisatietoestanden van EM-straling. Absorptie, breking en verstrooiing uitleggen. Waarom is de zon bij zonsondergang rood en is de hemel blauw? &lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde na lange tijd (ook P berekenen hier) en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. Hoeveel procent van het maximaal vermogen wordt er hier gebruikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Zelfde examen dus als januari 2021. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
Het examen was exact hetzelfde als in januari. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*Bespreek de werking en kenmerken van een intrinsieke halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, ...). Leg ook de termen meerderheids- en minderheidsladingdragers uit. Hoe zijn deze halfgeleiders temperatuurafhankelijkheid (grafiek). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken. De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. Je mag aannemen dat de n van lucht exact gelijk is aan 1. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de wet van Faraday en de wet van Lenz. Foucaultstromen: hoe werkt een rem op basis van wervelstromen? &lt;br /&gt;
*Bespreek de mogelijke polarisaties van EM-straling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde (?) met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde (?) na lange tijd en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
Dit waren EXACT dezelfde vragen als een jaar geleden. Zelfs de datum had hij niet aangepast. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de beweging van een lading in een magnetisch veld. Leid een formule af voor de straal van de cirkel die de lading beschrijft. Leg de werking van een massaspectrometer en een cyclotron uit. &lt;br /&gt;
*Leg aan de hand van een fasordiagram de RCL-kring uit. Leid een formule af voor de stroom en de impedantie. Resonantiefrequentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Condensator in water: gegeven: dipoolmoment water = 1,610*10^-30, massadichtheid 1 g/cm^3, diëlektrische constante water = 80. Stel dat de condensator zo opgeladen zou worden dat de dipolen in water zich oriënteren volgens het geïnduceerde elektrisch veld. Wat is de oppervlakteladingsdichtheid op de condensator? Stel dat de ladingsdichtheid 1/1000 is van de bekomen waarde, wat is dan de sterkte van het geïnduceerde elektrisch veld? &lt;br /&gt;
*Micaplaatje d.m.v. de proef van Young: micaplaatje is tussen de 6-7 *10^-6 meter dik en bedekt één van de twee spleten. Het gebruikte licht heeft een golflengte van 532nm en n = 1,582. Op het scherm is een centraal maximum te zien. Bepaal de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 17/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dikte van een micaplaatje d.m.v. de proef van Young &lt;br /&gt;
*Condensator in water &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 29/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg volgende begrippen uit: &lt;br /&gt;
**Magnetische moment (vb in solenoïde) en magnetisatie &lt;br /&gt;
**Ferromagnetisme &lt;br /&gt;
*Beschrijf het werkingsprincipe van een LASER, houd rekening met &lt;br /&gt;
**gestimuleerde en spontane emissie &lt;br /&gt;
**eigenschappen van laserlicht &lt;br /&gt;
**nergieniveau&#039;s en bijzonderheden bij lasermateriaal &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 20/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wet van Ampere met uitbreiding. &lt;br /&gt;
*RLC-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geleidende bol en bolschil. Lading en potentiaal op bol bepalen. &lt;br /&gt;
*Wit licht tussen bepaalde golflengtes, welke golflengtes gaan door een vierkant gat op het scherm? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 16/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
*beweging van lading &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Mica: De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 11/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL- kring &lt;br /&gt;
*Wet van Ampère &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*spleet, berekenen welke golflengtes er in het vierkant vallen (zie oudere examenvragen of bij chemica?) &lt;br /&gt;
*oude examenvraag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, temperatuurafhankelijkheid). Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Geef en verklaar de wet van Biot-Savart. Pas deze daarna toe op een oneindig lange, rechte stroomvoerende draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de binnenste bolschil heeft straal R1 en een lading q, de buitenste bolschil heeft straal R2 en een lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**Geef het potentiaalverschil tussen deze twee bolschillen &lt;br /&gt;
**Geef de capaciteit van deze zogenoemde &#039;sferische&#039; condensator. &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken.De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider. Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Bespreek de verschillende soorten polarisatie van em-golven (lineair, circulair, elliptisch), de manieren om te polariseren moet je niet uileggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de eerste bolschil heeft straal R1, de tweede bolschil heeft straal R2 (R2&amp;gt;R1). De dikte van de bolschillen is verwaarloosbaar. De binnenste bol heeft lading q, de buitenste bol lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**geef E in functie van r, (met 0&amp;lt;r&amp;lt;oneindig) &lt;br /&gt;
**geef V in functie van r, de potentiaal is nul op oneindig &lt;br /&gt;
*Een solenoïde heeft een zelfinductie van 53 mH en een elektrische weertand van 0,35 Ohm. De bron heeft een potentiaal van 12,0 V. &lt;br /&gt;
**Bereken de stroom door de self wanneer we lang wachten. Welk vermogen moet de bron op dat moment nog leveren? &lt;br /&gt;
**Bereken hoe lang het duurt tot de magnetische energie de helft heeft van de maximum waarde (energie als t=oneindig). Welk vermogen moet de bron leveren op dat tijdstip? Hoe groot is het percentage van het magnetische vermogen t.o.v. het totale vermogen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 10/06 - &#039;s middags&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de wet van Biot Savart en pas dit toe op een oneindig lange stroomvoerende draad &lt;br /&gt;
*Wat is een virtueel beeld? Kan je dat vormen met een vlakken spiegel? Holle spiegel? Bolle spiegel? Welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dieje kubus (zie oude examenvragen) &lt;br /&gt;
*Iets met een RLC kring met uitzonderlijke omstandigheden, R gegeven, wat is de capaciteit en de inductie in de kring. Uitzondelijke omstandighede dus da de ampitude van uw weerstand = amplitude zelfinductie = amplitude condensator = amplitude van de bron, en ge had ook een frequentie gegeven? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 10/06 - &#039;s ochtends&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Magnetisatie &amp;amp; magnetische susceptibiliteit &lt;br /&gt;
*Methodes om te polariseren (verstrooiing, absorptie etc...) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om een dergelijk, dus virtueel, beeld van een reëel voorwerp te bekomen met een vlakke spiegel? Met een holle spiegel? Met een bolle spiegel? Onder welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? #In een RLC-serieketen met een sinusoïdale wisselspanningsbron blijkt bij een frequentie van 1.73kHz de amplitude van de spanning over de weerstand gelijk te zijn aan de amplitude van de spanning over de zelfinductie en gelijk aan de amplitude van de spanning over de condensator en bovendien gelijk aan de amplitude van de bronspanning. De weerstand in een kring is R=700Ω. Bepaal de zelfinductie en de capaciteit in de kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is magnetisatie en magnetische susceptibiliteit? #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RC-kring met gegeven bronspanning (15V), weerstand (100000Ω) en begincapaciteit (9 nF) van condensator. de condensator wordt volledig opgeladen en op een bepaald moment wordt de afstand tussen de platen van de condensator ineens met 20% verkort. #*Wat is de spanning over de condensator net voor en net na de verkorting? #*Wat is de spanning over de condensator na opnieuw lang wachten? #*Wanneer is de spanning over de weerstand de gemiddelde waarde tussen a (net na) en b (lang wachten)? #Een tweespletenexperiment waarvan 1 spleet wordt afgedekt met micaplaatje (met gegeven brekingsindex). Het micaplaatje is tussen 6 en 7µm dik. Voor een gegeven golflengte is er in het centrum van het waarnemingsscherm een intensiteitsmaximum. Bereken de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een magneetveld. Leg bij wijze van voorbeeld de werking uit van een massaspectrometer en een een cyclotron. #Leg het begrip &#039;effectiefspanning&#039; uit en bereken deze grootheid voor een sinusoïdale wisselspanning. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een geleidende bol (straal R0 : 4.00cm is concentrisch omsloten door een volle geleidende bol (stralen R1 : 6.00cm en R2 : 7.00cm). Het geheel is elektrisch neutraal maar er is een zekere hoeveelheid lading van de bol overgezet op de bolschil. Als gevolg daarvan is er aan het oppervlak van de bol een elektrisch veld van 150kV/m naar het centrum van de bol gericht. #*Bereken de lading op de bol #*Bereken de elektrische potentiaal aan het oppervlak van de bol, met de conventie dat de potentiaal 0 wordt genomen op oneindige afstand van het centrum. #Wit licht met een golflengtebereik van 400-700 nm valt loodrecht in op een diffractierooster dat 200 lijnen met mm telt. Een waarnemingsscherm staat 30cm verder. In dat scherm wordt een vierkant gat gesneden met een zijde van 10 mm en met de dichtste zijde op 50 mm van het centrale maximum. De zijden van het vierkant zijn evenwijdig met de lijnen op het rooster. Welke golflengtes vallen door het gat? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RLC-keten met wisselspanning uitleggen #Wat is het verschil tussen een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider? geef uitleg over de pn-junctie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een solenoïde met een L en een R die verbanden zijn aan een batterij. L, R en V waren gegeven en men vroeg de energie van de spoel op t= oneindig en vermogen dat de batterij moest leveren. #2 stralen door glas met 2 verschillende n, met uiteindelijk de vraag: wat is het faseverschil van de 2 stralen aan het scherm achter het doorlopen van het glas? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de verschillende polarisatietoestanden (niet de manieren om te polariseren maar zo lineair gepol. golf, circulair gepol. golf en eliptisch gepol. golf) #Hoe beweegt een deeltje zich in een magneetveld. (afleiding van de straal geven) toon dit verder aan adhv de werking van een massaspectrometer en een cyclotron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de wet van Ampère + voorbeeld.. en geef ook de uitgebreide wet van Ampère en leg uit. #Hoe worden elektromagnetische oscillaties opgewekt in een LC-kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen de RC en de RL keten? (niet vergeten om ook de energie en energiedichtheid te geven) #De verschillende polarisatietoestanden geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zaagtandspanning waarvan V&amp;lt;sub&amp;gt;eff&amp;lt;/sub&amp;gt; moet gegeven worden in de veronderstelling dat V&amp;lt;sub&amp;gt;0&amp;lt;/sub&amp;gt; gekend is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg uit was elektrische potentiaal is en illustreer met een paar voorbeelden. #Leg uit wat de wet van Biot-Savart betekent en gebruik deze wet om het magneetveld te berekenen op een punt van de symmetrieas van een cirkelvormige stroomlus &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een intervalschakelaar voor de ruitenwisser van een auto kan gebasseerd zijn op een RC-kring. In de gekentende schakeling wordt de spanning over de condensator gemeten en zodra deze groter is dan 9V wordt een hulpschakeling geactiveerd die de ruitenwisser doet bewegen. Tevens wordt dan op zeer korte tijd de condensator ontladen. De gebruikte condensator heeft een capaciteit van 4.7 microfarat. Met een knop op het dashbord kan de bestuurder de weerstand veranderen. Tussen welke waarden moet R kunnen instellen omdat de tussen de 2 opeenvolgende bewegingen van de ruitenwisser zo kunnen ingesteld worden tussen de 1 en 10 seconden. De bronspanning bedraagt 12V. #Een solenoïde heeft een diameter van 2cm, 20 cm lang en 100 windingen. Coaxiaal daarme en in het midden is er een spoeltje opgesteld van 1 enkele winding met een diameter van 1.5 cm. Dit spoeltje is verbonden aan een weerstand van 33 ohm. De stroom Is door de grote solenoïde is tijdsafhankelijk en wordt gegeven in de figuur. Bereken en schets de structuur van de stroom in het 2e spoeltje als functie van de tijd. De stroom stijgt lineair van 0 tot 30A in 0.3 s en daalt dan weer lineair van 30 naar 0A in de daaropvolgende 0.3s. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek wet Biot-Savart en gebruik om magneetveld rond oneindig lange draad met stroom af te leiden. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om dit van een reëel voorwerp te bekomen bij een vlakke/holle/bolle spiegel. Onder welke omstandigheden? (hier vroeg hij bij het mondelinge deel een bewijs waarom de gereflecteerde stralen achter de spiegel in een punt (virueelbeeld) samen komen ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen een condensator is helemaal gevuld met water. Water heeft een dipoolmoment 6.10*10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt; Cm. De molaire massa van water is 18. De dichtheid is 1g/cm&amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt;. Water heeft een dielektrische constante van 80. #*bepaal de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid wanneeer alle dipolen zich volgens E uitlijnen. #*stel dat de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid 1/1000 is van die hierboven, wat is dan het elektrisch veld? #In een RLCkring is de frequentie 1.73kHz. De amplitude van de spanning over de weerstand, de amplitude van de spanning over de condensator, de amplitude van de inductie en de amplitude van de bronspanning zijn allen gelijk. R = 700 ohm. Bepaal L en C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is het verschil tussen halfgeleiders en gedopeerde halfgeleiders? Bespreek de pn-junctie. #Bespreek de RLC-keten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een spoel (L = 53mH) met een weerstand van 0,35 Ohm staat in een keten met een batterij die een spanning aanlegt van 12,0V. #*Wat is de opgeslagen energie in de spoel als we t zeer groot nemen? #*Wat is het vermogen dat de batterij dan moet leveren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek hoe oppervlaktelading ontstaat in een diëlektricum. Leg uit wat elektrische polarisatie is en geef de relasie hier tussen #Bespreek enkele methoden van polarisatie (van licht) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen (ongeveer)&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aarde is een geladen bol met daarrond een tweede anders geladen bol (ionosfeer). Elektrisch veld naar de aarde is 100. Straal aarde is 6400km en afstand tot ionosfeer 100km. #*bereken de netto lading die Belgie heeft (oppervlakte 30.500km³ ofzoiets) #*bereken de potentiaal op het oppervlak. Je mag de potentiaal op oneindig gelijk aan 0 stellen. #Twee gevallen. #*Een oneindig lange draad met in het midden een lus in die parallel aan de draad lag. Bereken de grootte, richting en zin van het magnetische veld in het centrum van de lus. #*hetzelfde, maar dan die lus loodrecht op de draad (het was dus dezelfde draad maar dan zo wa gek gedraaid) theoretisch oplossen (veronderstel I en staal R zijn gekent) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de wet van Ampere uit en de uitgebreide wet van Ampere. #Bespreek de Proef van Young . &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee niet geleidende platen met oneindig groot oppervlak staan loodrecht op elkaar (maken een kruis) en dragen een lading van -3 C/m2. Bereken het veld in punt A en B en duid aan hoe deze gericht is. Bereken ook hoe groot het potentiaalverschil is en welk punt op het grootste potentiaal zit. #Iets met een stroom in de tijd meten en een draad die steeds korter wordt ofzoiet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de polarisatie van een diëlektricum.( ongeveer de zelfde vraag als ik in 1zit had) #Leg uit wederzijdse inductie en zelf inductie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er is een homogeen E veld (omgekeert aan x’as )en een proton met begegin snelheid v°(geg) vertekt in A en gaat naar B (ABC ligen op de X’as) hier is v=o . je kent de massa. En q en de afstant van AB en AC is geg. Geef het potentiaal verschiel tussen A en B en waar is het het hoogst. Geef E. Geef de snelhied als het proton weer in A is en als het in C is. #Je krijgt N d van een spoel. Veff wisselspanning en een toerental=1500van de spoel. Een spoel kan roteren op een verticale as die in de spoel prikt. Deze draait onder invloed van het aard magnetisch veld. Wat kun je met deze gegevens zegen over B horizontaal en B vertikaal van de aarde.(van de stroom weet je niks. Hoe ze vloeit) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek het verschil tussen een capaciteit en een zelfinductie bij wisselstroom #leg uit wat diffractie is en hoe optische resolutie hierdoor beperkt wordt &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;moeilijke over een kring zoals in de cursus vlak voor de wet van faraday met een staaf die met een constante snelheid voortbeweegt en die aan geleidende buizen vasthangt met een niet-homogeen magneetveld en dan moest ge de stroom door de kring berekenen #makkelijke oef over polarisatie: #*ge hebt gepolariseerd licht en ge wilt da draaien over 90°. Hoeveel polarisatoren heb je minstens nodig #*zelfde als vraag a maar je moet 60% intensiteit behouden #*zelfde als b maar je moet rekening houden met 1% absorbtie bij elke polarisator &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe dopering leidt tot een betere geleidbaarheid. En de pn-junctie uitleggen. #Wat is zelfinductie en wederkerige inductie en geef voor elke vorm een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De eerste oefening ging over een RLC-keten en de tweede over een lus in de vorm van een halve maan waar een stroom door vloeit en waarbij het magnetisch veld gevraagd werd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Elektrische polarisatie + invloed van dielektricum op condensator #methodes van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische polarisatie en invloed van diëlektricum op cond #TOESTANDEN (niet methodes) van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;kompasnaald is 20° naar oosten georienteerd volgens het aardmagneetveld van 0,5e(-4) Tesla. Uw kompas staat in de Oorsprong van uw assenstelsel. Op 12 cm ten westen van uw kompasnaald staat een loodrechte geleider. Deze voert een stroom en uw kompasnaald gaat 55° naar het oosten staan: welke stroom voert deze geleider? #laten zien dat er totale inwendige reflectie is in een prisma &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Hoofdvragen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het begrip elektrische susceptibiliteit uit. #Geef enkele manieren om gepolariseerd licht te bekomen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee kabels zijn evenwijdig gespannen op een hoogte van 30m, met een afstand van 3 m tussen de kabels. Er stroomt een wisselspanning door met een Veff van 20 kV. Het vermogen is ??? MW. Bereken het magneetveld in het punt P op de grond in het midden van de kabels. #Je hebt een zender aan de ene oever van het meer op 70 m die golven uitzend naar een ontvanger op hoogte x aan de andere kant van het meer. Het meer is 1 km lang. Welke minimale x heb je bij een maximum. (Hoe rekening met de weerkaatsing van de golven op het opp en vierkantswortel (1+e) = 1+E/2) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische potentiaal rond een puntlading #bespreek ferromagnetisme. #een oefening die we in de oefenzitting hadden gemaakt en een andere die op zich ni zo moeilijk was maar wel de tekening die je erbij moest geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;intensiteitsverdeling van euh een youngexperiment en een me 3 openingen. met fasoren doen. #laser &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee masten staan op een lengte L van elkaar. Beide zijn 75 meter hoog, Eén fungeert als zender en de ander als ontvanger. Er wordt uitgezonden met een freq van 113MHz. De straal kan rechtstreeks van zender naar ontvanger en een andere manier is via weerkaatsing tegen de grond. Het is dan mogelijk dat in de ontvanger destructieve interferentie optreedt. Vraag: wat is de maximale (maar eindige) lengte L tussen de masten waarbij destructieve interferentie optreedt. Neem aan dat dat de brekingsindex van de grond significant verschilt van die van lucht. (Denk dus, denk ik, aan fasedraaiing) Mijn antwoord: rond 4300 meter #Gegeven 2 lenzen, 1 convergerende met onbekende brandpuntsafstand en 1 divergerende met een bekende brandpuntsafstand (getal weet ik niet meer). De stralen afkomstig van de zon (dus v=oneindig) komen terecht op een gegeven punt. (getal weet ik niet meer). Neem aan dat de lenzen elkaar raken. #*bereken de brandpuntsfstand van de convergerende lens (mijn antwoord: 1/f=1/f1+1/f2) #*De lenzen worden nu 5 cm uit elkaar geschoven. Bereken opnieuw de plaats van het beeld. (mijn antwoord: eerst beeld voor 1e berekenen en vervolgens dit als voorwerp laten dienen bij de tweede) (Maakt het uit of eerst de convergerende of eerst de divergerende wordt getroffen?) (Nee, denk ik want stralengang is omkeerbaar) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wederzijdse inductiecoëfficiënt, wat is dat? Pas toe op 2 coaxiale solenoïden. #Leg uit hoe je aan magnetisch krachtmoment komt a.d.h.v. een rechthoekige stroomlus in een magnetisch veld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de emk uit van een bewegende geleider. Leg aan de hand hiervan ook de wet van Faraday en de wet van Lenz uit. #Leg de RLC-serieketen uit met een wisselspanningsbron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er vertrekt een bundel elektronen vanuit de oorsprong van een 3D assenstelsel in de y-richting met snelheid v(0)= 6x10(tot de 7e). Er is een magnetisch veld dat volgens de z-as ligt en dat gelijk is aan 6 microTesla.(kan zijn dat deze waarde fout is) Op een afstand van y(0) = 40 centimeter , ligt een vlak dat evenwijdig is met het XZvlak. ((e= 1.6x10(tot de -19e)Coulomb en m(elektron)= 1.611x10(tot de -31e) kilogram. #*Waar ligt dan het centrum van de baan van de bundel? #*Welke hoek maakt deze baan als het op het vlak terecht komt? #*Bepaal de coördinaten van waar ze terecht komen op het vlak. #Stel dat een lading q op afstand x(0) van een rechte , niet-geleidende homogeen geladen staaf ligt. De heeft een lengte van 0 tot oneindig Bepaal de kracht die deze staaf dan op deze lading. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bereken het electrisch veld van een lange dunne draad met homogene ladingsdichtheid. Zowel zonder als met de stelling van Gauss #Bespreek paramagnetisme en diamagnetsime #wat is polarisatie en bespreek de invloed op de capaciteit van een condensator. #wat is de wederzijdse inductiecoëfficiënt? Leid deze af voor 2 solenoïdes. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;wat is de spanning over iedere condensator in volgend schema, als: #*schakelaar B geopend wordt en daarna schakelaar A gesloten (daarmee wordt de spanningsbron aangeschakeld) #*vervolgens A geopend wordt en B gesloten? (daarmee wordt de spanningsbron afgeschakeld en een extra condensator parallel gezet over een andere. #*alle condensatoren worden eerst ontladen, vervolgens wordt B gesloten en dan wordt A gesloten. Wat is de spanning over iedere condensator. bij deze oef. heb je enkel symbolisch V en je weet dat C1=C2=C3=C4=C Dus volledig symbolisch uit te werken! #Bereken de magnetische flux door volgend plaatje (hoogte b, breedte a) op een afstand c van een draad waardoor een stroom I= ... (geg.) loopt. Het plaatje staat volledig evenwijdig met de draad en in het vlak van de draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe hangt beeldvorming af van brekingsindex. gebruik deze afleiding om de Lenzenformule van Newton te bepalen. #Interferometer van Michelson en Holografie uitleggen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;geef de intensiteitsverdeling bij diffractie aan 1 opening #bespreek transmissie en refractie bij overgang van optisch ijl naar optisch dicht &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Door een ruit kijken die 8mm dik is. erachter staat een voorwerp. wordt da door de waarnemer dichter bij of verder weg gezien. en zo ja, hoeveel is dan het verschil (afstand waarnemer-beeld en afstand waarnemer voorwerp) #de scheidingshoek berekenen tussen de eerste en tweede orde maximum van een diffractierooster en ik had nog zo op de laser gehoopt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het energietransport van em-golven uit? #Leg uit wat het f-getal is? Leg ook uit hoe een vergrootglas werkt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een berg die op grote afstand staat wordt door een convergerende lens bekeken. Deze lens geeft een beeldafstand van 38cm voor de berg. #*Bepaal de brandpuntsafstand? Kan er een virtueel beeld gevormd worden? Kan er een reëel beeld gevormd worden? #*Als we nu voor de lens een dennenappel leggen met een voorwerpsafstand van 75cm, wat is dan de positie en de aard van het beeld van de dennenappel? #Een interfentieproef waarbij ge met behulp van de breedte tussen de puntbronnen en het faseverschil, de maximale intensiteit op een scherm moet gaan berekenen. Dus onder welke hoek een maximale intensiteit optreedt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek polarisatie(niet de methoden van polarisatie). [Dus vlakke polarisatie, circulaire en elliptische] #Leg uit hoe een LASER werkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;ivm golflengte en 1 ivm lenzen (en met dioptrie)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek zelfinductie en wederkerige inductie. Van welke parameters hangen ze af? Toon aan aan de hand van 1 resp 2 spoel(en). Toon aan dat de stijging/daling van de stroom een tijdsconstante heeft. #bespreek 4 verschillende manieren om van ongepolariseerd licht gepolariseerd licht te krijgen. Een straal valt in op een prisma, parallel aan de prismahoek : bespreek hoe het licht uit het prisma komt. #oefening gelijkend op oef. 5 van werkzitting 2 #10 kleine vraagjes over impedantie, radio&#039;s, zonnebrillen, antennes en zo voort&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Igneous_and_Metamorphic_Petrology&amp;diff=702</id>
		<title>Igneous and Metamorphic Petrology</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Igneous_and_Metamorphic_Petrology&amp;diff=702"/>
		<updated>2025-01-10T14:23:44Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Olivier Namur&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, practicum&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 6&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding en schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; Nee, de Olli is super schattig &amp;lt;3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;i&amp;gt;Sinds 2017-2018 wordt dit vak gegeven door Olivier Namur, een Waalse prof die in het Engels lesgeeft. Hij is nieuw sinds 2017 en vervangt Sarah Fowler. Hij heeft dus nog geen cursus, maar wel notities die hij bij elke les heeft gemaakt. Deze zijn vaak uitgebreid en er zit vaak ook extra achtergrond informatie die dat niet per se gekend moet zijn maar wel zeer handig is voor het studeren. Hij geeft intensief maar zeer goed les, je valt er zeker niet in slaap bij. Het practicum is wel pittig maar kan in het semester gedaan worden in overleg met de assistent, dus dat geeft meer tijd voor het theoretisch deel.&amp;lt;/i&amp;gt; &#039;&#039;Sinds 2017-2018 wordt het door Olivier Namur gegeven. De vragen bij de voorgaande jaren zijn dus niet representatief. Zijn engels is niet perfect dus er kunnen wat spellingsfouten of grammaticale fouten inzitten.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2025 ===&lt;br /&gt;
Vraag 2&lt;br /&gt;
* Wat is nucleation en wat is crystal growth. &lt;br /&gt;
* Wat is undercooling, wat is effect van undercooling op crystal growth. Geef voorbeelden op de invloed van undercooling op structure/texture.&lt;br /&gt;
* Wat is Gibbsfree energy surface en wat is gibbs free energy volume?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Vraag 3&lt;br /&gt;
* Definieer metamorfisme&lt;br /&gt;
* Wat is metamorphic grade en wat zegt dit over de p-T condities. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Vraag 4&lt;br /&gt;
* Using following mineral mode data obtained by point counting, name the following rocks. &lt;br /&gt;
** 40% clinopyroxene + 5% olivine + 55% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;60&amp;lt;/small&amp;gt;) &lt;br /&gt;
** 20% orthopyroxene + 10% clinopyroxene + 14% K-feldspar + 55% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;40&amp;lt;/small&amp;gt;) + 1% quartz &lt;br /&gt;
** 66% Nepheline + 2% K-feldspar + 2% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;50&amp;lt;/small&amp;gt;) + 30% fine grained matrix&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2024 ===&lt;br /&gt;
Tien juist/fout vragen, exact dezelfde als 2018.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Magmatisch deel&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Vraag 1:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Define equilibrium and fractional crystallisation. &lt;br /&gt;
* Draw schematic diagrams to explain how melt evolves chemically during fractional crystallisation. Show the effect of changing mineral assemblage including solid solutions.&lt;br /&gt;
* explain the main processes leading to fractional crystallisation.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Vraag 2:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* What are the main volatiles in magma? What type of magma are they more abundant in?&lt;br /&gt;
* Define volatile solubility and the parameters controlling volatile solubility.&lt;br /&gt;
* How do volatiles enter the structure of the melt?&lt;br /&gt;
* Do volatiles play a role on the dynamics of magma eruptions and the physical properties of magma?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Metamorf deel&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
vraag 3:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Explain the barrovian metamorphic sequence and provide the list of index minerals. &lt;br /&gt;
* Explain schametically how they relate to each other in a P/T diagram by illustrating the maximum metamorphic conditions.&lt;br /&gt;
* what is the difference with the Buchan type metamorphism?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;nomenclatuur van magmatische gesteenten&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
vraag 4: 3 mineralen benoemen op basis van gegeven percentages. De classificatiediagrammen zijn niet gegeven, dus je moet het zonder kunnen. (Dezelfde mineralen als in 2018)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September 2023 ===&lt;br /&gt;
Zeer gelijkaardig aan het examen van 2018. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 10 juist/fout vragen met uitleg geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Hawaii: uitleggen wat er gebeurd, hoe het gevormd wordt, wat de vorm van de vulkanen zijn en de samenstelling van de magma en hoe deze veranderen in de tijd. &lt;br /&gt;
* De verschillende soorten basaltische vulkanen en lava flows en hun karakteristieken. De verschillende soorten erupties en hun explosiviteit.&lt;br /&gt;
* Oefening op percentages.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2023 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Beurt 1: 16/01  ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Explain the difference between CIPW norm and mineral mode. + Hoe werkt CIPW &lt;br /&gt;
* Verschil tussen equilibrium en fractional crystallization + uitleggen wat het is. Main processes van fractional crystallization.&lt;br /&gt;
* Wat is nucleation en wat is crystal growth. Wat is undercooling, wat is effect van undercooling op crystal growth. Wat is Gibbsfree energy surface en wat is gibbs free energy volume? Hoe verhouden deze zich tot elkaar?&lt;br /&gt;
* Wat is A&#039;KF en ACF, waarvoor dient dit? Hoe komen deze tot stand? &lt;br /&gt;
* Classificatie van 3 shtenen (percentage van mineralen gegeven en bij plagioclase staat tussenhaakjes (An60) bvb) (kpeis 2 plutonic en 1 volcanic, ma kwist da nie zo goe) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2022 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 17 januari  ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Explain the difference between CIPW norm and mineral mode&lt;br /&gt;
* Explain the different phases of magma. Illustrate and explain the structure of a silicate melt and the link between melt structure, polymerization and physical properties. What kind of volatiles do silicate melts have and explain the effect of these volatiles on the melt. &lt;br /&gt;
* Explain how magmas are produced. Differentiate on volatile content and volume. Explain the difference between primary, primitive and parental magma.&lt;br /&gt;
* Regional metamorfism ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2020 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 21 januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Explain in detail the structure of a silicate melt. How are H2O and CO2 dissolved in the melt and how do they affect the overall properties of the melt? Use P/T diagrams in your explanation. &lt;br /&gt;
* Give the three factors that can cause melting in the mantle. Where do they occur on Earth? Support your answer with the correct P/T diagrams. &lt;br /&gt;
* Explain Barrovian metamorphism. Give the sequence in which the minerals appear. Support your answer with P/T diagrams and compare with the stability diagrams of the Al2SiO5 polymorphs. &lt;br /&gt;
* Rock classification (granite, anorthosite (via charnockite diagram) and latite). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari 2018 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* True or False, bij een fout antwoord moet een correctie gegeven worden:  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Magmatism&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
** The average thickness of the oceanic crust is 20 km, this is two thirds of the average thickness of the continental crust. &lt;br /&gt;
** Carbonatites do not have the composition of pure calcite. (bestaan dus niet volledig uit calciet) &lt;br /&gt;
** Tholeiitic basalts are enriched in FeO compared to calc-alkaline magmas. &lt;br /&gt;
** Basaltic magma generally contains more water than granitic magmas. &lt;br /&gt;
** The lithosphere is this part of Earth interior that melts during mantle decompression. &lt;br /&gt;
** The dry peridotite solidus has a positive P/T slope, which means that lowering the pressure at a constant temperature would produce melting. &lt;br /&gt;
** During nucleation the surface area/volume ratio is low. &lt;br /&gt;
** The volcanic plume of a plinian eruption collapses on the flanks of the volcano. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Metamorphism&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
** Subduction zones have high T/P geotherms, this is why they show low pressure metamorphic rocks. &lt;br /&gt;
** It is possible for index minerals to be present in a zone of higher grade than its own. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Open questions, twee van de drie magmatische en een van de twee metamorphische mochten gekozen worden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Magmatism&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Draw a sketch of the P-T relationship in the mantle. Define the concepts of the solidus and liquidus. Explain the main mechanisms of mantle melting. &lt;br /&gt;
* Define equilibrium and fractional crystallization. Draw schematic diagrams to show how the melt evolved during fractional crystallization. Show the effect of changing the mineral assemblage. &lt;br /&gt;
* What are oceanic spreading ridges? What sort of magma forms at these ridges? Hoe does this magma form? Is the magma erupting there primary? What is specific about Iceland? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Metamorphism&#039;&#039; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Define the concept of metamorphism. Explain prograde and retrograde metamorphism. Name the different types of metamorphism. &lt;br /&gt;
* Explain Barrovian metamorphic sequence. Why do we see a change in mineralogy along the outcrops? What is the difference with Buchan-type metamorphism? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Magmatic Rock nomenclature&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Using following mineral mode data obtained by point counting, name the following rocks. &lt;br /&gt;
** 40% clinopyroxene + 5% olivine + 55% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;60&amp;lt;/small&amp;gt;) &lt;br /&gt;
** 20% orthopyroxene + 10% clinopyroxene + 14% K-feldspar + 55% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;40&amp;lt;/small&amp;gt;) + 1% quartz &lt;br /&gt;
** 66% Nepheline + 2% K-feldspar + 2% plagioclase (An&amp;lt;small&amp;gt;50&amp;lt;/small&amp;gt;) + 30% fine grained matrix&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni 2011 ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt;Gesloten boek: #Ge krijgt het kaderke waar biotiet in voorkomt en er zijn 4 uithoeken met oa flogopiet =&amp;gt; geef de exchange equations (er waren ook Tschermak substitutions van boven naar onder) #een figuur van de aardkorst met een solidus lijn, horizontaal uitgezet volgens de temperatuur, verticaal volgens druk en diepte. onder de solidus komt van boven naar onder plagioclaas lehrzoliet, spinel lehrzoliet, granaat lehrzoliet. de vraag: leg deze schets van de aardkorst uit. (waarom is het zo daar) Open boek (letterlijk van het blad): #Bereken de theoretische densiteit van een pyroxeen-smelt met samenstelling Di(70%)Hed(30%) bij 1300°C, 1400°C en 1450°C #zie fig 7.30 (p7.48) van de cursusnota&#039;s (deze beslaagt een ganse pagina en zijn opeenvolgende driehoekjes van het AFM-diagram volgens stijgende temperatuur. Schrijf de stoichiometrische reactievergelijking voor de verandering die optreedt in het AFM diagram tussen 660°C en 680°C. #Tijdens de excursie in de Harz regio werd de type-ontsluiting van &#039;Harzburgiet&#039; bezocht. Op welke wijze werden deze gesteenten gevormd en wat is hun petrogenetische relatie met de nabijgelegen gabbronoriet intrusie van Bad Harzburg? &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; Gesloten boek #Geef een beschrijving in maximaal 15 regels van de mantel van de aarde. Figuur van olivijn, ringwoodiet,perovskiet,... gegeven. welke verandering in de diepte is belangrijk? (compactie!) #Waarom hangt de viscositeit van silicaatsmelt af van de chemische samenstelling? Open boek #Een gesteente gegeven en er wt% uit berekenen (einde van H1) #Je krijgt gegevens van een chemisch onderzoek. Hieruit moet je ASI 1 en ASI 2 berekenen en dan ook ACF berekenen. (vergeet niet in wt% te zetten) Excursievraag: #Waarom bestaat het gesteente in LeyendeckerMaar uit Devoon gesteente materiaal? #Waarom zijn er verschillende legen met verschillende korrelgroottes te vinden? #Peridotiet is ultramafisch, wan waar afkomstig? ===Juni 2010=== &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; Gesloten boek: #Gegeven: Fasendiagram van een pseudoternair systeem met 4 punten Gevraagd: #*alkemadelijnen #*de eindsamenstelling van de 4 puntende #*weg die twee van die punten afleggen (ze lagen allebei in een andere alkemadedriehoek en het systeem had een reactiepunt) #Gegeven: TAS-classificatie systeem gevraagd: duid aan waar continentale riftzones, mid-oceanische ruggen, subductie van oceanische plaat onder oceanische plaat en subductie van oceanische plaat onder continentale plaat in dit systeem moeten liggen. (staat allemaal in hfst 4) Open boek: #Geef de verhouding van bindende op niet bindende zuurstofatomen in Si&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;13&amp;lt;/sub&amp;gt; #Gegeven: de chemische samenstelling van een gesteente en de atoommassa&#039;s gevraagd: - Hoe zou je kunnen bepalen wat dit gesteente in het begin geweest zou zijn (ofzoiets..) - is het gesteente subalkalisch of alkalisch (berekenen met ASI) - zet het gesteente uit in een ACF diagram (formules die je moet gebruiken zijn gegeven, iets ander dan in de cursus) - Het gesteente ondergaat metamorfose en behoort tot de barrovian serie. kijkend naar een PT-diagram: welke metamorfe facies zullen achtereenvolgens gevormd worden bij deze serie. en wat is de samenstelling als er eclogiet en granuliet gevormd wordt. #Die weet ik niet goed meer want die kon ik niet maar deze was anders voor mij vermits ik niet op internationale excursie geweest ben. Degene die wel zijn geweest kregen gewoon een excursie vraag. &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; Gesloten boek: #Ook fasendiagram met vanalles op aanduiden. #Waarom zullen rhyolietische lava&#039;s geen lava stromen vormen. Open boek: #Gesteente samenstelling gekregen en uitzetten in streckeisen. Vergeet niet te normaliseren! #Zo verschillende diagramma&#039;s gegeven in een PT diagram (zie hfst metamorfe), uitleggen wat er gebeurt voor 2 samenstellingen, reacties uitschrijven en uitbalanceren. #Over excursie: uitleggen waarom vooral devoon teruggevonden in Leyendecker groeve, waarom in verschillende lagen, waarom zo goed gesorteerd. Plaats de Laachersee in tijd, ruimte en geologische context. Practicum&amp;lt;br&amp;gt; #3 gesteenten met slijpplaatjes en doen zoals in practicum. &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; Gesloten boek: #Je krijgt het diagram met de mineraalverschuivingen in de mantel. Waarom is die figuur belangrijk? Aan de hand van overgangen olivijn --&amp;gt; waydlesiet, ringwoodiet --&amp;gt; perovskiet uitleggen waarom seismische snelheid versnelt op 410 en 660 km dus. #Uitleggen hoe perhieten en anti-perthieten zich vormen bij alkaliveldspaten (fasediagram tekenen met solvus en exsolutie) en uitleggen wat het verschil is met twinning overgroeiing. Open boek: #Gesteentesamenstelling van plutonische gesteente gekregen en uitzetten in streckeisen. Normaliseren! #Teveel om helemaal uit te schrijven. Draaide erom dat je grid kreeg met bodemmonsters en welke metamorfe mineralen per bodemmonster er voor kwamen. Die bodemmonsters moest je dan juist aanduiden op een ALS diagram met 2 fasegrenzen afhankelijk van de mineralogie. Dan ook nog bepalen wat de maximale P en T van het metamorfisme was + afmetingen van bodemmonstergrid schatten aan de hand van ganse drukbereik. #Excursie: uitleggen hoe de harzburgiet zich vormt en wat de relatie is met Bad Harzburg. ===Juni 2009=== #Mineralensamenstelling gegeven van plutonisch gesteente. zeggen welk gesteente het is. #wt% van vulkanisch gesteente. zeggen welk gesteente en of het peralkalisch, alumineus, per-alumineus is. #Zeg hoe je een mineraal (formule is gegeven) in het ACF diagram kunt zeten. #Excursievraag over buchiet (Blaue Kuppe) pt diagram om een grafiek met mineraal fazen zetten. en proximale T en P geven #Alkemadelijnen aanduiden, pijltjes zetten op de fasengrenzen, reactiepunt en eutecticum bepalen en 3 samenstelling op de grafiek zijn aangeduid, waarbij je dan de afkoelingsgeschiedenis moet geven. ===Juni 2008=== &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; #Modale samenstelling van een gesteente (38% qz, 7% biotiet, 4% mica, 20% sanidien, 26% orthoklaas ofzo) Wat is de naam van dit gesteente? #Een kalksteen met cherthoudende fragmenten wordt geïntrudeerd door een basaltisch magma. Er wordt een wollastonietring gevormd rond de nodules. Bij nog hogere temp wordt er Tillyniet gevormd (of zo). Ca3[Si2O7].2CaCO3 Welke reacties treden op? Welke mineraalassemblages worden gevormd bij evenwichtskristallisatie, geef deze weer in een p-T diagram het faciesdiagram is hier met SiO2, CaO en CO2 !!! Dus niet CO2 als overmaat #fig 4.16 uit de cursus, geef de alkemadelijnen weer (op mondeling: wat is een alkemadelijn). 2 uitkristalliseringstrajecten uitschrijven. 4 samenstellingen, in welke evenwichtspunt komen die uit? #een doorsnede van vulkanische afzettingen: geef de eruptiegeschiedenis. &amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; #tabelleke met mineraalinhoud van enkele slijpplaatjes, moest ge op een curve aanduiden waar die lagen en hoe groot het gebied ongeveer was. #Wt % uitrekkenen van 2 mineralen (jaja anal geo returns ) #Waarom vloeit een rhyolietisch magma zo moeilijk #Excursievraag: gabbro norietgroeve in harzburg. Waarvan onderscheid een gabbro noriet zich van een gewone gabbro? Hoe verklaar je het vroege voorkomen van hoornfels en flogopiet Waarom kristalliseert OPX eerder uit dan CPX, leg uit adhv figuur in cursus. ===Juni 2007=== #Voor het spoorelement Chroom de bulkcoëfficiënt D berekenen. Partitiecoëfficiënten gegeven voor olivijn, clinopyroxeen en plagioklaas. (zie het hoofdstuk over spoorelementen, een gelijkaardige oefening) #Gegeven een tabel met wt% en CIPW die al uitgerekend is. Toon op verschillende manieren aan dat dit gesteenten tholeïtisch is. #Gegeven fasendiagram. Welke mineraalassemblages zouden voorkomen indien er clinopyroxeen, pyroop en anorthiet?? voorkwamen. Had in ieder geval te maken met die driekhoeken van de verschillende facies. Ging van granuliet naar een facies hoger... #Een gesteenten met wt% dat muscovietrijk was, waarvan gevraagd werd welke mineraalassemblage het zou hebben indien het in een granulietfacies voorkwam. (denk ik)&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_I&amp;diff=518</id>
		<title>Algemene natuurkunde I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_I&amp;diff=518"/>
		<updated>2024-03-12T15:40:28Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* Juni = */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;OPGELET: Door wat onduidelijkheid over richtlijnen rond hoofdletters is er een tweede pagina gemaakt met vragen van dit vak: [[Algemene Natuurkunde I]]. De inhoud van die pagina zou naar deze moeten verplaatst worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Thomas van Riet&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, oefenzitting&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 9&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; juni&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; Nee&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;i&amp;gt;De lessen zijn bijna puur theoretisch met af en toe een klein experiment. Hij gebruikt altijd ppt’s die nagenoeg de cursus herhalen met hier en daar enkele toevoegingen. Dus naar de lessen gaan is normaal wel een pluspunt ook omdat hij uitleg geeft over hoe we aan bepaalde formules komen en wat ze betekenen. Op het examen is hij een zeer aangename en rustige man, maar de hoeveelheid leerstof is toch meer dan genoeg.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; TTT 27/11 &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De zwaartekracht in een universum wordt gegeven door F = ((G*m1*m2) / d^3)*r met d de afstand tussen de massa&#039;s en r de eenheidsvector zodat ze elkaar aantrekken. &lt;br /&gt;
** Is de zwaartekracht in dit universum conservatief? Leg uit. &lt;br /&gt;
**Indien conservatief, leidt de formule voor de potentiële energie af.  &lt;br /&gt;
*Een balletje beweegt op een verticale slinger aan een touw met lengte L. Bovenaan de cirkel is de spankracht 2 keer de massa M. &lt;br /&gt;
**Schets de situatie. &lt;br /&gt;
**Wat is de grootte, richting en zin van de nettokracht bovenaan? Teken. &lt;br /&gt;
**Wat is v(0) bovenaan de cirkel? &lt;br /&gt;
**Op het hoogste punt wordt het touw doorgeknipt. Bereken de tijd voor de massa de grond raakt. &lt;br /&gt;
**Bereken de afstand tot de massa de grond raakt. &lt;br /&gt;
*Gegeven tekening: 2 blokken met massa M en m op elkaar gestapeld die op een helling staan met hoek theta. Aan massa M wordt met een kracht F horizontaal getrokken. De helling is wrijvingsloos, tussen de 2 blokken is er een statische wrijvingscoëfficiënt mu(s) &lt;br /&gt;
**bereken de maximale grootte van F zodat er geen verplaatsing van is van m tov M.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een snaar van 1m lang en 2mm dik. Wat is de golflengte van de grondtoon? Wat is de golflengte van dezelfde noot maar 1 octaaf hoger? &lt;br /&gt;
*Hoe zweven astronauten in het ISS? &lt;br /&gt;
*Een persoon op aarde springt. Het lijkt alsof er impuls en energie uit het niets ontstaat. Waarom is dit niet zo? Hoe blijven impuls en energie behouden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Slinger van lengte L met massa m die onder het ophangpunt rond een ander punt, ergens halverwege de slinger, draait waardoor de slinger lengte l heeft. De massa start in rust op de plaats waar de slinger een rechte hoek maakt rond het punt halverwege de slinger. &lt;br /&gt;
**Wat is de spankracht in het touw onder het ophangpunt (ifv m, g, L, l)? &lt;br /&gt;
**Wat is de maximale hoek van de slinger als die de andere kant (die met lengte L) bereikt? &lt;br /&gt;
*Een grote cilinder met diameter D en hoogte H die half gevuld is met vloeistof B van boven en vloeistof A vanonder die niet mengen. Beneden aan de buis, op hoogte h, wordt een gat met diameter d gemaakt waar de vloeistof met snelheid v0 uitstroomt. &lt;br /&gt;
**Wat is de druk net buiten het kleine gat? &lt;br /&gt;
**Wat is de druk op de scheidingslijn tussen vloeistof A en B? &lt;br /&gt;
**Wat is de verhouding tussen v0 en v1 als v1 de snelheid is waarmee het vloeistofoppervlak in de grote cilinder daalt? &lt;br /&gt;
**Geef een functie voor v0 (ifv h,H,g,D,d, dichtheid A, dichtheid B) &lt;br /&gt;
*Een katrol waar een touw over gaat. Aan de ene kant een veer met k die aan de grond vast gemaakt is, aan de andere kant een massa m. &lt;br /&gt;
**Wat is de uitrekking van de veer als het systeem in evenwicht is? &lt;br /&gt;
**Als de spankracht op het touw links Tl is en de spankracht rechts Tr, geef dan de formule van Newton voor rotaties. &lt;br /&gt;
**Geef een verband tussen de versnelling van de massa en de hoekversnelling van de katrol. &lt;br /&gt;
**Als het systeem licht uit evenwicht gebracht wordt, wat is dan de frequentie van de oscillatie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Korte vragen: &lt;br /&gt;
**tekenen van krachten op blokken&lt;br /&gt;
**fietswiel met een man op een schijf &lt;br /&gt;
**hoe de krachten en impulse momenten veranderen als je het impuls moment verandert&lt;br /&gt;
**wat gebeurt er met impuls moment en energie als een raket ompploft&lt;br /&gt;
**iets met op een staaf slaan. &lt;br /&gt;
*Lange vragen: &lt;br /&gt;
**Een kogel schiet in een blok die verbonden is met een veer, bereken de initiele snelheid van de veer en hoeveel kinetische energie er is verloren gegaan bij het beschadingen van de blok (bij bewegen was er ook wwrijving), wat gebeurt er als je een massa op een veer laat vallen vooral dingen uit tekenen, de snelehied in formulle vorm berekenen van hoe snel water uit een vat stroomt in functie van y1,y2,r1,r2 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Korte vragen: 4 meerkeuze met giscorrectie (-1/4 indien fout) en 1 vraag over kwantumdingen. &lt;br /&gt;
*Venturimeter: &lt;br /&gt;
**Toon aan dat deze formule klopt: v1 = A2*((2*(P1-P2))/(&#039;rho&#039;*(A1²-A2²)))^(1/2). Met v1 = snelheid van het water in brede deel, P1 = druk in brede deel, P2 = druk in smalle deel, A1 = diameter van brede deel, A2 = diameter van smalle deel. &lt;br /&gt;
**Bereken v2 = snelheid van het water in smalle deel met gegeven: A1 = 3,0cm, A2 = 1,0cm, drukverschil = 18 mm Hg, dichtheid van kwik is gegeven. &lt;br /&gt;
*Kanonskogel: er wordt een kanonskogel recht omhoog afgeschoten met massa M. Op zijn hoogste punt ontploft de kogel in 2 gelijke stukken met massa M/2. De energie E die hierbij vrijkomt wordt integraal omgezet naar de horizontale beweging van deze stukken. De stukken komen neer op de grond, wat is de afstand d tussen deze stukken op de grond. Geef d in functie van E, ???.&lt;br /&gt;
*Vraag over trillingen en golven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Interstellar: &lt;br /&gt;
**Waarom draait het ruimteschip rond eigen as? &lt;br /&gt;
**Hoeveel omwentelingen per minuut moet het ruimteschip maken om de omstandigheden op aarde na te bootsen? &lt;br /&gt;
**Hoeveel energie is er nodig? &lt;br /&gt;
*Traagheidsmoment: Ettelijke formules van op het formularium bewijzen of afleiden. &lt;br /&gt;
*Vloeistoffen: &lt;br /&gt;
**Bewijs de continuïteitsvergelijking &lt;br /&gt;
**Wat kan er bij vloeistoffen vaak vereenvoudigd worden? &lt;br /&gt;
**Bewijs de wet van Bernouilli &lt;br /&gt;
*Korte vragen: &lt;br /&gt;
**Er zijn 2 golven, alles is hetzelfde behalve de golflengte. Golflengte van golf1 is dubbel zolang als die van golf2, wie verplaatst het meeste energie? &lt;br /&gt;
**Als de lichtsnelheid oneindig groot zou zijn, wat gebeurt er dan met de tijddilatie en de lengtecontractie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie en oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Elektron heeft een massa van 9.11*10^(-31)kg en er is experimenteel aangetoond dat ze verspreiden tot wel 1.80*10^(-27)kg. Het impulsmoment is √(3⁄4)∙ ℏ &lt;br /&gt;
**Hoe wordt dit getal √(3⁄4)∙ ℏ voor het impulsmoment van een elektron bekomen &lt;br /&gt;
**Wat is de hoeksnelheid van het elektron (elektron als een bol beschouwd) &lt;br /&gt;
**Wat is de lineaire snelheid van een punt aan de rand van het elektron &lt;br /&gt;
**Als jet het voorgaande goed gedaan hebt bekom je een grootteorde van 1013. Welke conclusies kan je hieruit halen? &lt;br /&gt;
*Wat is het werk-energie-theorema , leg uit? De definitie van arbeid moet je niet geven. &lt;br /&gt;
**alpinebergbeklimmers zitten vast op een helling en jij moet ze helpen met een pakket met massa m naar boven te sturen. &lt;br /&gt;
**teken de krachten en eventueel andere zaken op de figuur die nodig zijn om de arbeid te bepalen &lt;br /&gt;
**geef de groote van de krachten op je figuur in de vorm van h, α en g. &lt;br /&gt;
**Bereken de netto arbeid aan de hand van de formules uit je formularium &lt;br /&gt;
**Bereken de minimale snelheid die nodig is om het pakketje naar boven te brengen &lt;br /&gt;
**conceptvraag: Is deze snelheid dezelfde als de eindsnelheid van het pakje als we deze van boven naar beneden laten komen? Antwoord met ja of nee en verklaar duidelijk waarom. &lt;br /&gt;
*Er een bewegend platform met een luidspreker met f0 = 245Hz. Het platform beweegt met een snelheid vp naar een muur. Een persoon langs de luidspreker hoort de luidspreker en de weerkatsing van de muur. (nog iets met een zweving van 700Hz) we delen de vraag op in stukken: &lt;br /&gt;
** Als ft de frequentie is van de weerkaatste golf, wat is dat de zweving voor de persoon op het platform &lt;br /&gt;
** Een waarnemer staat tegen de muur en hoort een frequentie fm. Bepaal deze frequentie in formulevorm. &lt;br /&gt;
** voeg nu alles samen en bepaal b= (ft-f0)/f0 . Wat is de waarde van b volgens de opgave. &lt;br /&gt;
** Bepaal nu de snelheid, vp, van het platform. Schrijf deze eerst op in functie van b en daarna de waarde. &lt;br /&gt;
*De beweging van een zuiger aan de zijkant van het wiel van een automotor (draaiend object) is bij benadering dezelfde als van een enkelvoudige harmonische beweging. Verklaar waarom. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Zuiver Rollen: &lt;br /&gt;
**beschrijf de kinematica van de zuivere rolbeweging &lt;br /&gt;
**leid de formule af: v(mc)=R*omega en geef het verband tussen versnellingen a en alfa &lt;br /&gt;
**geef 2 verschillende formules voor kinetische energie door een andere rotatieas te kiezen, welke stelling verbind deze formules met elkaar &lt;br /&gt;
**beschrijf de dymanica van de zuivere rolbeweging. welke bewegingsvergelijkingen hebben we nodig?&lt;br /&gt;
**een bol of cilinder rolt op een horizontaal oppervlak, er werkt een kracht F op in. Welke kracht is noodzakelijk voor de rolbeweging? Hoe groot is deze kracht(in functie van andere grootheden). &lt;br /&gt;
*Kleine vraagjes &lt;br /&gt;
**een slingerklok loopt op zeeniveau exact gelijk. Wanneer we de klok meenemen naar grote hoogte, loopt de klok dan achter of voor en verklaar. &lt;br /&gt;
**wat is het verschil in weglengte om destructieve interferentie te bekomen, het zijn 2 lichtgolven met frequentie=10^14 &lt;br /&gt;
**stel dat de lichtsnelheid gelijk is aan 10m/s. een fietser heeft schrik om zichzelf kleiner te zien, is dit zo? hoe ziet de fietser de stilstaande voorbijgangers (dunner of dikker)? een stilstaande waarnemer ziet het fietswiel dubbel zo smal als normaal, hoe snel rijdt de fietser? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*situatie: een bal rolt tegen een blok die vasthangt aan een veer, geen wrijving. gegeven: snelheid bal in het begin, k, massa&#039;s &lt;br /&gt;
**de bal rolt meteen terug, wat is zijn eindsnelheid? &lt;br /&gt;
**wat is de amplitude van de trilling &lt;br /&gt;
**wat is de maximale versnelling van het blok dat vathangt aan de veer &lt;br /&gt;
*geometrische optica: tekening gegeven van prisma waar stralen op invallen &lt;br /&gt;
**wat is de maximale breekingsindex van het prisma zodat er geen interne refractie optreed &lt;br /&gt;
**bepaal refractiehoek #indien de breekingsindex te klein is voor inwendige reflectie, kan dit dan opgelost worden door de invalshoek te wijzigen (initieel is de invalshoe 45°) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Welke grootheden blijven constant bij de volgende situaties? &lt;br /&gt;
** Welke grootheden met dimensie (MLT-1) zijn er behouden voor een puntdeeltje waar geen kracht op inwerkt? &lt;br /&gt;
** Welke grootheid is behouden voor een deeltje waar een conservatieve kracht op inwerkt? &lt;br /&gt;
** Welke grootheid is behouden in een interagerend systeem? #*Welke andere grootheden zijn er behouden voor een object met een vast punt (mogelijk niet een vormvast object) waarop geen krachtmoment t.o.v. dit punt inwerkt? &lt;br /&gt;
* Gravitatie: &lt;br /&gt;
** Bewijs dat de algemene gravitatiekracht uitgeoefend door een deeltje op een ander deeltje een conservatieve kracht is. Beschouw hiervoor de beweging van een puntdeeltje met massa m dat de zwaartekracht van een ander deeltje met massa M voelt, waarbij M in rust is in een referentiesysteem. Structureer je antwoord als volgt; eerst schrijf je wat je moet bewijzen, dan geef je het bewijs en vergeet niet om elk symbool dat in je formule voorkomt te verklaren. &lt;br /&gt;
**Bereken aan de hand van dit bewijs de E&amp;lt;sub&amp;gt;p&amp;lt;/sub&amp;gt; van een massa in een centraal gravitatie krachtveld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Stel een blok M voor (m = 1.990kg !opgelet 1990g, geen 1990kg, wetenschappelijke schrijfwijze van getallen) dat stil ligt op een vlak. Er wordt een kogel met m = 10g in dit blok geschoten (v&amp;lt;sub&amp;gt;kogel&amp;lt;/sub&amp;gt; = 100m/s), waardoor het blok begint te glijden over het oppervlak met een dynamische wrijvingscoëfficiënt U&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na 19cm botst het blok tegen een veer, met veerconstante K = 0,2N/m, die in rust was, maar over 3cm is ingedrukt. Nu wordt het blok teruggeduwd, waarbij het na zo’n 28cm (vanaf het punt waar de veer maximaal was ingedrukt), stilvalt. Bereken de dynamische wrijvingscoëfficiënt U&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Een hele vraagstelling, maar eigenlijk komt het gewoon neer op het afleiden van de hoek Θ gemaakt door een conische slinger. (De officiële vraag was iets van een klein meisje dat een spelletje wilt spelen en hier kiest ze uiteraard een conische slinger vooruit!)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beschrijf algemeen de arbeid en energie van inwendige en uitwendige krachten op een vaste stof. &lt;br /&gt;
*Bereken de elastische energie bij torsie. &lt;br /&gt;
*Analyseer de bewegingsvergelijking, de beweging en de karakteristieken van de torsieslinger. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Op een racebaan kan je de snelheid van de voorbijrijdende auto&#039;s schatten door het luisteren naar de frequentie bij het naderen en verwijderen van de auto&#039;s. Als er een auto passeert, daalt de waargenomen frequentie met een octaaf (de helft van de frequentie), wat is de snelheid van de auto? &lt;br /&gt;
*2 grafieken gegeven van een verschillende zweving).&amp;lt;br&amp;gt;Een samengestelde geluidsgolf kan men ontbinden in 2 componenten met elk hun eigen frequentie. Van welke grafiek liggen de frequenties van de componenten het dichtst bij elkaar? &lt;br /&gt;
*Kan een tijdsvertraging en lengtecontractie voorkomen bij snelheden van 90km/h?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een massapunt op een gebogen baan, vergelijk de snelheidsvector en de versnelingsvector met de raaklijn aan de baan. &lt;br /&gt;
* Leg uit hoe we kunnen komen tot een beschrijving van de pseudokracht in een rotatie. &lt;br /&gt;
* Beschrijf de dynamica en de energie van een bol die van een schuin wrijvingsloos opp rolt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een bol van 1,8kg hangt aan een gewichtsloos koordje. Deze wordt geraakt door een kogel van 0,2kg. Het hoogste punt van de swing beweging van de bol is 20cm.&amp;lt;br&amp;gt;Bepaal de snelheid van de kogel voor het de bol trof.&amp;lt;br&amp;gt;(volledig inelastische botsing etc. Antwoord is waarschijnlijk 20m/s).&lt;br /&gt;
* Tekening van een massa die opgehangen was met verschillende touwen met verwaarloosbare massa en een lat. De bedoeling was om de krachten van de opgehangen massa op bepaalde punten te bepalen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Is de versnelling van een puntmassa afhankelijk van het IS waarin de beweging wordt geobserveerd? (Geef bewijs bij uw antwoord) &lt;br /&gt;
* Geef de redenering en afleiding om tot een formule voor de kinetische energie te bekomen. &lt;br /&gt;
* Leg de werking van de gyroscoop uit en verklaar de gyroscopische effecten. Gebruik de gepaste bewegingsvergelijkingen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een bol van 1,8kg hangt aan een gewichtsloos koordje. Deze wordt geraakt door een kogel van 0,2kg. Het hoogste punt van de swing beweging van de bol is 20cm.&amp;lt;br&amp;gt;Bepaal de snelheid van de kogel voor het de bol trof.&amp;lt;br&amp;gt;(volledig inelastische botsing etc. Antwoord is waarschijnlijk 20m/s). &lt;br /&gt;
* Tekening van een massa die opgehangen was met verschillende touwen met verwaarloosbare massa en een lat. De bedoeling was om de krachten van de opgehangen massa op bepaalde punten te bepalen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Stel de bewegings vgl op van een gedwongen trilling van een massa. &lt;br /&gt;
*Leid een uitdrukking af en bespreek de energie overdracht van de uitwendige kracht. &lt;br /&gt;
*Bespreek het golfgedrag van een materiedeeltje en gebruik hier ook het onzekerheid beginsel in van impuls en posititie. &lt;br /&gt;
*Bespreek en verklaar het tunneleffect. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg de conische slinger uit. &lt;br /&gt;
*Vormvaste objecten uitleggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Situatie, blok A en B, beiden dezelfde massa, 10kg. Blok A en B zijn verbonden door een veer met k=100N/m. A ligt op de grond en verticaal daarboven hangt B. &lt;br /&gt;
**Als we B loslaten, hoe diep wordt de veer dan ingeduwd? &lt;br /&gt;
**Hoe diep moet B ingeduwd worden zodat wanneer we B loslaten A ook van de grond zal komen? (gebruik behoud van energie en vergeet de Pot.Grav. energie niet !!)&lt;br /&gt;
*Situatie, een schijf met massa 0,2kg wordt verticaal omhoog geworpen met v=6m/s. Op zijn hoogste punt wordt de schijf getroffen door een kogel met m=0,1kg en v=300m/s. De schijf breekt in 2 gelijke stukken (dus elk stuk m=0,1kg). Het ene stuk vliegt verticaal omhoog met een snelheid van 10m/s. Het andere stuk vangt de kogel op en vliegt samen met de kogel weg. Waar zal het stuk met de kogel neerkomen? (gebruik het behoud van impuls, wanneer de schijf zijn hoogste punt bereikt is Ekin, evenals impuls = 0) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De coulombrackt is een centraal krachtveld, leid af en gebruikt dit om de potentiële energie van een elektron te berekenen. &lt;br /&gt;
*Bereken de totale energie van een elektron van een één-elektron atoom. &lt;br /&gt;
*Wat is de continuiteitsvergelijking van een stationair stromend fluidum? &lt;br /&gt;
*Geef de wet van Bernoulli. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een blokje bevindt zich tussen 2 veren. &lt;br /&gt;
**Waarom werkt er een kracht van 18N op het blokje? &lt;br /&gt;
**Geef de vergelijking voor het blokje op t(0). &lt;br /&gt;
*Eigenfrequente, 3&amp;lt;sup&amp;gt;de&amp;lt;/sup&amp;gt; harmonische toon en massa per lengte eenheid bepalen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de redenering + beschrijving om te komen tot een uitdrukking voor kinetische energie van een puntmassa. *Toon aan dat het zwaartepunt van een object samenvalt met het massacentrum. &lt;br /&gt;
*Gebruik de rotationele vorm van de bewegingsvgl van een object om de beweging van een horizontale tol te verklaren en zijn precessie-hoeksnelheid te bekomen. Welke krachten oefent het steunpunt op de tol uit? (volledige beschrijving van elke kracht) &lt;br /&gt;
*Hoe werkt een gyroscoop &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Centrale botsing: Twee objecten met respectievelijk m=0.8 en 0.5 botsen op elkaar met respectievelijke snelheid v=0.3 en 0.5. 1 buigt 30° af en heeft snelheid x (was gegeven maar herinner me niet meer, was in ieder geval lager dan beginsnelheid). 2 buigt ook af, geef de hoek en snelheid van 2. En bespreek of het hier gaat om een elastische botsing. &lt;br /&gt;
*Er staat een blokske met m=10kg op een schuine plank(37° en µ(dynamisch) =0.4), aan t blokske hangt een touwtje naar boven, dat rond een volle cilinder is gedraaid, deze cilinder beweegt wrijvingsloos en heeft m=100(ben niet zeker) Het blokje schuift vanuit rust naar beneden. Geef de bewegingsvergelijking, versnelling en spankracht. Bespreek het verschil in E&amp;lt;sub&amp;gt;pot&amp;lt;/sub&amp;gt; (begin) van het blokje en E&amp;lt;sub&amp;gt;kin&amp;lt;/sub&amp;gt;(eind) van het blokje, waarom verschillen deze en hoe verklaar je dit? (Ik denk dat je dit vraagstuk het beste oplost met gebruik van het arbeids-energie theorema) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;u&amp;gt;1,5u mondelinge voorbereiding&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beschouw: Viskeuze laminaire stroming in een buis. &lt;br /&gt;
**Vertrek van het snelheidsprofiel(niet zelf berekenen) om het verband tussen drukverloop en volumedebiet te berekenen en interpreteer.&lt;br /&gt;
**Bereken en bespreek de omzetting van mechanische energie in niet mech. energie &lt;br /&gt;
*Relativistische fysica: &lt;br /&gt;
**Leid af en bespreek: de formule voor lengtecontactie &lt;br /&gt;
**leid af vertrekkende van de relativistische massa: de totale relativistische energie van een massa en interpreteer het resultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Resterende examen tijd (totaal, mondeling+oefeningen = 4u) &amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Schets: Stalen kabel (l=2m, diameter= 4mm, elasticiteits modulus=2.10&amp;lt;sup&amp;gt;11&amp;lt;/sup&amp;gt; N/m²) loopt over katrol met wrijvingsloze massa en weerstand en verbindt twee opgehangen massas, m1 en m2 met respectievelijk massa=3 en 5kg. Vraag: bereken de uitrekking van de kabel wanneer het systeem in beweging is... &lt;br /&gt;
*Een blok met massa m=5kg ligt op een hellend vlak en is verbonden met een veer (veer loopt parallel aan het vlak en hangt aan een vastpunt) Blok wordt 0,10m omlaag getrokken (langs het vlak) en uit rust losgelaten waardoor het begint te oscilleren. De wrijvingskracht is evenredig met de snelheid (Dempingscte.=b=1Ns/m). De uitwijking van het systeem bij de tweede periode is 75% van de uitwijking bij de eerste periode. Vraag: bereken de pulsatie, de veer cte en geef de uitwijking van den blok ifv. den tijd... (ter informatie, de hellingshoek was ni gegeven) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*leg uit oppspanning en opp-potentiele energie en leg het verband uit dan ook nog capillariteit en hoek dat een vloeistof maakt met wand uitleggen #kwantumfysica de postulaten op te sommen en dan baanstraal en de energie te geven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking af van een puntmassa in een niet-intertiaalstelsel (NIS) met versnellende oorsprong en translerende assen. Toon hiermee het al dan niet geldig zijn aan van de drie basiswetten van de dynamica (wetten van Newton) in dit NIS. &lt;br /&gt;
*Analyseer de beweging van een horizontale tol en gebruik deze analyse om de werking van een gyroscoop uit te leggen en gyroscopische effecten te verklaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een kogel met massa 4 gram raakt een lat in rust. De afstand van het middelpunt tot de top van de lat is 1 meter. De kogel raakt de lat in de helft van deze afstand. Het middelpunt van de lat met massa 300g staat 1 meter boven de grond. Na het doorboren van de lat valt de kogel 100 meter verder op de grond. Bereken nu de hoeksnelheid die de lat krijgt als je weet dat de kogel oorspronkelijk 250m/s bewoog. &lt;br /&gt;
*Beschouw een hefsysteem met R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt;=0.5m en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;=0.2m. Er hangen twee massa&#039;s aan met M&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt;=2kg en M&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;=1.8kg. Bereken de hoekversnelling en de trekkrachten in de touwen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de wisselwerking van energie en arbeid in het algemeen bij elasticiteit en bespreek en bereken de elastische energie bij torsieen bespreek de oscillatie van de torsieslinger &lt;br /&gt;
*bespreek de microscopische oorsprong van de viscositeitkrachten &lt;br /&gt;
*bespreek laminaire stroming in een buis (niet berekening van snelheid geven) aan de hand van het snelheidsprofiel en bespreek/bereken hierbij het volume debiet en het drukverloop &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bespreek interferentie van 2 golven met zelfde richting, frequentie en tegengestelde zin. en bespreek de energiedichtheid. &lt;br /&gt;
*geef oppervlakteenergiedichtheid, cohesiedruk, oppspanning en toon verband aan (geef ook dimensies en eenheden)bespreek en bereken capillariteitsdruk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*welk is het maximaal vermogen door de staaf voortgebracht met gegevens: &lt;br /&gt;
**lengte = 2m &lt;br /&gt;
**straal = 0,015m &lt;br /&gt;
**G = 2,8.10^10 Pa &lt;br /&gt;
**maximale torsiehoek = 2,5 graden (anders breekt de cilinder) &lt;br /&gt;
**hoeksnelheid = 120 rad/s #een vat met 2 gaten in op afstand d van elkaar, bereken de plaats (z en x) waar de twee waterstralen elkaar kruisen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Analyseer in het algemeen de globale beweging en de totale energie van een vormvast object &lt;br /&gt;
*Bespreek golven in bulk vaste stoffen in het algemeen en seismische golven in het bijzonder &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een plastic blok (M=0,5kg) is verbonden met een onbelaste veer (k=125N/m). Het blok is initieel in rust op een horizontaal vlak. De dynamische wrijvingscoëfficiënt tussen vlak en blok is 1. Een metalen kogel (m(k)=0,5kg) wordt met een snelheid v(k) =2m/s in het blok geschoten en wordt ogenblikkelijk (t=0) gestopt in het blok. Bereken &lt;br /&gt;
**de initiele snelheid v(i) van het geheel op t=0 &lt;br /&gt;
**de plaats X waar de snelheid nul wordt. Wat gebeurt en daarna en waarom? &lt;br /&gt;
*Een emmer wordt opgehangen aan een veer met veerconstante k=10^3N/m. Wanneer de emmer uit evenwicht gebracht wordt, dan begint hij te oscilleren met een frequentie van 2,9Hz. Nu wordt de emmer gevuld met water. Als hij nu uit evenwicht gebracht wordt, zal hij trillen aan 1,52Hz. Bepaal de massa van de emmer en van het water dat er werd ingegoten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Definieer het begrip conservatieve kracht en verklaar waarom een puntmassa in een conservatief krachtveld potentiële energie bezit. Toon ook het fundamentele verband aan tussen de geleverde arbeid en de potentiële energie. &lt;br /&gt;
*Rotatie van vormvaste objecten: &lt;br /&gt;
**leid, vertrekkende van de definitie van arbeid, de formule voor rotatiearbeid en -energie af &lt;br /&gt;
**geef de algemene verklaring van globale beweging, en leid hieruit de totale kinetische energie af vaneen object, waarbij je vertrekt van de kinetische energie van een stelsel van deeltjes. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een student die een steen vastheeft, bevindt zich op een wagentje dat wrijvingsloos kan bewegen over een horizontaal oppervlak. De student gooit de steen nu horizontaal naar rechts. Wat gebeurt er met het massacentrum? &lt;br /&gt;
**beweegt naar rechtonder; &lt;br /&gt;
**beweegt naar linksonder; &lt;br /&gt;
**beweegt naar beneden; &lt;br /&gt;
**verandert niet. &lt;br /&gt;
*Als al het ijs op de poolkappen van de aarde zou smelten dan zouden de dagen: &lt;br /&gt;
**langer worden; &lt;br /&gt;
**korter worden; &lt;br /&gt;
**even lang blijven. &lt;br /&gt;
*Een veer waaraan een bepaalde massa hangt (die in zijn begintoestand een bepaalde gekende horizontale uitrekking had) beweegt wrijvingloos over een cirkelbaan. Gegeven is de k-waarde, de massa van die blok en de evenwichtpositie (0.6m). Op een figuur stond aangeduid op welke momenten de uitwijking van de veer gelijk was aan die 0.6m, alleszinds op zo&#039;n manier dat je de uitrekking van de veer in de nodige punten kon berekenen... Het was dan de bedoeling om de snelheid van de massa in het laagste punt te gaan berekenen. (moest je (denk ik) gewoon oplossen met behoud van energie) &lt;br /&gt;
*Een student houdt een polsstok vast met twee handen, gegeven was dat de massa van de stok 2,9 kg was en de afstand van het middelpunt van de stok tot hand 1 was 1,5m, de afstand van hand 1 tot hand 2 was 0,75m (hand twee bevond zich op het uiteinde van de stok). Bereken de krachten F1 en F2 die werken in de punten A en B (dus de plaats van de twee handen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs: coulombkracht is conservatief en bereken hiermee de potentiële energie in een centraal coulombkrachtveld. Bereken de energie van atomaire elektronen op de klassieke manier.&lt;br /&gt;
*Toon de microscopische oorzaak aan van viscositeitskracht. Verband tussen volumedebiet en drukgradiënt vertrekkende van het snelheidsprofiel (niet berekenen). &lt;br /&gt;
*Denkvraagjes &lt;br /&gt;
**Asteroïde in een elliptische baan rond de zon, omlooptijd van 90 dagen. Bestaat er gevaar voor botsing met aarde ? &lt;br /&gt;
**Astronaut die uit een open beker drinkt met een rietje. Gaat dit makkelijker op de maan, waar de valversnelling 1/6 van die op de aarde is, dan op aarde ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Plaat voert een harmonische trilling uit met amplitude 1.5m en frequentie 0.25Hz. Op de plaat ligt een blok, berekenen de minimale wrijvingscoëfficient tussen de blok en de plaat. &lt;br /&gt;
*2 geluidsbronnen op A(x=0,y=0) en B(x=0,y=2) die sferische golven uitsturen met 880Hz. als we nu vanuit A in de x-richting wandelen, waar constructieve interferentie ? Waar destructieve interferentie ? Wat is de drempelfrequentie zodat er geen destructieve interferentie meer zou optreden ? (snelheid geluid in lucht= 340m/s)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*vraag over hoofdstuk 5. Rotatie-energie. Bewijs behoud van impuls aldaar en geef een voorbeeld naar keuze waarbij de energie veranderd door inwendige krachten. Ge moest dus halterman-demo geven &lt;br /&gt;
*Mechanische energie bij slinger. Bewijs blabla weet ni meer twas alleszins veeeeel moeilijker als die reeks van 8 uur. Kdenk da Silverans het grappig vind om mij als enigste geoloog de kutvragen te geven terwijl de rest &amp;quot;makkelijke&amp;quot; krijgt. &lt;br /&gt;
*Denkvraag: 2 coördinaten in een stelsel: de ene is x = iets me sinus(t) blabla en de andere is y = cosinus(t) blabla. Correleren en bewijzen dat er behoud van impuls is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een pin is opgehangen in de ruimte. een massa aan een touw wordt losgelaten en kan zo dus rond die pin draaien. Bereken de minimale hoogte die je moet geven aan het touwtje om te slagen (zie bijgevoegde tekening) &lt;br /&gt;
*Gelijkend (van oplostechniek) op die van de reeks van 8uur. maar wel anders. Zo&#039;n cilinder die in een olievatje zit en ronddraait. bereken de visicositeitscoëfficiënt en nog een hele reutemeteut. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as. Leidt de bewegingsvergelijking af, vertrekkend van de rotationele vorm van de bewegingsvergelijking van een stelsel van deeltjes.Leidt af en bespreek de dynamica en energie van een wiskundige slinger. &lt;br /&gt;
*Interatomaire kracht. Leidt deze af en bespreek deze tussen 2 atomen in een diatomisch molecule. En dan nog iets over een speciaal geval hierbij. &lt;br /&gt;
*2 krachten grijpen aan op een massa F1 = b.et F2 = k.v met b, et, k en v constant. Toon aan dat dezekracht(en) (niet) conservatief is (zijn). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een slinger met massa 1kg en lengte 0,5m wordt horizontaal losgelaten. Op de grond ligt een massa B waar de slinger tegen botst en waardoor deze massa gaat bewegen naar rechts. Aanvankelijk is er geen wrijving tussen de massa en de grond, maar na een tijdje wel, de dynamische wrijvingscoëfficient is 0,5. Door de botsing met de massa beweegt de slinger nog steeds verder maar wordt de maximale uitwijkingshoek 60°. Wat is de massa van B ? Op welke afstand komt de massa tot stilstand ? &lt;br /&gt;
*Twee vaten met olie met gegeven rho en n. Beide vaten zijn verbonden door een pijplijn van 1km en straal 20cm en tussen de openinen van de vaten zit een hoogteverschil van 30m. Vanuit het ene vat wordt olie naar het andere vat bergop gepompt met een volumedebiet van 1,5 m³/s. Bereken het drukverschil tussen de in -en uitgang van de pomp. (ofzoiets) Wat is het vermogen van de pomp ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
*Stelsel van deeltjes: &lt;br /&gt;
**Leid de dynamica van de bewegingsvergelijking af van de relatieve beweging in een 2 deeltjes stelsel o.i.v inwendige krachten. &lt;br /&gt;
**Analyseer de dynamica van 2 atomige moleculen. &lt;br /&gt;
*Rotationele vorm van de bewegingsvgl van een Vormvast object met een vaste rotatie as: &lt;br /&gt;
**Leid af te beginnen met de rotationele bewegingsvgl van een stelsel van deeltjes. &lt;br /&gt;
**Leid de rotatiearbeid en de rotatie-energie af. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de dynamische bewegingsvergelijking van de relatieve beweging van 2 deeltjes af+ bespreek dynamica diatomische molecule &lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as in een IS: leid bewegingsvergelijkingaf + leid ook rotatie-energie af. &lt;br /&gt;
*Bespreek de invloed van de zwaartekracht op hydrostatische druk bij gassen en vloeistoffen en geef een grafiek van de druk boven en onder een wateroppervlak. &lt;br /&gt;
*Geef de karakteristieken van een geleider in elektrostatisch evenwicht en bewijs deze. &lt;br /&gt;
*Bereken het elektrisch veld en elektrische potentiaal van een volle geladen geleidende bol.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa (m1 = 5 kg) ligt op een oppervlak (µd = 0,2), en is verbonden met een massa aan een wrijvingloze katrol (m2 = 2 kg). Aan de andere kant van m1 werkt een trekkracht (1N), onder een hoek van 30° met de horizontale. Wat is de versnelling van beide massa&#039;s, en wat is de spankracht van het touw? &lt;br /&gt;
*Twee massa&#039;s, van respectievelijk 1,6 en 2,1 kg bewegen naar elkaar toe op een wrijvingloos oppervlak, met snelheden v1i = 4m/s, v2i = 2,5 m/s. Aan m2 is een veer vastgehecht met veerconstante k=600 N/m. Wat is de snelheid van m2 wanneer de snelheid v1f = 3 m/s, en wat is op dat moment de indrukking van de veer? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Relatieve beweging (+ interpreteren en toepassen op diatomische moleculen) &lt;br /&gt;
*Energiedichtheid van een mechanische harmonische golf (+ andere grootheden van energietransport definiëren) &lt;br /&gt;
*Bereken elektrische veldsterkte bij twee evenwijdige tegengesteld geladen vlakke platen. Ook potentiaal berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Twee massa&#039;s aan een touw over een wrijvingloze katrol, de ene recht naar beneden, de andere op een hellend vlak (55°) zonder wrijving. 2 en 6 kg. Bereken &lt;br /&gt;
**de versnelling &lt;br /&gt;
**de spanning in het touw &lt;br /&gt;
**de snelheid na 2 sec. als het vanuit rust vertrok. &lt;br /&gt;
*Een massa (4 kg) beweegt aan een veer (k = 100 N/m) op een wrijvingsloos oppervlak. A = 2m. Als het zich op de evenwichtspositie bevind, dropt men er een massa bovenop van 6 kg. Bereken &lt;br /&gt;
**het verschil in amplitude, &lt;br /&gt;
**het verschil in periode, &lt;br /&gt;
**het verschil in energie &lt;br /&gt;
**verklaar waarom er een energieverschil is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*viskeuze laminaire stroming in een buis: &lt;br /&gt;
**Vertrek van het snelheidsprofiel (niet berekenen) om het verband tussen drukverloop en volumedebiet te berekenen, en interpreteer. &lt;br /&gt;
**Bereken en bespreek de omzetting van mechanische energie in niet mechanische energie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*de wiskundige voorstelling van de golfvergelijking en pas dit toe op een harmonische golf en leid hiervan de fysische grootheden af die tijds en plaatsafhankelijk zijn &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geisoleerd stelsel van twee deeltjes. Leidt de bewegingsvergelijking af en interpreteer. Geef aan hoe je tot de formule van vibratiefrequentie komt. &lt;br /&gt;
*Energiedichtheid in een golf. Afleiden en grootheden die met energietransport te maken hebben definiëren. &lt;br /&gt;
*Twee vlakke evenwijdige tegengesteld geladen platen in een vacuüm. Geef de elektrische veldsterkte tussen de platen en leidt de vergelijking voor de potentiaal af en geef grafiek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven 2 massa&#039;s verbonden door een koord, eentje van 2 kilo hangt vrij naar beneden, de ander van 6 kilo ligt op een helling van 55 graden, koord gaat over een katrol. Systeem is wrijvings- en weerstandsloos, bereken &lt;br /&gt;
**Versnelling van beide massa&#039;s &lt;br /&gt;
**Spankracht in het koord &lt;br /&gt;
**Snelheid van beide massa&#039;s na t = 2s. &lt;br /&gt;
*Een massa van 4 kg oscilleert (werd niet gezegd maar hier kwam het wel op neer) op een horizontaal vlak (amplitude = 2 meter) en is aan een vaste wand verbonden met een veer (k = 100N/m). Als de massa op haar evenwichtspositie is laat iemand er een blok van 6 kg op vallen, massa&#039;s blijven mooi samen, systeem oscilleert rustig verder. Bereken &lt;br /&gt;
**Verandering van amplitude &lt;br /&gt;
**Verandering van periode &lt;br /&gt;
**Geef ook de verandering van energie (als die er dan al zou zijn...) en verklaar. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Die relatieve beweging van het 2delig stelsel (RMS) en interpretatie. En dan ook die uitleggen bij de dynamica van de diatomische moleculen *Gravitatiekracht=conservatieve: bewijs? Vanuit dat bewijs de E&amp;lt;sub&amp;gt;p&amp;lt;/sub&amp;gt; geven en definitiee van gravitatiepotentiaal en de SI-eenheid &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa mA rust op de tafel, met een veertje erop in verticale richting en daarop een massa mB. Beide massas zijn 10kg en de k=100 (blablaeenheid). Vraag: hoeveel indrukking als beide massa’s in rust zijn en hoeveel indrukking om mA van de grond te late &amp;quot;springen&amp;quot;. &lt;br /&gt;
*Een kogel wordt afgeschoten en raakt een horizontaal gelegd wiel , die kogel blijft in den band vast zitten. Wat is de hoeksnelheid van het wiel als ge weet dat die initieel in rust was? Snelheid kogel = 370 m per s. Massa kogel en wiel gegeven. R van het wiel: 33 cm. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Relatieve beweging: Leid af, interpreteer en pas toe op diatomische moleculen &lt;br /&gt;
*Gravitatiekracht: toon aan dat de gravitatiekracht een conservatieve kracht is, leid de potentiële energie af voor gravitatieveldsterkte, en pas dit toe op de gravitatiepotentiaal. Geef ook de SI-eenheid van de gravitatiepotentiaal. &lt;br /&gt;
*Teken refractie en reflectie en verklaar de wetmatigheden. (cfr Principe van Huygens) &lt;br /&gt;
*Geef hydrostatische druk oiv zwaartekracht bij vloeistoffen en gassen. Teken grafiek. &lt;br /&gt;
*Bij onderdompelen ontstaat een opwaartse kracht, verklaar en interpreteer ! &lt;br /&gt;
*Longitudinale golven in een staaf: analyseer en bereken de snelheid ervan. &lt;br /&gt;
*Laminaire stroming: bereken de formule van het debiet, beginnende van de snelheid in een laminaire stroming (die snelheid moet je dus niet afleiden) en interpreteer. Bespreek en bereken de omzetting van mechanische naar nietmechanischeenergie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa A (Ma=10kg) ligt op een tafel en is via een veer (k=100N/m) verbonden met een massa B (Mb=10kg). &lt;br /&gt;
**hoever wordt de veer ingedrukt als beide massa&#039;s in rust zijn? &lt;br /&gt;
**Over welke afstand moet de veer vervolgens verder worden ingedrukt opdat massa A kan loskomen van de tafel nadat massa B wordt losgelaten? *Beschouw een fietswiel waarvan de as verticaal en vast is opgesteld zoals de figuur aantoont. Een kogel (m=100g) wordt volgens de raaklijn van het wiel in de met zand gevulde band geschoten met een snelheid van 370 m/s. De massa van de band bedraagt 2 kg terwijl de massa van de spaken verwaarloosbaar is. De straal van het wiel is 33 cm. Als je weet dat de kogel in het wiel, dat oorspronkelijk in rust was, blijft vaststeken, wat is dan de hoeksnelheid na het indringen van de kogel? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicum&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*wat is de oppervlakte van onderstaande kader? Bepaal de imprecisie en motiveer je antwoord! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Zuivere rolbeweging: bespreek de kinematica en kinetische energie. en geef de dynamica met behulp van een voorbeeld &lt;br /&gt;
*geef de postulaten van het semi-klassiek atoommodel van bohr en bereken de baanstraal en energie &lt;br /&gt;
*Bespreek het effect van screening &lt;br /&gt;
*Energie en energietransport van een harmonische golf &lt;br /&gt;
*Definieer en bespreek de potentiele energiedichtheid (gebruik de potentiele energiekromme!) en de oppervlaktespanning en geef het verband tussen beide &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek van een laminaire stroming in een buis het verabnd tussen het drukverloop en volumedebiet &lt;br /&gt;
*Bespreek het doppler effect bij mechanische golven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*interfererende golven : staande golven , eigenmodes, resonantie van golven op een snaar. &lt;br /&gt;
*gemiddelde vrije weglengte en de toestandsvergelijking van Van der Waals.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*zuivere rolbeweging: geef de kinematica en de kinetische energie en de dynamica aan de hand van een voorbeeld &lt;br /&gt;
*postulaten van Bohr, de baanstraal en de energieën van atomaire elektronen + leg uit de afscherming bij meeratomige atomen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*definieer en bespreek: energie en energietransport in een golf &lt;br /&gt;
*definieer en verduidelijk oppervlakte-energiedichtheid (potentiaalkromme) en oppervlaktespanning + geef het verband tss beiden &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg uit en interpreteer: bewegingsvergelijkingen van stelsel van deeltjes &lt;br /&gt;
*Geef de postulaten van het semi-klassiek atoommodel van Bohr en de berekeningen voor de baanstralen en baanenergie #Waarom en hoe moet men rekening houden met effect van afscherming? &lt;br /&gt;
*Leid af en bespreek : energie en energietransport in een mechanische harmonische golf. &lt;br /&gt;
*Kinetische gastheorie. Bespreek het principe van equipartitie van energie en hoe men hieruit de temperatuursafhankelijke inwendige energie bekomt van gassen met diatomische moleculen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*2 sterren M1=17,5*massa zon. M2=10,2* massa zon. d=1,16*10^9m de sterren bewegen als een dubbelster rond het mc. bereken de omlooptijd. &lt;br /&gt;
*een figuur: een cilinder op een helling(30°) dat zuiver rolt: I=1/2(mR²) deze cilinder is vastgemaakt met een draad aan een kleinere cilinder die niet kan transleren: Mc=... en r=0,1m #*bereken de spankracht &lt;br /&gt;
**de rotatie energie van het totale systeem als de cilinder 2m verder is gerold &lt;br /&gt;
*Vraag over het practicum : s=100.0m , §s=0.1m en t=2.00s , §t= 0.01s (§ is de imprecisie) Bereken v en bereken vervolgens §v &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
*viskeuze stroming: micrscopisch uitleggen,verband ts volumedebiet en drukverloop aantonen en omzetting van mechanische in nt-mechanische energie uitleggen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Leid af (beginnend van relativistische massa) en interpreteer de formule van de relativistische energie. &lt;br /&gt;
*Bespreek de beweging van de Tol &lt;br /&gt;
*Wet van behoud van energie: leid af en interpreteer Warmtecapaciteit, soortelijke warmte: definities, soortelijke warmte van 2-atomige moleculen, microscopisch belang daarvan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking voor een geïsoleerd stelsel van 2 deeltjesaf en interpreteer. &lt;br /&gt;
**Leg de vibratie van een diatomisch molecule uit, zowel klassiek als kwantumfysisch. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat een Coulombkrachtveld een CKV (conservatief krachtveld) is. Bereken aan de hand van de vorige afleiding de potentiële energie van een lading in het Coulombkrachtveld. Geef de definitie van elektrische potentiaal en pas toe op bovenstaande. &lt;br /&gt;
**Leg uit hoe je de Coulombkracht in meer-elektron-atomen berekent. &lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking van een roterende puntmassa af. (beknopt antwoord) &lt;br /&gt;
*Geometrische optica. #Leg uit wat er gebeurt aan een grensvlak tussen 2 media (cfr. principe van Huygens) kinetische gastheorie. &lt;br /&gt;
**geef de definitie van de grootheden temperatuur en kwadratisch gemiddelde snelheid en verduidelijk hun fysische betekenis &lt;br /&gt;
**leg uit hoe ze aan de absolute temperatuursschaal komen. &lt;br /&gt;
*bespreek de longitudinale golven in een staaf, en leid v af &lt;br /&gt;
**definieer warmtecapaciteit en soortelijke warmte &lt;br /&gt;
**Bespreek de soortelijke warmte van een 2-atomig gasmolecule, en welke microscopische gegevens kan je afleiden uit het verband met de temperatuur &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een wagen rijdt met een snelheid van 90 km/h over een weg die in de bochten een hoek van 20° met de horizontale maakt. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen de banden van de wagen en het wegdek is 0,8. Hoe groot is de straal van de kleinste bocht die de auto kan nemen zonder te slippen. &lt;br /&gt;
*Een object (jojo) bestaat uit 2 delen. De straal van het grootste gedeelte is 10 keer de straal van het kleinste gedeelte (R = 10r). De massa van het totale object is M, het traagheidsmoment t.o.v. de rotatieas wordt benaderd door Ir = ½ MR². Rond de kleinste cilinder is een touw gewikkeld. Het touw wordt op een vast punt stilgehouden. Op t = 0 laat men de jojo los. Bereken de baanversnelling van het massacentrum, en de spankracht in het touw als M = 0,1kg. &lt;br /&gt;
*V1=2*V2. (deze zijn met elkaar verbonden via membraam) als de druk in beide volumes gelijk zijn, is de temperatuur verschillend, als de druk=10^5 Pa, dan is de temperatuur in beide volumes gelijk aan 27°C en hebben we een ideaal gas de temperatuur van volume 1 wordt tot 0°C verlaagd en dat van volume 2 tot 110°C verhoogd,de volumes blijven bij deze temperatuur verandering constant. Wat is de einddruk? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid af en bespreek (die haat ik!): energie en energietransport bij mechanische harmonische golven. geef de vrije weglengte en bespreek &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef het verband tussen cohesiedruk, opp.spanning, en potentiele energie aan het oppervlak. (tis dan de bedoeling da ge die potentiaalkrommen en zo tekent) . Geef ook hun SI-eenheden #capillariteitsdruk: bespreek + afleiding. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Geef de definitie van een conservatieve kracht. Duid aan de hand van een voorbeeld aan hoe we hieraan altijd een potentiele energie kunnen verbinden en leid de formule voor die potentiële energie af.&lt;br /&gt;
*Leid de formule voor de totale relativistische energie af en interpreteer ze. &lt;br /&gt;
*Energie en energietransport: bespreek continuïteitvergelijking en wet van behoud van energie (Bernouilli) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari 2001 ====&lt;br /&gt;
*Relativistische fysica. &lt;br /&gt;
**leid de formule voor lengtecontractie af en bespreek. &lt;br /&gt;
**Geef de afleiding voor de totale relativistische energie van een massa vertrekkende vanuit de formule voor de relativistische massa en bespreek. &lt;br /&gt;
*Afleiding en bespreek voor de harmonische mechanische golf de energie en energietransport. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2000 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
*Verklaar de evenwichtsvoorwaarden van de statica en pas deze ook toe op de zwaartekracht (geef weer met een figuur) &lt;br /&gt;
*Leidt de formule af voor het verband tussen de interatomaire en de macroscopische evenwichtsconstante (figuren!!!) &lt;br /&gt;
*Geef uitleg over de volgende begrippen: de oppervlaktespanning, energiedichtheid, de druk in een gasbel. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van de laminaire stroming vanaf het snelheidsprofiel. Verklaar daarbij de micro-en macroscopische oorsrong, geef de formule van het volumedebiet en de verbruikte hoeveelheid arbeid en energie &lt;br /&gt;
*Geef de gyroscoop en z n gyroscopische effecten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 1999 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
*Bespreek de volkomen inelastische botsing. &lt;br /&gt;
*Geef en bespreek de postulaten van Bohr en bereken de Bohrstraal. &lt;br /&gt;
*Bespreek dispersie en kleurenschifting in een prisma. &lt;br /&gt;
*Bespreek het tunneleffect. &lt;br /&gt;
*Bespreek de zuivere rolbeweging &lt;br /&gt;
*Bespreek reflectie en refractie (leidt de formule met sin af). Maak een tekening (vermeld ook het principe van Huygens).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
*Leidt een formule af voor de versnelling van een kromlijnige beweging. &lt;br /&gt;
*Bespreek: energie en energietransport in een mechanische golf. &lt;br /&gt;
*Bespreek laminaire stroming in een buis.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Gepikt bij de geografen ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het verschil uit tussen statische en dynamische wrijvingskracht. Geef de definities voor hun bijhorende wrijvingscoëfficiënten. Bespreek hoe men deze kan bepalen. Geef tenslotte het verloop weer van de Fw wanneer de ingrijpende tangentiële kracht groter wordt en bespreek dit.&lt;br /&gt;
*Geef de definitie van de gravitatiepotentiaal, gravitatieveldsterkte, gravitatielijnen. Leid af hoe de gravitatiepotentiaal varieert met de hoogte. &lt;br /&gt;
*Bewijs dat de gravitatie conservatief is. Leid hieruit af dat het verschil in gravitatie potentiaal op 2 hoogtes dichtbij de aarde gelijk is aan de valversnelling maal het verschil in hoogte. &lt;br /&gt;
*Definieer het traagheidsmoment van een vast lichaam. Leidt een uitdrukking af (waar het traagheidsmoment expliciet in voorkomt) voor het impulsmoment van een vast lichaam dat roteert rond een as door een vast punt. Toon een voorwaarde aan waarvoor de grootte van het impulsmoment evenredig is met dat van het traagheidsmoment. Vermeld dimensie en eenheden. &lt;br /&gt;
*Toon aan hoe men komt tot een wiskundige voorstelling van een golf. Pas dit toe voor een harmonische golf. Verduidelijk alle grootheden die deze golf karakteriseren en geef hun verband. &lt;br /&gt;
*Kromlijnige beweging van een puntmassa: leid uitdrukkingen af voor de baanversnelling en de normaalversnelling, en analyseer de dynamica van een conische slinger.&lt;br /&gt;
*Definiëer het begrip conservatieve kracht, toon met een voorbeeld aan waarom een puntmassa in een conservatief krachtveld potentiële energie bezit, en maak duidelijk waarom er een unieke relatie tussen arbeid en verandering van potentiële energie is. &lt;br /&gt;
*Definiëer het massamiddelpunt, de impuls en het impulsmoment van een stelsel van deeltjes, en leid af en interpreteer: de bewegingsvergelijking van het massamiddelpunt en de rotationele vorm van de bewegingsvergelijking van een stelsel. &lt;br /&gt;
*Leid af: de dynamische bewegingsvergelijking van de relatieve beweging in een tweedeeltjes stelsel o.i.v. inwendige krachten, interpreteer en pas dit toe op de klassieke beschrijving van de dynamica van diatomische moleculen. &lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as in een inertiaalstelsel: formuleer de wet van behoud van impulsmoment en toon met een voorbeeld naar keuze aan dat inwendige krachten de rotatieenergie kunnen veranderen. &lt;br /&gt;
*Analyseer de beweging van een horizontale tol en gebruik deze analyse om de werking van een gyroscoop uit te leggen en gyroscopische effecten te verklaren. &lt;br /&gt;
*Bespreek de kinematica van de zuivere rolbeweging en de kinetische energie, en analyseer de dynamica van een zuivere rolbeweging op een hellend vlak . &lt;br /&gt;
*Gravitatie: Definieer en verduidelijk de begrippen centraal gravitatieveld, gravitatieveldsterkte en gravitatiepotentiaal. &lt;br /&gt;
*Analyseer de getijdenwerking op aarde en bereken de relatieve grootte van het effect van maan en zon. &lt;br /&gt;
*Toon de microscopische oorsprong van de elasticiteit van vaste stoffen aan, en geef met een voorbeeld het verband aan tussen de microscopische en macroscopische elastische constanten. &lt;br /&gt;
*Leid af, vertrekkend van de relativistische massa: de totale relativistische energie van een massa, en interpreteer het resultaat. &lt;br /&gt;
*Bespreek klassiek én kwantumfysisch de rotatie- en de vibratie-energie van diatomische moleculen, en toon aan hoe men uit rovibrationele emissiespectra informatie bekomt over de moleculen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een staaf met massa m en lengte l rust op een wrijvingloos horizontaal vlak en kan roteren rond een eindpunt (I=ml²). Een projectiel met snelheid v op het vlak in een baan loodrecht op de staaf elastisch tegen het vrije uiteinde van de staaf, waardoor de v van het projectiel 0 wordt. Bereken de massa van het projectiel en de hoeksnelheid van de staaf na de botsing. &lt;br /&gt;
*Welke zou de T zijn van de atmosfeer moeten zijn opdat waterstofmoleculen uit het gravitatieveld zouden kunnen ontsnappen? Aardomtrek=40000km (ant. 10000K). &lt;br /&gt;
*Een student volgt duiklessen en ondervindt dat hij in het zwembad een massa van 0.5kg moet meenemen om op een bepaalde hoogte te blijven zweven. In zeewater, waarvan de dichtheid 2,5% hoger is dan in het zwembad, moet hij 5 van deze gewichten meenemen om op dezelfde hoogte te blijven zweven. Wat is de massa van de student (antw. 71 kg).&amp;lt;/text&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[index.php?title=Categorie:1ste Bachelor]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_I&amp;diff=517</id>
		<title>Algemene natuurkunde I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_I&amp;diff=517"/>
		<updated>2024-03-12T15:39:50Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: TTT november&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;OPGELET: Door wat onduidelijkheid over richtlijnen rond hoofdletters is er een tweede pagina gemaakt met vragen van dit vak: [[Algemene Natuurkunde I]]. De inhoud van die pagina zou naar deze moeten verplaatst worden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Thomas van Riet&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, oefenzitting&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 9&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; juni&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; Nee&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;i&amp;gt;De lessen zijn bijna puur theoretisch met af en toe een klein experiment. Hij gebruikt altijd ppt’s die nagenoeg de cursus herhalen met hier en daar enkele toevoegingen. Dus naar de lessen gaan is normaal wel een pluspunt ook omdat hij uitleg geeft over hoe we aan bepaalde formules komen en wat ze betekenen. Op het examen is hij een zeer aangename en rustige man, maar de hoeveelheid leerstof is toch meer dan genoeg.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt; TTT 27/11 &amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De zwaartekracht in een universum wordt gegeven door F = ((G*m1*m2) / d^3)*r met d de afstand tussen de massa&#039;s en r de eenheidsvector zodat ze elkaar aantrekken. &lt;br /&gt;
** Is de zwaartekracht in dit universum conservatief? Leg uit. &lt;br /&gt;
**Indien conservatief, leidt de formule voor de potentiële energie af.  &lt;br /&gt;
*Een balletje beweegt op een verticale slinger aan een touw met lengte L. Bovenaan de cirkel is de spankracht 2 keer de massa M. &lt;br /&gt;
**Schets de situatie. &lt;br /&gt;
**Wat is de grootte, richting en zin van de nettokracht bovenaan? Teken. &lt;br /&gt;
**Wat is v(0) bovenaan de cirkel? &lt;br /&gt;
**Op het hoogste punt wordt het touw doorgeknipt. Bereken de tijd voor de massa de grond raakt. &lt;br /&gt;
**Bereken de afstand tot de massa de grond raakt. &lt;br /&gt;
*Gegeven tekening: 2 blokken met massa M en m op elkaar gestapeld die op een helling staan met hoek theta. Aan massa M wordt met een kracht F horizontaal getrokken. De helling is wrijvingsloos, tussen de 2 blokken is er een statische wrijvingscoëfficiënt mu(s) &lt;br /&gt;
**bereken de maximale grootte van F zodat er geen verplaatsing van is van m tov M.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een snaar van 1m lang en 2mm dik. Wat is de golflengte van de grondtoon? Wat is de golflengte van dezelfde noot maar 1 octaaf hoger? &lt;br /&gt;
*Hoe zweven astronauten in het ISS? &lt;br /&gt;
*Een persoon op aarde springt. Het lijkt alsof er impuls en energie uit het niets ontstaat. Waarom is dit niet zo? Hoe blijven impuls en energie behouden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Slinger van lengte L met massa m die onder het ophangpunt rond een ander punt, ergens halverwege de slinger, draait waardoor de slinger lengte l heeft. De massa start in rust op de plaats waar de slinger een rechte hoek maakt rond het punt halverwege de slinger. &lt;br /&gt;
**Wat is de spankracht in het touw onder het ophangpunt (ifv m, g, L, l)? &lt;br /&gt;
**Wat is de maximale hoek van de slinger als die de andere kant (die met lengte L) bereikt? &lt;br /&gt;
*Een grote cilinder met diameter D en hoogte H die half gevuld is met vloeistof B van boven en vloeistof A vanonder die niet mengen. Beneden aan de buis, op hoogte h, wordt een gat met diameter d gemaakt waar de vloeistof met snelheid v0 uitstroomt. &lt;br /&gt;
**Wat is de druk net buiten het kleine gat? &lt;br /&gt;
**Wat is de druk op de scheidingslijn tussen vloeistof A en B? &lt;br /&gt;
**Wat is de verhouding tussen v0 en v1 als v1 de snelheid is waarmee het vloeistofoppervlak in de grote cilinder daalt? &lt;br /&gt;
**Geef een functie voor v0 (ifv h,H,g,D,d, dichtheid A, dichtheid B) &lt;br /&gt;
*Een katrol waar een touw over gaat. Aan de ene kant een veer met k die aan de grond vast gemaakt is, aan de andere kant een massa m. &lt;br /&gt;
**Wat is de uitrekking van de veer als het systeem in evenwicht is? &lt;br /&gt;
**Als de spankracht op het touw links Tl is en de spankracht rechts Tr, geef dan de formule van Newton voor rotaties. &lt;br /&gt;
**Geef een verband tussen de versnelling van de massa en de hoekversnelling van de katrol. &lt;br /&gt;
**Als het systeem licht uit evenwicht gebracht wordt, wat is dan de frequentie van de oscillatie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Korte vragen: &lt;br /&gt;
**tekenen van krachten op blokken&lt;br /&gt;
**fietswiel met een man op een schijf &lt;br /&gt;
**hoe de krachten en impulse momenten veranderen als je het impuls moment verandert&lt;br /&gt;
**wat gebeurt er met impuls moment en energie als een raket ompploft&lt;br /&gt;
**iets met op een staaf slaan. &lt;br /&gt;
*Lange vragen: &lt;br /&gt;
**Een kogel schiet in een blok die verbonden is met een veer, bereken de initiele snelheid van de veer en hoeveel kinetische energie er is verloren gegaan bij het beschadingen van de blok (bij bewegen was er ook wwrijving), wat gebeurt er als je een massa op een veer laat vallen vooral dingen uit tekenen, de snelehied in formulle vorm berekenen van hoe snel water uit een vat stroomt in functie van y1,y2,r1,r2 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Korte vragen: 4 meerkeuze met giscorrectie (-1/4 indien fout) en 1 vraag over kwantumdingen. &lt;br /&gt;
*Venturimeter: &lt;br /&gt;
**Toon aan dat deze formule klopt: v1 = A2*((2*(P1-P2))/(&#039;rho&#039;*(A1²-A2²)))^(1/2). Met v1 = snelheid van het water in brede deel, P1 = druk in brede deel, P2 = druk in smalle deel, A1 = diameter van brede deel, A2 = diameter van smalle deel. &lt;br /&gt;
**Bereken v2 = snelheid van het water in smalle deel met gegeven: A1 = 3,0cm, A2 = 1,0cm, drukverschil = 18 mm Hg, dichtheid van kwik is gegeven. &lt;br /&gt;
*Kanonskogel: er wordt een kanonskogel recht omhoog afgeschoten met massa M. Op zijn hoogste punt ontploft de kogel in 2 gelijke stukken met massa M/2. De energie E die hierbij vrijkomt wordt integraal omgezet naar de horizontale beweging van deze stukken. De stukken komen neer op de grond, wat is de afstand d tussen deze stukken op de grond. Geef d in functie van E, ???.&lt;br /&gt;
*Vraag over trillingen en golven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Interstellar: &lt;br /&gt;
**Waarom draait het ruimteschip rond eigen as? &lt;br /&gt;
**Hoeveel omwentelingen per minuut moet het ruimteschip maken om de omstandigheden op aarde na te bootsen? &lt;br /&gt;
**Hoeveel energie is er nodig? &lt;br /&gt;
*Traagheidsmoment: Ettelijke formules van op het formularium bewijzen of afleiden. &lt;br /&gt;
*Vloeistoffen: &lt;br /&gt;
**Bewijs de continuïteitsvergelijking &lt;br /&gt;
**Wat kan er bij vloeistoffen vaak vereenvoudigd worden? &lt;br /&gt;
**Bewijs de wet van Bernouilli &lt;br /&gt;
*Korte vragen: &lt;br /&gt;
**Er zijn 2 golven, alles is hetzelfde behalve de golflengte. Golflengte van golf1 is dubbel zolang als die van golf2, wie verplaatst het meeste energie? &lt;br /&gt;
**Als de lichtsnelheid oneindig groot zou zijn, wat gebeurt er dan met de tijddilatie en de lengtecontractie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie en oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Elektron heeft een massa van 9.11*10^(-31)kg en er is experimenteel aangetoond dat ze verspreiden tot wel 1.80*10^(-27)kg. Het impulsmoment is √(3⁄4)∙ ℏ &lt;br /&gt;
**Hoe wordt dit getal √(3⁄4)∙ ℏ voor het impulsmoment van een elektron bekomen &lt;br /&gt;
**Wat is de hoeksnelheid van het elektron (elektron als een bol beschouwd) &lt;br /&gt;
**Wat is de lineaire snelheid van een punt aan de rand van het elektron &lt;br /&gt;
**Als jet het voorgaande goed gedaan hebt bekom je een grootteorde van 1013. Welke conclusies kan je hieruit halen? &lt;br /&gt;
*Wat is het werk-energie-theorema , leg uit? De definitie van arbeid moet je niet geven. &lt;br /&gt;
**alpinebergbeklimmers zitten vast op een helling en jij moet ze helpen met een pakket met massa m naar boven te sturen. &lt;br /&gt;
**teken de krachten en eventueel andere zaken op de figuur die nodig zijn om de arbeid te bepalen &lt;br /&gt;
**geef de groote van de krachten op je figuur in de vorm van h, α en g. &lt;br /&gt;
**Bereken de netto arbeid aan de hand van de formules uit je formularium &lt;br /&gt;
**Bereken de minimale snelheid die nodig is om het pakketje naar boven te brengen &lt;br /&gt;
**conceptvraag: Is deze snelheid dezelfde als de eindsnelheid van het pakje als we deze van boven naar beneden laten komen? Antwoord met ja of nee en verklaar duidelijk waarom. &lt;br /&gt;
*Er een bewegend platform met een luidspreker met f0 = 245Hz. Het platform beweegt met een snelheid vp naar een muur. Een persoon langs de luidspreker hoort de luidspreker en de weerkatsing van de muur. (nog iets met een zweving van 700Hz) we delen de vraag op in stukken: &lt;br /&gt;
** Als ft de frequentie is van de weerkaatste golf, wat is dat de zweving voor de persoon op het platform &lt;br /&gt;
** Een waarnemer staat tegen de muur en hoort een frequentie fm. Bepaal deze frequentie in formulevorm. &lt;br /&gt;
** voeg nu alles samen en bepaal b= (ft-f0)/f0 . Wat is de waarde van b volgens de opgave. &lt;br /&gt;
** Bepaal nu de snelheid, vp, van het platform. Schrijf deze eerst op in functie van b en daarna de waarde. &lt;br /&gt;
*De beweging van een zuiger aan de zijkant van het wiel van een automotor (draaiend object) is bij benadering dezelfde als van een enkelvoudige harmonische beweging. Verklaar waarom. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Zuiver Rollen: &lt;br /&gt;
**beschrijf de kinematica van de zuivere rolbeweging &lt;br /&gt;
**leid de formule af: v(mc)=R*omega en geef het verband tussen versnellingen a en alfa &lt;br /&gt;
**geef 2 verschillende formules voor kinetische energie door een andere rotatieas te kiezen, welke stelling verbind deze formules met elkaar &lt;br /&gt;
**beschrijf de dymanica van de zuivere rolbeweging. welke bewegingsvergelijkingen hebben we nodig?&lt;br /&gt;
**een bol of cilinder rolt op een horizontaal oppervlak, er werkt een kracht F op in. Welke kracht is noodzakelijk voor de rolbeweging? Hoe groot is deze kracht(in functie van andere grootheden). &lt;br /&gt;
*Kleine vraagjes &lt;br /&gt;
**een slingerklok loopt op zeeniveau exact gelijk. Wanneer we de klok meenemen naar grote hoogte, loopt de klok dan achter of voor en verklaar. &lt;br /&gt;
**wat is het verschil in weglengte om destructieve interferentie te bekomen, het zijn 2 lichtgolven met frequentie=10^14 &lt;br /&gt;
**stel dat de lichtsnelheid gelijk is aan 10m/s. een fietser heeft schrik om zichzelf kleiner te zien, is dit zo? hoe ziet de fietser de stilstaande voorbijgangers (dunner of dikker)? een stilstaande waarnemer ziet het fietswiel dubbel zo smal als normaal, hoe snel rijdt de fietser? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*situatie: een bal rolt tegen een blok die vasthangt aan een veer, geen wrijving. gegeven: snelheid bal in het begin, k, massa&#039;s &lt;br /&gt;
**de bal rolt meteen terug, wat is zijn eindsnelheid? &lt;br /&gt;
**wat is de amplitude van de trilling &lt;br /&gt;
**wat is de maximale versnelling van het blok dat vathangt aan de veer &lt;br /&gt;
*geometrische optica: tekening gegeven van prisma waar stralen op invallen &lt;br /&gt;
**wat is de maximale breekingsindex van het prisma zodat er geen interne refractie optreed &lt;br /&gt;
**bepaal refractiehoek #indien de breekingsindex te klein is voor inwendige reflectie, kan dit dan opgelost worden door de invalshoek te wijzigen (initieel is de invalshoe 45°) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Welke grootheden blijven constant bij de volgende situaties? &lt;br /&gt;
** Welke grootheden met dimensie (MLT-1) zijn er behouden voor een puntdeeltje waar geen kracht op inwerkt? &lt;br /&gt;
** Welke grootheid is behouden voor een deeltje waar een conservatieve kracht op inwerkt? &lt;br /&gt;
** Welke grootheid is behouden in een interagerend systeem? #*Welke andere grootheden zijn er behouden voor een object met een vast punt (mogelijk niet een vormvast object) waarop geen krachtmoment t.o.v. dit punt inwerkt? &lt;br /&gt;
* Gravitatie: &lt;br /&gt;
** Bewijs dat de algemene gravitatiekracht uitgeoefend door een deeltje op een ander deeltje een conservatieve kracht is. Beschouw hiervoor de beweging van een puntdeeltje met massa m dat de zwaartekracht van een ander deeltje met massa M voelt, waarbij M in rust is in een referentiesysteem. Structureer je antwoord als volgt; eerst schrijf je wat je moet bewijzen, dan geef je het bewijs en vergeet niet om elk symbool dat in je formule voorkomt te verklaren. &lt;br /&gt;
**Bereken aan de hand van dit bewijs de E&amp;lt;sub&amp;gt;p&amp;lt;/sub&amp;gt; van een massa in een centraal gravitatie krachtveld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Stel een blok M voor (m = 1.990kg !opgelet 1990g, geen 1990kg, wetenschappelijke schrijfwijze van getallen) dat stil ligt op een vlak. Er wordt een kogel met m = 10g in dit blok geschoten (v&amp;lt;sub&amp;gt;kogel&amp;lt;/sub&amp;gt; = 100m/s), waardoor het blok begint te glijden over het oppervlak met een dynamische wrijvingscoëfficiënt U&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na 19cm botst het blok tegen een veer, met veerconstante K = 0,2N/m, die in rust was, maar over 3cm is ingedrukt. Nu wordt het blok teruggeduwd, waarbij het na zo’n 28cm (vanaf het punt waar de veer maximaal was ingedrukt), stilvalt. Bereken de dynamische wrijvingscoëfficiënt U&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Een hele vraagstelling, maar eigenlijk komt het gewoon neer op het afleiden van de hoek Θ gemaakt door een conische slinger. (De officiële vraag was iets van een klein meisje dat een spelletje wilt spelen en hier kiest ze uiteraard een conische slinger vooruit!)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beschrijf algemeen de arbeid en energie van inwendige en uitwendige krachten op een vaste stof. &lt;br /&gt;
*Bereken de elastische energie bij torsie. &lt;br /&gt;
*Analyseer de bewegingsvergelijking, de beweging en de karakteristieken van de torsieslinger. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Op een racebaan kan je de snelheid van de voorbijrijdende auto&#039;s schatten door het luisteren naar de frequentie bij het naderen en verwijderen van de auto&#039;s. Als er een auto passeert, daalt de waargenomen frequentie met een octaaf (de helft van de frequentie), wat is de snelheid van de auto? &lt;br /&gt;
*2 grafieken gegeven van een verschillende zweving).&amp;lt;br&amp;gt;Een samengestelde geluidsgolf kan men ontbinden in 2 componenten met elk hun eigen frequentie. Van welke grafiek liggen de frequenties van de componenten het dichtst bij elkaar? &lt;br /&gt;
*Kan een tijdsvertraging en lengtecontractie voorkomen bij snelheden van 90km/h?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een massapunt op een gebogen baan, vergelijk de snelheidsvector en de versnelingsvector met de raaklijn aan de baan. &lt;br /&gt;
* Leg uit hoe we kunnen komen tot een beschrijving van de pseudokracht in een rotatie. &lt;br /&gt;
* Beschrijf de dynamica en de energie van een bol die van een schuin wrijvingsloos opp rolt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een bol van 1,8kg hangt aan een gewichtsloos koordje. Deze wordt geraakt door een kogel van 0,2kg. Het hoogste punt van de swing beweging van de bol is 20cm.&amp;lt;br&amp;gt;Bepaal de snelheid van de kogel voor het de bol trof.&amp;lt;br&amp;gt;(volledig inelastische botsing etc. Antwoord is waarschijnlijk 20m/s).&lt;br /&gt;
* Tekening van een massa die opgehangen was met verschillende touwen met verwaarloosbare massa en een lat. De bedoeling was om de krachten van de opgehangen massa op bepaalde punten te bepalen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Is de versnelling van een puntmassa afhankelijk van het IS waarin de beweging wordt geobserveerd? (Geef bewijs bij uw antwoord) &lt;br /&gt;
* Geef de redenering en afleiding om tot een formule voor de kinetische energie te bekomen. &lt;br /&gt;
* Leg de werking van de gyroscoop uit en verklaar de gyroscopische effecten. Gebruik de gepaste bewegingsvergelijkingen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Een bol van 1,8kg hangt aan een gewichtsloos koordje. Deze wordt geraakt door een kogel van 0,2kg. Het hoogste punt van de swing beweging van de bol is 20cm.&amp;lt;br&amp;gt;Bepaal de snelheid van de kogel voor het de bol trof.&amp;lt;br&amp;gt;(volledig inelastische botsing etc. Antwoord is waarschijnlijk 20m/s). &lt;br /&gt;
* Tekening van een massa die opgehangen was met verschillende touwen met verwaarloosbare massa en een lat. De bedoeling was om de krachten van de opgehangen massa op bepaalde punten te bepalen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Stel de bewegings vgl op van een gedwongen trilling van een massa. &lt;br /&gt;
*Leid een uitdrukking af en bespreek de energie overdracht van de uitwendige kracht. &lt;br /&gt;
*Bespreek het golfgedrag van een materiedeeltje en gebruik hier ook het onzekerheid beginsel in van impuls en posititie. &lt;br /&gt;
*Bespreek en verklaar het tunneleffect. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg de conische slinger uit. &lt;br /&gt;
*Vormvaste objecten uitleggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Situatie, blok A en B, beiden dezelfde massa, 10kg. Blok A en B zijn verbonden door een veer met k=100N/m. A ligt op de grond en verticaal daarboven hangt B. &lt;br /&gt;
**Als we B loslaten, hoe diep wordt de veer dan ingeduwd? &lt;br /&gt;
**Hoe diep moet B ingeduwd worden zodat wanneer we B loslaten A ook van de grond zal komen? (gebruik behoud van energie en vergeet de Pot.Grav. energie niet !!)&lt;br /&gt;
*Situatie, een schijf met massa 0,2kg wordt verticaal omhoog geworpen met v=6m/s. Op zijn hoogste punt wordt de schijf getroffen door een kogel met m=0,1kg en v=300m/s. De schijf breekt in 2 gelijke stukken (dus elk stuk m=0,1kg). Het ene stuk vliegt verticaal omhoog met een snelheid van 10m/s. Het andere stuk vangt de kogel op en vliegt samen met de kogel weg. Waar zal het stuk met de kogel neerkomen? (gebruik het behoud van impuls, wanneer de schijf zijn hoogste punt bereikt is Ekin, evenals impuls = 0) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De coulombrackt is een centraal krachtveld, leid af en gebruikt dit om de potentiële energie van een elektron te berekenen. &lt;br /&gt;
*Bereken de totale energie van een elektron van een één-elektron atoom. &lt;br /&gt;
*Wat is de continuiteitsvergelijking van een stationair stromend fluidum? &lt;br /&gt;
*Geef de wet van Bernoulli. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een blokje bevindt zich tussen 2 veren. &lt;br /&gt;
**Waarom werkt er een kracht van 18N op het blokje? &lt;br /&gt;
**Geef de vergelijking voor het blokje op t(0). &lt;br /&gt;
*Eigenfrequente, 3&amp;lt;sup&amp;gt;de&amp;lt;/sup&amp;gt; harmonische toon en massa per lengte eenheid bepalen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de redenering + beschrijving om te komen tot een uitdrukking voor kinetische energie van een puntmassa. *Toon aan dat het zwaartepunt van een object samenvalt met het massacentrum. &lt;br /&gt;
*Gebruik de rotationele vorm van de bewegingsvgl van een object om de beweging van een horizontale tol te verklaren en zijn precessie-hoeksnelheid te bekomen. Welke krachten oefent het steunpunt op de tol uit? (volledige beschrijving van elke kracht) &lt;br /&gt;
*Hoe werkt een gyroscoop &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Centrale botsing: Twee objecten met respectievelijk m=0.8 en 0.5 botsen op elkaar met respectievelijke snelheid v=0.3 en 0.5. 1 buigt 30° af en heeft snelheid x (was gegeven maar herinner me niet meer, was in ieder geval lager dan beginsnelheid). 2 buigt ook af, geef de hoek en snelheid van 2. En bespreek of het hier gaat om een elastische botsing. &lt;br /&gt;
*Er staat een blokske met m=10kg op een schuine plank(37° en µ(dynamisch) =0.4), aan t blokske hangt een touwtje naar boven, dat rond een volle cilinder is gedraaid, deze cilinder beweegt wrijvingsloos en heeft m=100(ben niet zeker) Het blokje schuift vanuit rust naar beneden. Geef de bewegingsvergelijking, versnelling en spankracht. Bespreek het verschil in E&amp;lt;sub&amp;gt;pot&amp;lt;/sub&amp;gt; (begin) van het blokje en E&amp;lt;sub&amp;gt;kin&amp;lt;/sub&amp;gt;(eind) van het blokje, waarom verschillen deze en hoe verklaar je dit? (Ik denk dat je dit vraagstuk het beste oplost met gebruik van het arbeids-energie theorema) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &amp;lt;u&amp;gt;1,5u mondelinge voorbereiding&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beschouw: Viskeuze laminaire stroming in een buis. &lt;br /&gt;
**Vertrek van het snelheidsprofiel(niet zelf berekenen) om het verband tussen drukverloop en volumedebiet te berekenen en interpreteer.&lt;br /&gt;
**Bereken en bespreek de omzetting van mechanische energie in niet mech. energie &lt;br /&gt;
*Relativistische fysica: &lt;br /&gt;
**Leid af en bespreek: de formule voor lengtecontactie &lt;br /&gt;
**leid af vertrekkende van de relativistische massa: de totale relativistische energie van een massa en interpreteer het resultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Resterende examen tijd (totaal, mondeling+oefeningen = 4u) &amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Schets: Stalen kabel (l=2m, diameter= 4mm, elasticiteits modulus=2.10&amp;lt;sup&amp;gt;11&amp;lt;/sup&amp;gt; N/m²) loopt over katrol met wrijvingsloze massa en weerstand en verbindt twee opgehangen massas, m1 en m2 met respectievelijk massa=3 en 5kg. Vraag: bereken de uitrekking van de kabel wanneer het systeem in beweging is... &lt;br /&gt;
*Een blok met massa m=5kg ligt op een hellend vlak en is verbonden met een veer (veer loopt parallel aan het vlak en hangt aan een vastpunt) Blok wordt 0,10m omlaag getrokken (langs het vlak) en uit rust losgelaten waardoor het begint te oscilleren. De wrijvingskracht is evenredig met de snelheid (Dempingscte.=b=1Ns/m). De uitwijking van het systeem bij de tweede periode is 75% van de uitwijking bij de eerste periode. Vraag: bereken de pulsatie, de veer cte en geef de uitwijking van den blok ifv. den tijd... (ter informatie, de hellingshoek was ni gegeven) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*leg uit oppspanning en opp-potentiele energie en leg het verband uit dan ook nog capillariteit en hoek dat een vloeistof maakt met wand uitleggen #kwantumfysica de postulaten op te sommen en dan baanstraal en de energie te geven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking af van een puntmassa in een niet-intertiaalstelsel (NIS) met versnellende oorsprong en translerende assen. Toon hiermee het al dan niet geldig zijn aan van de drie basiswetten van de dynamica (wetten van Newton) in dit NIS. &lt;br /&gt;
*Analyseer de beweging van een horizontale tol en gebruik deze analyse om de werking van een gyroscoop uit te leggen en gyroscopische effecten te verklaren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een kogel met massa 4 gram raakt een lat in rust. De afstand van het middelpunt tot de top van de lat is 1 meter. De kogel raakt de lat in de helft van deze afstand. Het middelpunt van de lat met massa 300g staat 1 meter boven de grond. Na het doorboren van de lat valt de kogel 100 meter verder op de grond. Bereken nu de hoeksnelheid die de lat krijgt als je weet dat de kogel oorspronkelijk 250m/s bewoog. &lt;br /&gt;
*Beschouw een hefsysteem met R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt;=0.5m en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;=0.2m. Er hangen twee massa&#039;s aan met M&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt;=2kg en M&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;=1.8kg. Bereken de hoekversnelling en de trekkrachten in de touwen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de wisselwerking van energie en arbeid in het algemeen bij elasticiteit en bespreek en bereken de elastische energie bij torsieen bespreek de oscillatie van de torsieslinger &lt;br /&gt;
*bespreek de microscopische oorsprong van de viscositeitkrachten &lt;br /&gt;
*bespreek laminaire stroming in een buis (niet berekening van snelheid geven) aan de hand van het snelheidsprofiel en bespreek/bereken hierbij het volume debiet en het drukverloop &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bespreek interferentie van 2 golven met zelfde richting, frequentie en tegengestelde zin. en bespreek de energiedichtheid. &lt;br /&gt;
*geef oppervlakteenergiedichtheid, cohesiedruk, oppspanning en toon verband aan (geef ook dimensies en eenheden)bespreek en bereken capillariteitsdruk. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*welk is het maximaal vermogen door de staaf voortgebracht met gegevens: &lt;br /&gt;
**lengte = 2m &lt;br /&gt;
**straal = 0,015m &lt;br /&gt;
**G = 2,8.10^10 Pa &lt;br /&gt;
**maximale torsiehoek = 2,5 graden (anders breekt de cilinder) &lt;br /&gt;
**hoeksnelheid = 120 rad/s #een vat met 2 gaten in op afstand d van elkaar, bereken de plaats (z en x) waar de twee waterstralen elkaar kruisen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Analyseer in het algemeen de globale beweging en de totale energie van een vormvast object &lt;br /&gt;
*Bespreek golven in bulk vaste stoffen in het algemeen en seismische golven in het bijzonder &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een plastic blok (M=0,5kg) is verbonden met een onbelaste veer (k=125N/m). Het blok is initieel in rust op een horizontaal vlak. De dynamische wrijvingscoëfficiënt tussen vlak en blok is 1. Een metalen kogel (m(k)=0,5kg) wordt met een snelheid v(k) =2m/s in het blok geschoten en wordt ogenblikkelijk (t=0) gestopt in het blok. Bereken &lt;br /&gt;
**de initiele snelheid v(i) van het geheel op t=0 &lt;br /&gt;
**de plaats X waar de snelheid nul wordt. Wat gebeurt en daarna en waarom? &lt;br /&gt;
*Een emmer wordt opgehangen aan een veer met veerconstante k=10^3N/m. Wanneer de emmer uit evenwicht gebracht wordt, dan begint hij te oscilleren met een frequentie van 2,9Hz. Nu wordt de emmer gevuld met water. Als hij nu uit evenwicht gebracht wordt, zal hij trillen aan 1,52Hz. Bepaal de massa van de emmer en van het water dat er werd ingegoten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Definieer het begrip conservatieve kracht en verklaar waarom een puntmassa in een conservatief krachtveld potentiële energie bezit. Toon ook het fundamentele verband aan tussen de geleverde arbeid en de potentiële energie. &lt;br /&gt;
*Rotatie van vormvaste objecten: &lt;br /&gt;
**leid, vertrekkende van de definitie van arbeid, de formule voor rotatiearbeid en -energie af &lt;br /&gt;
**geef de algemene verklaring van globale beweging, en leid hieruit de totale kinetische energie af vaneen object, waarbij je vertrekt van de kinetische energie van een stelsel van deeltjes. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een student die een steen vastheeft, bevindt zich op een wagentje dat wrijvingsloos kan bewegen over een horizontaal oppervlak. De student gooit de steen nu horizontaal naar rechts. Wat gebeurt er met het massacentrum? &lt;br /&gt;
**beweegt naar rechtonder; &lt;br /&gt;
**beweegt naar linksonder; &lt;br /&gt;
**beweegt naar beneden; &lt;br /&gt;
**verandert niet. &lt;br /&gt;
*Als al het ijs op de poolkappen van de aarde zou smelten dan zouden de dagen: &lt;br /&gt;
**langer worden; &lt;br /&gt;
**korter worden; &lt;br /&gt;
**even lang blijven. &lt;br /&gt;
*Een veer waaraan een bepaalde massa hangt (die in zijn begintoestand een bepaalde gekende horizontale uitrekking had) beweegt wrijvingloos over een cirkelbaan. Gegeven is de k-waarde, de massa van die blok en de evenwichtpositie (0.6m). Op een figuur stond aangeduid op welke momenten de uitwijking van de veer gelijk was aan die 0.6m, alleszinds op zo&#039;n manier dat je de uitrekking van de veer in de nodige punten kon berekenen... Het was dan de bedoeling om de snelheid van de massa in het laagste punt te gaan berekenen. (moest je (denk ik) gewoon oplossen met behoud van energie) &lt;br /&gt;
*Een student houdt een polsstok vast met twee handen, gegeven was dat de massa van de stok 2,9 kg was en de afstand van het middelpunt van de stok tot hand 1 was 1,5m, de afstand van hand 1 tot hand 2 was 0,75m (hand twee bevond zich op het uiteinde van de stok). Bereken de krachten F1 en F2 die werken in de punten A en B (dus de plaats van de twee handen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs: coulombkracht is conservatief en bereken hiermee de potentiële energie in een centraal coulombkrachtveld. Bereken de energie van atomaire elektronen op de klassieke manier.&lt;br /&gt;
*Toon de microscopische oorzaak aan van viscositeitskracht. Verband tussen volumedebiet en drukgradiënt vertrekkende van het snelheidsprofiel (niet berekenen). &lt;br /&gt;
*Denkvraagjes &lt;br /&gt;
**Asteroïde in een elliptische baan rond de zon, omlooptijd van 90 dagen. Bestaat er gevaar voor botsing met aarde ? &lt;br /&gt;
**Astronaut die uit een open beker drinkt met een rietje. Gaat dit makkelijker op de maan, waar de valversnelling 1/6 van die op de aarde is, dan op aarde ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Plaat voert een harmonische trilling uit met amplitude 1.5m en frequentie 0.25Hz. Op de plaat ligt een blok, berekenen de minimale wrijvingscoëfficient tussen de blok en de plaat. &lt;br /&gt;
*2 geluidsbronnen op A(x=0,y=0) en B(x=0,y=2) die sferische golven uitsturen met 880Hz. als we nu vanuit A in de x-richting wandelen, waar constructieve interferentie ? Waar destructieve interferentie ? Wat is de drempelfrequentie zodat er geen destructieve interferentie meer zou optreden ? (snelheid geluid in lucht= 340m/s)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*vraag over hoofdstuk 5. Rotatie-energie. Bewijs behoud van impuls aldaar en geef een voorbeeld naar keuze waarbij de energie veranderd door inwendige krachten. Ge moest dus halterman-demo geven &lt;br /&gt;
*Mechanische energie bij slinger. Bewijs blabla weet ni meer twas alleszins veeeeel moeilijker als die reeks van 8 uur. Kdenk da Silverans het grappig vind om mij als enigste geoloog de kutvragen te geven terwijl de rest &amp;quot;makkelijke&amp;quot; krijgt. &lt;br /&gt;
*Denkvraag: 2 coördinaten in een stelsel: de ene is x = iets me sinus(t) blabla en de andere is y = cosinus(t) blabla. Correleren en bewijzen dat er behoud van impuls is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een pin is opgehangen in de ruimte. een massa aan een touw wordt losgelaten en kan zo dus rond die pin draaien. Bereken de minimale hoogte die je moet geven aan het touwtje om te slagen (zie bijgevoegde tekening) &lt;br /&gt;
*Gelijkend (van oplostechniek) op die van de reeks van 8uur. maar wel anders. Zo&#039;n cilinder die in een olievatje zit en ronddraait. bereken de visicositeitscoëfficiënt en nog een hele reutemeteut. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as. Leidt de bewegingsvergelijking af, vertrekkend van de rotationele vorm van de bewegingsvergelijking van een stelsel van deeltjes.Leidt af en bespreek de dynamica en energie van een wiskundige slinger. &lt;br /&gt;
*Interatomaire kracht. Leidt deze af en bespreek deze tussen 2 atomen in een diatomisch molecule. En dan nog iets over een speciaal geval hierbij. &lt;br /&gt;
*2 krachten grijpen aan op een massa F1 = b.et F2 = k.v met b, et, k en v constant. Toon aan dat dezekracht(en) (niet) conservatief is (zijn). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een slinger met massa 1kg en lengte 0,5m wordt horizontaal losgelaten. Op de grond ligt een massa B waar de slinger tegen botst en waardoor deze massa gaat bewegen naar rechts. Aanvankelijk is er geen wrijving tussen de massa en de grond, maar na een tijdje wel, de dynamische wrijvingscoëfficient is 0,5. Door de botsing met de massa beweegt de slinger nog steeds verder maar wordt de maximale uitwijkingshoek 60°. Wat is de massa van B ? Op welke afstand komt de massa tot stilstand ? &lt;br /&gt;
*Twee vaten met olie met gegeven rho en n. Beide vaten zijn verbonden door een pijplijn van 1km en straal 20cm en tussen de openinen van de vaten zit een hoogteverschil van 30m. Vanuit het ene vat wordt olie naar het andere vat bergop gepompt met een volumedebiet van 1,5 m³/s. Bereken het drukverschil tussen de in -en uitgang van de pomp. (ofzoiets) Wat is het vermogen van de pomp ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
*Stelsel van deeltjes: &lt;br /&gt;
**Leid de dynamica van de bewegingsvergelijking af van de relatieve beweging in een 2 deeltjes stelsel o.i.v inwendige krachten. &lt;br /&gt;
**Analyseer de dynamica van 2 atomige moleculen. &lt;br /&gt;
*Rotationele vorm van de bewegingsvgl van een Vormvast object met een vaste rotatie as: &lt;br /&gt;
**Leid af te beginnen met de rotationele bewegingsvgl van een stelsel van deeltjes. &lt;br /&gt;
**Leid de rotatiearbeid en de rotatie-energie af. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de dynamische bewegingsvergelijking van de relatieve beweging van 2 deeltjes af+ bespreek dynamica diatomische molecule &lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as in een IS: leid bewegingsvergelijkingaf + leid ook rotatie-energie af. &lt;br /&gt;
*Bespreek de invloed van de zwaartekracht op hydrostatische druk bij gassen en vloeistoffen en geef een grafiek van de druk boven en onder een wateroppervlak. &lt;br /&gt;
*Geef de karakteristieken van een geleider in elektrostatisch evenwicht en bewijs deze. &lt;br /&gt;
*Bereken het elektrisch veld en elektrische potentiaal van een volle geladen geleidende bol.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa (m1 = 5 kg) ligt op een oppervlak (µd = 0,2), en is verbonden met een massa aan een wrijvingloze katrol (m2 = 2 kg). Aan de andere kant van m1 werkt een trekkracht (1N), onder een hoek van 30° met de horizontale. Wat is de versnelling van beide massa&#039;s, en wat is de spankracht van het touw? &lt;br /&gt;
*Twee massa&#039;s, van respectievelijk 1,6 en 2,1 kg bewegen naar elkaar toe op een wrijvingloos oppervlak, met snelheden v1i = 4m/s, v2i = 2,5 m/s. Aan m2 is een veer vastgehecht met veerconstante k=600 N/m. Wat is de snelheid van m2 wanneer de snelheid v1f = 3 m/s, en wat is op dat moment de indrukking van de veer? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Relatieve beweging (+ interpreteren en toepassen op diatomische moleculen) &lt;br /&gt;
*Energiedichtheid van een mechanische harmonische golf (+ andere grootheden van energietransport definiëren) &lt;br /&gt;
*Bereken elektrische veldsterkte bij twee evenwijdige tegengesteld geladen vlakke platen. Ook potentiaal berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Twee massa&#039;s aan een touw over een wrijvingloze katrol, de ene recht naar beneden, de andere op een hellend vlak (55°) zonder wrijving. 2 en 6 kg. Bereken &lt;br /&gt;
**de versnelling &lt;br /&gt;
**de spanning in het touw &lt;br /&gt;
**de snelheid na 2 sec. als het vanuit rust vertrok. &lt;br /&gt;
*Een massa (4 kg) beweegt aan een veer (k = 100 N/m) op een wrijvingsloos oppervlak. A = 2m. Als het zich op de evenwichtspositie bevind, dropt men er een massa bovenop van 6 kg. Bereken &lt;br /&gt;
**het verschil in amplitude, &lt;br /&gt;
**het verschil in periode, &lt;br /&gt;
**het verschil in energie &lt;br /&gt;
**verklaar waarom er een energieverschil is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*viskeuze laminaire stroming in een buis: &lt;br /&gt;
**Vertrek van het snelheidsprofiel (niet berekenen) om het verband tussen drukverloop en volumedebiet te berekenen, en interpreteer. &lt;br /&gt;
**Bereken en bespreek de omzetting van mechanische energie in niet mechanische energie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*de wiskundige voorstelling van de golfvergelijking en pas dit toe op een harmonische golf en leid hiervan de fysische grootheden af die tijds en plaatsafhankelijk zijn &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geisoleerd stelsel van twee deeltjes. Leidt de bewegingsvergelijking af en interpreteer. Geef aan hoe je tot de formule van vibratiefrequentie komt. &lt;br /&gt;
*Energiedichtheid in een golf. Afleiden en grootheden die met energietransport te maken hebben definiëren. &lt;br /&gt;
*Twee vlakke evenwijdige tegengesteld geladen platen in een vacuüm. Geef de elektrische veldsterkte tussen de platen en leidt de vergelijking voor de potentiaal af en geef grafiek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven 2 massa&#039;s verbonden door een koord, eentje van 2 kilo hangt vrij naar beneden, de ander van 6 kilo ligt op een helling van 55 graden, koord gaat over een katrol. Systeem is wrijvings- en weerstandsloos, bereken &lt;br /&gt;
**Versnelling van beide massa&#039;s &lt;br /&gt;
**Spankracht in het koord &lt;br /&gt;
**Snelheid van beide massa&#039;s na t = 2s. &lt;br /&gt;
*Een massa van 4 kg oscilleert (werd niet gezegd maar hier kwam het wel op neer) op een horizontaal vlak (amplitude = 2 meter) en is aan een vaste wand verbonden met een veer (k = 100N/m). Als de massa op haar evenwichtspositie is laat iemand er een blok van 6 kg op vallen, massa&#039;s blijven mooi samen, systeem oscilleert rustig verder. Bereken &lt;br /&gt;
**Verandering van amplitude &lt;br /&gt;
**Verandering van periode &lt;br /&gt;
**Geef ook de verandering van energie (als die er dan al zou zijn...) en verklaar. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Die relatieve beweging van het 2delig stelsel (RMS) en interpretatie. En dan ook die uitleggen bij de dynamica van de diatomische moleculen *Gravitatiekracht=conservatieve: bewijs? Vanuit dat bewijs de E&amp;lt;sub&amp;gt;p&amp;lt;/sub&amp;gt; geven en definitiee van gravitatiepotentiaal en de SI-eenheid &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa mA rust op de tafel, met een veertje erop in verticale richting en daarop een massa mB. Beide massas zijn 10kg en de k=100 (blablaeenheid). Vraag: hoeveel indrukking als beide massa’s in rust zijn en hoeveel indrukking om mA van de grond te late &amp;quot;springen&amp;quot;. &lt;br /&gt;
*Een kogel wordt afgeschoten en raakt een horizontaal gelegd wiel , die kogel blijft in den band vast zitten. Wat is de hoeksnelheid van het wiel als ge weet dat die initieel in rust was? Snelheid kogel = 370 m per s. Massa kogel en wiel gegeven. R van het wiel: 33 cm. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Relatieve beweging: Leid af, interpreteer en pas toe op diatomische moleculen &lt;br /&gt;
*Gravitatiekracht: toon aan dat de gravitatiekracht een conservatieve kracht is, leid de potentiële energie af voor gravitatieveldsterkte, en pas dit toe op de gravitatiepotentiaal. Geef ook de SI-eenheid van de gravitatiepotentiaal. &lt;br /&gt;
*Teken refractie en reflectie en verklaar de wetmatigheden. (cfr Principe van Huygens) &lt;br /&gt;
*Geef hydrostatische druk oiv zwaartekracht bij vloeistoffen en gassen. Teken grafiek. &lt;br /&gt;
*Bij onderdompelen ontstaat een opwaartse kracht, verklaar en interpreteer ! &lt;br /&gt;
*Longitudinale golven in een staaf: analyseer en bereken de snelheid ervan. &lt;br /&gt;
*Laminaire stroming: bereken de formule van het debiet, beginnende van de snelheid in een laminaire stroming (die snelheid moet je dus niet afleiden) en interpreteer. Bespreek en bereken de omzetting van mechanische naar nietmechanischeenergie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een massa A (Ma=10kg) ligt op een tafel en is via een veer (k=100N/m) verbonden met een massa B (Mb=10kg). &lt;br /&gt;
**hoever wordt de veer ingedrukt als beide massa&#039;s in rust zijn? &lt;br /&gt;
**Over welke afstand moet de veer vervolgens verder worden ingedrukt opdat massa A kan loskomen van de tafel nadat massa B wordt losgelaten? *Beschouw een fietswiel waarvan de as verticaal en vast is opgesteld zoals de figuur aantoont. Een kogel (m=100g) wordt volgens de raaklijn van het wiel in de met zand gevulde band geschoten met een snelheid van 370 m/s. De massa van de band bedraagt 2 kg terwijl de massa van de spaken verwaarloosbaar is. De straal van het wiel is 33 cm. Als je weet dat de kogel in het wiel, dat oorspronkelijk in rust was, blijft vaststeken, wat is dan de hoeksnelheid na het indringen van de kogel? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicum&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*wat is de oppervlakte van onderstaande kader? Bepaal de imprecisie en motiveer je antwoord! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Zuivere rolbeweging: bespreek de kinematica en kinetische energie. en geef de dynamica met behulp van een voorbeeld &lt;br /&gt;
*geef de postulaten van het semi-klassiek atoommodel van bohr en bereken de baanstraal en energie &lt;br /&gt;
*Bespreek het effect van screening &lt;br /&gt;
*Energie en energietransport van een harmonische golf &lt;br /&gt;
*Definieer en bespreek de potentiele energiedichtheid (gebruik de potentiele energiekromme!) en de oppervlaktespanning en geef het verband tussen beide &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek van een laminaire stroming in een buis het verabnd tussen het drukverloop en volumedebiet &lt;br /&gt;
*Bespreek het doppler effect bij mechanische golven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*interfererende golven : staande golven , eigenmodes, resonantie van golven op een snaar. &lt;br /&gt;
*gemiddelde vrije weglengte en de toestandsvergelijking van Van der Waals.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*zuivere rolbeweging: geef de kinematica en de kinetische energie en de dynamica aan de hand van een voorbeeld &lt;br /&gt;
*postulaten van Bohr, de baanstraal en de energieën van atomaire elektronen + leg uit de afscherming bij meeratomige atomen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*definieer en bespreek: energie en energietransport in een golf &lt;br /&gt;
*definieer en verduidelijk oppervlakte-energiedichtheid (potentiaalkromme) en oppervlaktespanning + geef het verband tss beiden &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg uit en interpreteer: bewegingsvergelijkingen van stelsel van deeltjes &lt;br /&gt;
*Geef de postulaten van het semi-klassiek atoommodel van Bohr en de berekeningen voor de baanstralen en baanenergie #Waarom en hoe moet men rekening houden met effect van afscherming? &lt;br /&gt;
*Leid af en bespreek : energie en energietransport in een mechanische harmonische golf. &lt;br /&gt;
*Kinetische gastheorie. Bespreek het principe van equipartitie van energie en hoe men hieruit de temperatuursafhankelijke inwendige energie bekomt van gassen met diatomische moleculen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*2 sterren M1=17,5*massa zon. M2=10,2* massa zon. d=1,16*10^9m de sterren bewegen als een dubbelster rond het mc. bereken de omlooptijd. &lt;br /&gt;
*een figuur: een cilinder op een helling(30°) dat zuiver rolt: I=1/2(mR²) deze cilinder is vastgemaakt met een draad aan een kleinere cilinder die niet kan transleren: Mc=... en r=0,1m #*bereken de spankracht &lt;br /&gt;
**de rotatie energie van het totale systeem als de cilinder 2m verder is gerold &lt;br /&gt;
*Vraag over het practicum : s=100.0m , §s=0.1m en t=2.00s , §t= 0.01s (§ is de imprecisie) Bereken v en bereken vervolgens §v &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
*viskeuze stroming: micrscopisch uitleggen,verband ts volumedebiet en drukverloop aantonen en omzetting van mechanische in nt-mechanische energie uitleggen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Leid af (beginnend van relativistische massa) en interpreteer de formule van de relativistische energie. &lt;br /&gt;
*Bespreek de beweging van de Tol &lt;br /&gt;
*Wet van behoud van energie: leid af en interpreteer Warmtecapaciteit, soortelijke warmte: definities, soortelijke warmte van 2-atomige moleculen, microscopisch belang daarvan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking voor een geïsoleerd stelsel van 2 deeltjesaf en interpreteer. &lt;br /&gt;
**Leg de vibratie van een diatomisch molecule uit, zowel klassiek als kwantumfysisch. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat een Coulombkrachtveld een CKV (conservatief krachtveld) is. Bereken aan de hand van de vorige afleiding de potentiële energie van een lading in het Coulombkrachtveld. Geef de definitie van elektrische potentiaal en pas toe op bovenstaande. &lt;br /&gt;
**Leg uit hoe je de Coulombkracht in meer-elektron-atomen berekent. &lt;br /&gt;
*Leid de bewegingsvergelijking van een roterende puntmassa af. (beknopt antwoord) &lt;br /&gt;
*Geometrische optica. #Leg uit wat er gebeurt aan een grensvlak tussen 2 media (cfr. principe van Huygens) kinetische gastheorie. &lt;br /&gt;
**geef de definitie van de grootheden temperatuur en kwadratisch gemiddelde snelheid en verduidelijk hun fysische betekenis &lt;br /&gt;
**leg uit hoe ze aan de absolute temperatuursschaal komen. &lt;br /&gt;
*bespreek de longitudinale golven in een staaf, en leid v af &lt;br /&gt;
**definieer warmtecapaciteit en soortelijke warmte &lt;br /&gt;
**Bespreek de soortelijke warmte van een 2-atomig gasmolecule, en welke microscopische gegevens kan je afleiden uit het verband met de temperatuur &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een wagen rijdt met een snelheid van 90 km/h over een weg die in de bochten een hoek van 20° met de horizontale maakt. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen de banden van de wagen en het wegdek is 0,8. Hoe groot is de straal van de kleinste bocht die de auto kan nemen zonder te slippen. &lt;br /&gt;
*Een object (jojo) bestaat uit 2 delen. De straal van het grootste gedeelte is 10 keer de straal van het kleinste gedeelte (R = 10r). De massa van het totale object is M, het traagheidsmoment t.o.v. de rotatieas wordt benaderd door Ir = ½ MR². Rond de kleinste cilinder is een touw gewikkeld. Het touw wordt op een vast punt stilgehouden. Op t = 0 laat men de jojo los. Bereken de baanversnelling van het massacentrum, en de spankracht in het touw als M = 0,1kg. &lt;br /&gt;
*V1=2*V2. (deze zijn met elkaar verbonden via membraam) als de druk in beide volumes gelijk zijn, is de temperatuur verschillend, als de druk=10^5 Pa, dan is de temperatuur in beide volumes gelijk aan 27°C en hebben we een ideaal gas de temperatuur van volume 1 wordt tot 0°C verlaagd en dat van volume 2 tot 110°C verhoogd,de volumes blijven bij deze temperatuur verandering constant. Wat is de einddruk? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Juni ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leid af en bespreek (die haat ik!): energie en energietransport bij mechanische harmonische golven. geef de vrije weglengte en bespreek &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef het verband tussen cohesiedruk, opp.spanning, en potentiele energie aan het oppervlak. (tis dan de bedoeling da ge die potentiaalkrommen en zo tekent) . Geef ook hun SI-eenheden #capillariteitsdruk: bespreek + afleiding. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Geef de definitie van een conservatieve kracht. Duid aan de hand van een voorbeeld aan hoe we hieraan altijd een potentiele energie kunnen verbinden en leid de formule voor die potentiële energie af.&lt;br /&gt;
*Leid de formule voor de totale relativistische energie af en interpreteer ze. &lt;br /&gt;
*Energie en energietransport: bespreek continuïteitvergelijking en wet van behoud van energie (Bernouilli) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari 2001 ====&lt;br /&gt;
*Relativistische fysica. &lt;br /&gt;
**leid de formule voor lengtecontractie af en bespreek. &lt;br /&gt;
**Geef de afleiding voor de totale relativistische energie van een massa vertrekkende vanuit de formule voor de relativistische massa en bespreek. &lt;br /&gt;
*Afleiding en bespreek voor de harmonische mechanische golf de energie en energietransport. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2000 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Januari ====&lt;br /&gt;
*Verklaar de evenwichtsvoorwaarden van de statica en pas deze ook toe op de zwaartekracht (geef weer met een figuur) &lt;br /&gt;
*Leidt de formule af voor het verband tussen de interatomaire en de macroscopische evenwichtsconstante (figuren!!!) &lt;br /&gt;
*Geef uitleg over de volgende begrippen: de oppervlaktespanning, energiedichtheid, de druk in een gasbel. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Augustus ====&lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van de laminaire stroming vanaf het snelheidsprofiel. Verklaar daarbij de micro-en macroscopische oorsrong, geef de formule van het volumedebiet en de verbruikte hoeveelheid arbeid en energie &lt;br /&gt;
*Geef de gyroscoop en z n gyroscopische effecten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 1999 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
*Bespreek de volkomen inelastische botsing. &lt;br /&gt;
*Geef en bespreek de postulaten van Bohr en bereken de Bohrstraal. &lt;br /&gt;
*Bespreek dispersie en kleurenschifting in een prisma. &lt;br /&gt;
*Bespreek het tunneleffect. &lt;br /&gt;
*Bespreek de zuivere rolbeweging &lt;br /&gt;
*Bespreek reflectie en refractie (leidt de formule met sin af). Maak een tekening (vermeld ook het principe van Huygens).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
*Leidt een formule af voor de versnelling van een kromlijnige beweging. &lt;br /&gt;
*Bespreek: energie en energietransport in een mechanische golf. &lt;br /&gt;
*Bespreek laminaire stroming in een buis.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Gepikt bij de geografen ==&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het verschil uit tussen statische en dynamische wrijvingskracht. Geef de definities voor hun bijhorende wrijvingscoëfficiënten. Bespreek hoe men deze kan bepalen. Geef tenslotte het verloop weer van de Fw wanneer de ingrijpende tangentiële kracht groter wordt en bespreek dit.&lt;br /&gt;
*Geef de definitie van de gravitatiepotentiaal, gravitatieveldsterkte, gravitatielijnen. Leid af hoe de gravitatiepotentiaal varieert met de hoogte. &lt;br /&gt;
*Bewijs dat de gravitatie conservatief is. Leid hieruit af dat het verschil in gravitatie potentiaal op 2 hoogtes dichtbij de aarde gelijk is aan de valversnelling maal het verschil in hoogte. &lt;br /&gt;
*Definieer het traagheidsmoment van een vast lichaam. Leidt een uitdrukking af (waar het traagheidsmoment expliciet in voorkomt) voor het impulsmoment van een vast lichaam dat roteert rond een as door een vast punt. Toon een voorwaarde aan waarvoor de grootte van het impulsmoment evenredig is met dat van het traagheidsmoment. Vermeld dimensie en eenheden. &lt;br /&gt;
*Toon aan hoe men komt tot een wiskundige voorstelling van een golf. Pas dit toe voor een harmonische golf. Verduidelijk alle grootheden die deze golf karakteriseren en geef hun verband. &lt;br /&gt;
*Kromlijnige beweging van een puntmassa: leid uitdrukkingen af voor de baanversnelling en de normaalversnelling, en analyseer de dynamica van een conische slinger.&lt;br /&gt;
*Definiëer het begrip conservatieve kracht, toon met een voorbeeld aan waarom een puntmassa in een conservatief krachtveld potentiële energie bezit, en maak duidelijk waarom er een unieke relatie tussen arbeid en verandering van potentiële energie is. &lt;br /&gt;
*Definiëer het massamiddelpunt, de impuls en het impulsmoment van een stelsel van deeltjes, en leid af en interpreteer: de bewegingsvergelijking van het massamiddelpunt en de rotationele vorm van de bewegingsvergelijking van een stelsel. &lt;br /&gt;
*Leid af: de dynamische bewegingsvergelijking van de relatieve beweging in een tweedeeltjes stelsel o.i.v. inwendige krachten, interpreteer en pas dit toe op de klassieke beschrijving van de dynamica van diatomische moleculen. &lt;br /&gt;
*Rotatie van een vormvast object om een vaste as in een inertiaalstelsel: formuleer de wet van behoud van impulsmoment en toon met een voorbeeld naar keuze aan dat inwendige krachten de rotatieenergie kunnen veranderen. &lt;br /&gt;
*Analyseer de beweging van een horizontale tol en gebruik deze analyse om de werking van een gyroscoop uit te leggen en gyroscopische effecten te verklaren. &lt;br /&gt;
*Bespreek de kinematica van de zuivere rolbeweging en de kinetische energie, en analyseer de dynamica van een zuivere rolbeweging op een hellend vlak . &lt;br /&gt;
*Gravitatie: Definieer en verduidelijk de begrippen centraal gravitatieveld, gravitatieveldsterkte en gravitatiepotentiaal. &lt;br /&gt;
*Analyseer de getijdenwerking op aarde en bereken de relatieve grootte van het effect van maan en zon. &lt;br /&gt;
*Toon de microscopische oorsprong van de elasticiteit van vaste stoffen aan, en geef met een voorbeeld het verband aan tussen de microscopische en macroscopische elastische constanten. &lt;br /&gt;
*Leid af, vertrekkend van de relativistische massa: de totale relativistische energie van een massa, en interpreteer het resultaat. &lt;br /&gt;
*Bespreek klassiek én kwantumfysisch de rotatie- en de vibratie-energie van diatomische moleculen, en toon aan hoe men uit rovibrationele emissiespectra informatie bekomt over de moleculen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een staaf met massa m en lengte l rust op een wrijvingloos horizontaal vlak en kan roteren rond een eindpunt (I=ml²). Een projectiel met snelheid v op het vlak in een baan loodrecht op de staaf elastisch tegen het vrije uiteinde van de staaf, waardoor de v van het projectiel 0 wordt. Bereken de massa van het projectiel en de hoeksnelheid van de staaf na de botsing. &lt;br /&gt;
*Welke zou de T zijn van de atmosfeer moeten zijn opdat waterstofmoleculen uit het gravitatieveld zouden kunnen ontsnappen? Aardomtrek=40000km (ant. 10000K). &lt;br /&gt;
*Een student volgt duiklessen en ondervindt dat hij in het zwembad een massa van 0.5kg moet meenemen om op een bepaalde hoogte te blijven zweven. In zeewater, waarvan de dichtheid 2,5% hoger is dan in het zwembad, moet hij 5 van deze gewichten meenemen om op dezelfde hoogte te blijven zweven. Wat is de massa van de student (antw. 71 kg).&amp;lt;/text&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[index.php?title=Categorie:1ste Bachelor]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=512</id>
		<title>Analytische geochemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=512"/>
		<updated>2024-02-11T09:17:16Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Patrick Degryse&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding. &amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1 Bouillon &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
**afbeelding schommelingen delta 13c in de zomer en in de winter, en globaal afnemende dalende trend verklaren&lt;br /&gt;
**d18o en d2h bij stromboli en sicilië verschil naargelang hoogte verklaren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 2 Degryse &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
**afbeelding met Osmium isotopen in de zee verklaren, en Sr in de zee Hoezo constant cenozoïcum en dan plots krijt-tertiair niet?&lt;br /&gt;
**Juist of fout en uitleg geven: Rb-Sr systeem:&lt;br /&gt;
***a) even oud?&lt;br /&gt;
***b) verschillende initiële 87Sr/86Sr?&lt;br /&gt;
***c) gelijkende 87Rb/86Sr?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 Van Ham-Meert&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
**a) AAS verklaren: principe, hoe werkt, nadelen, wat meet etc.&lt;br /&gt;
**oefening moeilijk! Kwartsader heeft verschillende mineralen: Freieslebeniet (AgPbSbS3) Acantiet (Ag2S) Stibniet (Sb2S3) en galena (PbS) en de massa% van Ag, Pb en Sb zijn gegeven. Hoeveel mol/100g zwavel en hoeveel massapercent zijn alle mineralen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari(schriftelijk door corona)===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1&amp;amp;2 (technieken en radioactieve)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
**bespreek het principe en de werking van MC-ICP-MS. &lt;br /&gt;
***Welke species kan je analyseren en hoe voorbereiden? &lt;br /&gt;
***Nadelen van deze techniek? &lt;br /&gt;
**Een kwartsader met Arsenopyriet, pyriet en chalcopyriet wordt beschouwd. Gegeven zijn de massapercentages voor Fe (4.5%), As (3.2%) en Cu (0.25%). Ook gegeven is de molaire massa van Fe, As, Cu en S. &lt;br /&gt;
***Hoeveel gram zwavel zit er in 100g van de ader? &lt;br /&gt;
**Wat is het massapercentage van elk aanwezig mineraal? &lt;br /&gt;
*Gegeven: &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Rb/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr en &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr voor drie mineralen. Lambda=1.42*10&amp;lt;sup&amp;gt;-11&amp;lt;/sup&amp;gt;. Stel een isochronencurve op op milimeterpapier en bepaal de ouderdom. Geef ook de initiele &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 (Stabiele isotopen)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
**Veronderstel d&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;C onderzoek in de jaarringen van een 150 jaar oude boom op de campus. &lt;br /&gt;
***Wat voor waarden verwacht je? &lt;br /&gt;
***Zijn er lange termijn trends die je verwacht? &lt;br /&gt;
***Welke factoren zouden een rol kunnen spelen bij jaarlijkse variaties? &lt;br /&gt;
**Gegeven: Afbeelding van d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; curves naargelang de groeilijnen van een bivalveschelp (aragoniet) en een afbeelding met relatie d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; en temperatuur voor aragoniet en calciet. Wat kan je afleiden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2018==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
*Bespreek het principe van ICP-OES. Ga dieper in op de fysische principes, en op de gebruikte bron/detector, essentiële onderdelen en welke vorm van staal nodig is. &lt;br /&gt;
***Welke atomen/moleculen/speciës kunnen gemeten worden? &lt;br /&gt;
***In welke gehaltes? &lt;br /&gt;
***Met welke precisie/accuraatheid? &lt;br /&gt;
***Welke beperkingen zijn er aan deze technieken? &lt;br /&gt;
*Als je een zandsteen voor neven- en spoorelementen analyseert, welke staal voorbereiding en analytische techniek zou je dan aanraden? Waarom? #Vraag over laboverslag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2016==&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 1====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Ik heb een blok graniet van 5 kg waarin ik Sr wil meten in de verschillende veldspaten, en Rb in de bulk. Stel een techniek voor, leg de staalpreparatie uit en geef een korte uitleg over de werking van de techniek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 2==== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*In een graniet wil ik het gehalte aan het element Ca in de verschillende types veldspaten, en het gehalte aan het element Sr in het bulk gesteente meten. Je hebt een blok van 5kg graniet ter beschikking. Leg uit hoe je dit aanpakt van staalpreparatie over de voorbereiding in het (chemisch) laboratorium tot de meting van de gehaltes. Bespreek kort het principe van de methodes die je mij aanraadt. (Leg alles kort en bondig uit).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2015== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 1==== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke procedure volg je om de hoeveelheid Mg en Rb in een basalt te meten? Je beschikt over een handstuk van 5 kg. Beschrijf de procedure zo volledig mogelijk. &lt;br /&gt;
*Welke procedure volg je als je wilt weten welke mineralen in die basalt Rb en Mg bevatten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 2==== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bij een mijnontginning wil men volgende zaken zo nauwkeurig mogelijk meten: Al in een lateriet, Nb in columbiet-tantaliet, Ti in een zwart zand (dat voornamelijk kwarts, magnetiet en rutiel bevat). Beschrijf de volledige procedure van staalvoorbereiding, over onsluiting tot meting. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2013==&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
====Reeks 1 - Professor Degryse====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Sediment van een rivier uit Congo bevat klei en silt. In dit sediment kan er Ta en Nb die economische belangrijk zijn gevonden worden dat in een bepaald mineraal zit ( ben de naam kwijt, cassiriet )?. Men gaat opzoek naar de concentraties van dit mineraal. Beschrijf me de hele procedure van het nemen van een staal tot de Chemische analyse &lt;br /&gt;
*10 meetresultaten, Kan hier een resultaat weggelaten worden ? blad met formules gegeven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 2====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Placer zand bevat naast kwarts en plagioklaas, ook de mineralen cassiteriet en goud. Een groot ontginningsbedrijf wilt de relatieve hoeveelheid Tin en Goud aanwezig in de placer weten. Geef de gehele onderzoeksprocedure hiervoor. &lt;br /&gt;
*= vraag 2 reeks 1 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2012==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Reeks 2====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de procedure voor de bereiding van een stockoplossing van 0.02M kalium-dichromaat (K2Cr2O7) in 500mL 0.1 M zwavelzuur. Bereid uit deze stockoplossing drie standaardoplossingen van Cr, die respectievelijk ongeveer 10µg/mL, 100µg/mL en 250µg/mL bevatten in 0.1M zwavelzuur. U beschikt over analytisch zuiver kalium-dichromaat zout, een analytische balans, een fles 2M zwavelzuur, gedemineraliseerd water, maatkolven van 500mL en van 100mL, en een stel volumetrische pipetten van 5, 10, 20 en 25mL. De atoomgewichten zijn: K=39,10; Cr=52,0; O=16,0. &lt;br /&gt;
*Bereken de chemische samenstelling (in wt.%) van een silicaatmineraal met als formule: (Mg&amp;lt;sub&amp;gt;10&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)(Si&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)O&amp;lt;sub&amp;gt;20&amp;lt;/sub&amp;gt;(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;16&amp;lt;/sub&amp;gt;. De atoomgewichten zijn: Mg=24,31; Al=26,98; Si=28,09; O= 16,00; H=1,01. &lt;br /&gt;
*Welke theoretische en praktische betekenis heeft de &#039;diffractie orde&#039; in de spectrofotometrie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Met een quadrupool-ICP-MS kunnen ionen afzonderlijk gemeten worden die 1 eenheid verschillen in m/z verhouding. Een element M vormt in een plasma niet alleen M&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen maar ook een kleine (0,5 à 2%) fractie MO&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen die de meting kunnen verstoren van ionen van elementen met een hoger ranggetal. Een gekend probleem van de zgn. &#039;oxide interferentie&#039; is de meting van het ion 45Sc+, het enige ion van het mono-isotopische element scandium. Welke hoofdelementen creëren potentiële problemen voor de meting van 45Sc+ ? De isotopische samenstelling van zuurstof is: &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;O=99,76%; &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;O=0,038%; &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;O= 0,20%. #Er wordt gevraagd in een smeltparel van een opgemalen silicaatgesteente een analyse uit te voeren van de elementen Mg, Al, Si, P, S Ca en Ti met een vlak-kristal X-stralenfluorescentie apparaat. Welke instelling van de 2-theta hoek is nodig voor de volgende analysen: #*Mg, Al, Si met TAP(001) #*Si, P, S met Ge(111) &lt;br /&gt;
**Ca, Ti met PET(002) &lt;br /&gt;
**De Ka X-stralen van de elementen worden gemeten. De energie hiervan is (in Kev): &lt;br /&gt;
***Mg: 1,2536 &lt;br /&gt;
***Al: 1,4867 &lt;br /&gt;
***Si: 1,7400 &lt;br /&gt;
***P: 2,0137 &lt;br /&gt;
***S: 2,3078 &lt;br /&gt;
***Ca: 3,6917 &lt;br /&gt;
***Ti: 4,5108 &lt;br /&gt;
*Welke effectieve bandbreedte moet een monohromator hebben om de twee atoon spectraallijnen van 589,0nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2011==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je kreeg een gesteen waarin een maximaal en minale hoeveelheid La zou kunnen zitten, om dit gesteente te bepalen met icp-oes zijn 3 ijkoplossingen nodig. Hoe zou jij deze bereiden, je krijgt standaard materiaal(zoals in het labo eigenlijk) &lt;br /&gt;
*Wat is het verschil tussen PM en dissolved solids in natuurlijke waters met als bijvraag waar trekt men de grens tussen bijden &lt;br /&gt;
*Leg uit waarvoor de kjelhdal methode dient, een zinneke was genoeg zei hem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Een aquifer is vervuild door een pekel, ge krijgt een tabel me een aantal ionen/kationen metingen in mg/mL en een leeg piper diagram ==&amp;gt; plot het piper diagram &lt;br /&gt;
*Een reeks metingen gedaan met AAS 1 meting verschild veel van de andere, bepaal of we deze mogen laten vallen -&amp;gt; n test etc &lt;br /&gt;
*Je krijgt een de lengte van een gas chromatografie.vervolgens de retentie en dode tijd van een meting en ook de standaard deviatie in sec bepaal het aantal theoretische platen. &lt;br /&gt;
*Leg uit wat de Kjelhdal methode is &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==2010==&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*zo&#039;n uitgebreide oefening waarvan een uitgewerkt voorbeeld in u cursus staat. Andere getallen dan in cursus natuurlijk en de formule krijg je ... &lt;br /&gt;
*Voor de meeste Chemische Analyse technieken is &#039;resolutie&#039; of &#039;oplossend vermogen&#039; een belangrijke parameter. Wat bedoelt men hier mee? Geef enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek &amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de afstand ( in millimeter) tussen de centra van de gefocusseerde lichtlijnen van golflengten 564 en 572 nm voor een spectrofotometer met een rooster van 1600 blades/ mm, een invalshoek van i = 45°, en een sferische spiegel met focale lengte van 45 cm &lt;br /&gt;
*Welk is de optimale molariteit van het HNO3 eluens voor de scheiding van Sr2+ en Rb + met &#039;kroonether chromatografie&#039; ? &lt;br /&gt;
*Waarom is ICP een efficiënte excitatie methode voor chemische analyse via meting van emissie-licht ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2008=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Gegeven: fles zwavelzuur 2M, kaliumdichromaat, gedemineraliseerd water stockoplossing van 0.01M kalium dichromaat (K&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;) in 500ml zwavelzuur 0.1M bereiden en dan 3 standardoplossingen met van 10µg/ml, 100µg/ml en 250µg/ml Cr in 0,1M zwavelzuur met zoals in het labo een beperkt aantal pipetten die je mag gebruiken, etc. #Hier moesten we voor verschillende elementen en verschillende van die kristallen (bv TAP 001) de hoek berekenen. De E&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;sub&amp;gt;ev&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;/sub&amp;gt; was gegeven (dus gewoon via wet van Duane Hunt de golflengte berekenen, en dan via wet van Bragg u hoek, niet zo moeilijk). #Zo&#039;n kolomvraag:&amp;lt;br&amp;gt;Gegeven: L=18m; t&amp;lt;sub&amp;gt;m&amp;lt;/sub&amp;gt;=3.2min; t&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;=16.3min; σ&amp;lt;sub&amp;gt;t&amp;lt;/sub&amp;gt; = 2,4s.&amp;lt;br&amp;gt;Gevraagd: aantal theoretische platen. #Een resonantielijn van 645nm, welke correctietechniek is niet geschikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; http://geos.scientica.be/files/public/onderwijs/geochemie.jpg &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2007=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is de effectieve bandbreedte om 2 Na-atoom spectraallijnen van 589nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? (Antwoord moest 0,3nm zijn) #Er waren 14 metingen van een blanco-oplossing gegeven alsook de ijklijn : A = 0,035 x concentratie (µg/ml). Wat is de kritieke signaalwaarde,detectielimiet en kwantificeerbaarheidslimiet uitgedrukt in absorbantiewaarden en in concentratiewaarden (µg/ml).De meetoplossing van 25ml werd bereid door 100mg gesteentepoeder op te lossen. #Er werd 200mg monster in 100ml zuur opgelost en 10 keer verdund. De ijklijn voor Si is Concentratie (µg/ml) = 12x10^-5 x Signaal (tellen/sec) Het gemeten signaal was 85721 tellen per seconde. Wat is de wt% oxide van SiO2? #We hebben een gaschromatograaf van 12m lengte en tm = 2 min, tr = 14min en breedte van de elutiepiek =sigma(t) = 2s. Wat is het aantal theoretische platen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2006=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Je hebt een atoom met een resonantielijn λ=640 nm. Welke methode voor de correctie van moleculaire absorptie is niet geschikt en waarom? #Het atoom Ge (Kα=???) Leg uit waarom TAP (001) geen geschikt kristal voor WDXRF. #Bereken de retentietijd van een species i: transportsnelheid van het eluens: 2cm/min, lengte van de kolom is 28cm, capaciteitsfactor = 20 #Bereken de reflectiehoek en de reciproke lineaire dispersie: #*1200 blazes/mm #*golflengte: 640, 420 en 360 nanometer #*F is 48 cm #*invalshoek is 35° #uranium in gesteente: concentratiebereik: 6-8 µg/g #*150 g gesteente wordt opgelost in 250 ml in 0,45 M HNO3 #*Bereken standaard ijkoplossingen, gebruikmakend van een stockoplossing van 0,05 mg/ml #Tabel: drinkwater en zeewater. Bereken de invloed van 5% en 10% contaminatie van het drinkwater met zeewater. Zet de resultaten in een Piperdiagram. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2003=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;de aciditeitsconstante van een zuur base reactie HB +H2O &amp;lt;--&amp;gt; H3O + B #*K= [H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;O][B]/[HB] of K*=[H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;0](B)/(HB) #*K is de echte thermodynamische evenwichtsconstante, en K* de schijnbare constante. Rechte haken wijzen op activiteiten, ronde op concentraties. Voor het hydronium ion behoudt met activiteit in de uitdrukking van K* omdat deze door pH electrodes gemeten wordt. Bereken met behulp van de extended debye huckel betrekking de schijnbare pK* waarden bij 20°C van een verdunde oplossing van het driebasisch zuur H3PO4 in een oplossing van 0,005M Na2SO4/0,02M KCl . Verwaarloos de bijdrage van de fosfaat species tot de ion sterkte van de oplossing.De debye huckel a-waarde (ion grootte) voor de fosfaat species is gelijk aan 4. De pK waarden voor fosforzuur bij 20°C zijn: 2.1, 7.3, 12.7. #Bereken de oplosbaarheid (g/l) van het mineraal fluoriet (CaF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) in zuiver water bij 25°C en pH 3, 5 en 6. Er wordt aangenomen dat alle activiteitscoefficienten gelijk zijn aan 1. Thermodynamische gegevens moet ge maar opzoeken in uw oefeningen (oefening 6&amp;amp;7) #in de bijgevoegde figuur zijn chemische parameters van grondwatermonsters in contact met een klei-rijke bodem geplot op een stabiliteitsdiagram van K-Al silicaten in evenwicht met water bij 20°C. Wat kan je uit de ligging van de punten besluiten. #in de alpen worden in drie meetstations gelegen op respectievelijk 500, 1500 en 3000m hoogte maandelijks monsters genomen vna de gemiddelde neerslag. Schets de verwachte variatie van zuurstof 18 isotoop in de neerslag doorheen het jaar voor deze drie stations. #kan de isotopen dilutie methode toegepast worden bij ICP-AES? #In welke zin heeft het Auger effect een weerslag op de gevoeligheid waarmee elementen kunen geanalyseerd worden door middel van XRF en EPMA?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=511</id>
		<title>Analytische geochemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=511"/>
		<updated>2024-02-11T09:07:02Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Patrick Degryse&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding. &amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1 Bouillon &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
**afbeelding schommelingen delta 13c in de zomer en in de winter, en globaal afnemende dalende trend verklaren&lt;br /&gt;
**d18o en d2h bij stromboli en sicilië verschil naargelang hoogte verklaren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 2 Degryse &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
**afbeelding met Osmium isotopen in de zee verklaren, en Sr in de zee Hoezo constant cenozoïcum en dan plots krijt-tertiair niet?&lt;br /&gt;
**Juist of fout en uitleg geven: Rb-Sr systeem:&lt;br /&gt;
***a) even oud?&lt;br /&gt;
***b) verschillende initiële 87Sr/86Sr?&lt;br /&gt;
***c) gelijkende 87Rb/86Sr?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 Van Ham-Meert&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
**a) AAS verklaren: principe, hoe werkt, nadelen, wat meet etc.&lt;br /&gt;
**oefening moeilijk! Kwartsader heeft verschillende mineralen: Freieslebeniet (AgPbSbS3) Acantiet (Ag2S) Stibniet (Sb2S3) en galena (PbS) en de massa% van Ag, Pb en Sb zijn gegeven. Hoeveel mol/100g zwavel en hoeveel massapercent zijn alle mineralen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2022 (schriftelijk door corona)=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1&amp;amp;2 (technieken en radioactieve)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek het principe en de werking van MC-ICP-MS. Welke species kan je analyseren en hoe voorbereiden? Nadelen van deze techniek? # Een kwartsader met Arsenopyriet, pyriet en chalcopyriet wordt beschouwd. Gegeven zijn de massapercentages voor Fe (4.5%), As (3.2%) en Cu (0.25%). Ook gegeven is de molaire massa van Fe, As, Cu en S. Hoeveel gram zwavel zit er in 100g van de ader? Wat is het massapercentage van elk aanwezig mineraal? # Gegeven: &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Rb/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr en &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr voor drie mineralen. Lambda=1.42*10&amp;lt;sup&amp;gt;-11&amp;lt;/sup&amp;gt;. Stel een isochronencurve op op milimeterpapier en bepaal de ouderdom. Geef ook de initiele &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 (Stabiele isotopen)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Veronderstel d&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;C onderzoek in de jaarringen van een 150 jaar oude boom op de campus. Wat voor waarden verwacht je? Zijn er lange termijn trends die je verwacht? Welke factoren zouden een rol kunnen spelen bij jaarlijkse variaties? # Gegeven: Afbeelding van d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; curves naargelang de groeilijnen van een bivalveschelp (aragoniet) en een afbeelding met relatie d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; en temperatuur voor aragoniet en calciet. Wat kan je afleiden? ===Januari 2018=== #Bespreek het principe van ICP-OES. Ga dieper in op de fysische principes, en op de gebruikte bron/detector, essentiële onderdelen en welke vorm van staal nodig is. Welke atomen/moleculen/speciës kunnen gemeten worden? In welke gehaltes? Met welke precisie/accuraatheid? Welke beperkingen zijn er aan deze technieken? #Als je een zandsteen voor neven- en spoorelementen analyseert, welke staal voorbereiding en analytische techniek zou je dan aanraden? Waarom? #Vraag over laboverslag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2016=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Ik heb een blok graniet van 5 kg waarin ik Sr wil meten in de verschillende veldspaten, en Rb in de bulk. Stel een techniek voor, leg de staalpreparatie uit en geef een korte uitleg over de werking van de techniek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; In een graniet wil ik het gehalte aan het element Ca in de verschillende types veldspaten, en het gehalte aan het element Sr in het bulk gesteente meten. Je hebt een blok van 5kg graniet ter beschikking. Leg uit hoe je dit aanpakt van staalpreparatie over de voorbereiding in het (chemisch) laboratorium tot de meting van de gehaltes. Bespreek kort het principe van de methodes die je mij aanraadt. (Leg alles kort en bondig uit). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2015=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke procedure volg je om de hoeveelheid Mg en Rb in een basalt te meten? Je beschikt over een handstuk van 5 kg. Beschrijf de procedure zo volledig mogelijk. #Welke procedure volg je als je wilt weten welke mineralen in die basalt Rb en Mg bevatten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bij een mijnontginning wil men volgende zaken zo nauwkeurig mogelijk meten: Al in een lateriet, Nb in columbiet-tantaliet, Ti in een zwart zand (dat voornamelijk kwarts, magnetiet en rutiel bevat). Beschrijf de volledige procedure van staalvoorbereiding, over onsluiting tot meting. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2013=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - Professor Degryse&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Sediment van een rivier uit Congo bevat klei en silt. In dit sediment kan er Ta en Nb die economische belangrijk zijn gevonden worden dat in een bepaald mineraal zit ( ben de naam kwijt, cassiriet )?. Men gaat opzoek naar de concentraties van dit mineraal. Beschrijf me de hele procedure van het nemen van een staal tot de Chemische analyse # 10 meetresultaten, Kan hier een resultaat weggelaten worden ? blad met formules gegeven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Placer zand bevat naast kwarts en plagioklaas, ook de mineralen cassiteriet en goud. Een groot ontginningsbedrijf wilt de relatieve hoeveelheid Tin en Goud aanwezig in de placer weten. Geef de gehele onderzoeksprocedure hiervoor. #= vraag 2 reeks 1 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2012=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de procedure voor de bereiding van een stockoplossing van 0.02M kalium-dichromaat (K2Cr2O7) in 500mL 0.1 M zwavelzuur. Bereid uit deze stockoplossing drie standaardoplossingen van Cr, die respectievelijk ongeveer 10µg/mL, 100µg/mL en 250µg/mL bevatten in 0.1M zwavelzuur. U beschikt over analytisch zuiver kalium-dichromaat zout, een analytische balans, een fles 2M zwavelzuur, gedemineraliseerd water, maatkolven van 500mL en van 100mL, en een stel volumetrische pipetten van 5, 10, 20 en 25mL. De atoomgewichten zijn: K=39,10; Cr=52,0; O=16,0. #Bereken de chemische samenstelling (in wt.%) van een silicaatmineraal met als formule: (Mg&amp;lt;sub&amp;gt;10&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)(Si&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)O&amp;lt;sub&amp;gt;20&amp;lt;/sub&amp;gt;(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;16&amp;lt;/sub&amp;gt;. De atoomgewichten zijn: Mg=24,31; Al=26,98; Si=28,09; O= 16,00; H=1,01. #Welke theoretische en praktische betekenis heeft de &#039;diffractie orde&#039; in de spectrofotometrie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Met een quadrupool-ICP-MS kunnen ionen afzonderlijk gemeten worden die 1 eenheid verschillen in m/z verhouding. Een element M vormt in een plasma niet alleen M&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen maar ook een kleine (0,5 à 2%) fractie MO&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen die de meting kunnen verstoren van ionen van elementen met een hoger ranggetal. Een gekend probleem van de zgn. &#039;oxide interferentie&#039; is de meting van het ion 45Sc+, het enige ion van het mono-isotopische element scandium. Welke hoofdelementen creëren potentiële problemen voor de meting van 45Sc+ ? De isotopische samenstelling van zuurstof is: &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;O=99,76%; &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;O=0,038%; &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;O= 0,20%. #Er wordt gevraagd in een smeltparel van een opgemalen silicaatgesteente een analyse uit te voeren van de elementen Mg, Al, Si, P, S Ca en Ti met een vlak-kristal X-stralenfluorescentie apparaat. Welke instelling van de 2-theta hoek is nodig voor de volgende analysen: #*Mg, Al, Si met TAP(001) #*Si, P, S met Ge(111) #*Ca, Ti met PET(002) #**De Ka X-stralen van de elementen worden gemeten. De energie hiervan is (in Kev): #***Mg: 1,2536 #***Al: 1,4867 #***Si: 1,7400 #***P: 2,0137 #***S: 2,3078 #***Ca: 3,6917 #***Ti: 4,5108 #Welke effectieve bandbreedte moet een monohromator hebben om de twee atoon spectraallijnen van 589,0nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2011=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Je kreeg een gesteen waarin een maximaal en minale hoeveelheid La zou kunnen zitten, om dit gesteente te bepalen met icp-oes zijn 3 ijkoplossingen nodig. Hoe zou jij deze bereiden, je krijgt standaard materiaal(zoals in het labo eigenlijk) #Wat is het verschil tussen PM en dissolved solids in natuurlijke waters met als bijvraag waar trekt men de grens tussen bijden #Leg uit waarvoor de kjelhdal methode dient, een zinneke was genoeg zei hem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een aquifer is vervuild door een pekel, ge krijgt een tabel me een aantal ionen/kationen metingen in mg/mL en een leeg piper diagram==&amp;gt; plot het piper diagram #Een reeks metingen gedaan met AAS 1 meting verschild veel van de andere, bepaal of we deze mogen laten vallen -&amp;gt; n test etc #Je krijgt een de lengte van een gas chromatografie.vervolgens de retentie en dode tijd van een meting en ook de standaard deviatie in sec bepaal het aantal theoretische platen. #Leg uit wat de Kjelhdal methode is &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2010=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;zo&#039;n uitgebreide oefening waarvan een uitgewerkt voorbeeld in u cursus staat. Andere getallen dan in cursus natuurlijk en de formule krijg je ... #Voor de meeste Chemische Analyse technieken is &#039;resolutie&#039; of &#039;oplossend vermogen&#039; een belangrijke parameter. Wat bedoelt men hier mee? Geef enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek &amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bereken de afstand ( in millimeter) tussen de centra van de gefocusseerde lichtlijnen van golflengten 564 en 572 nm voor een spectrofotometer met een rooster van 1600 blades/ mm, een invalshoek van i = 45°, en een sferische spiegel met focale lengte van 45 cm #Welk is de optimale molariteit van het HNO3 eluens voor de scheiding van Sr2+ en Rb + met &#039;kroonether chromatografie&#039; ? #Waarom is ICP een efficiënte excitatie methode voor chemische analyse via meting van emissie-licht ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2008=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Gegeven: fles zwavelzuur 2M, kaliumdichromaat, gedemineraliseerd water stockoplossing van 0.01M kalium dichromaat (K&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;) in 500ml zwavelzuur 0.1M bereiden en dan 3 standardoplossingen met van 10µg/ml, 100µg/ml en 250µg/ml Cr in 0,1M zwavelzuur met zoals in het labo een beperkt aantal pipetten die je mag gebruiken, etc. #Hier moesten we voor verschillende elementen en verschillende van die kristallen (bv TAP 001) de hoek berekenen. De E&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;sub&amp;gt;ev&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;/sub&amp;gt; was gegeven (dus gewoon via wet van Duane Hunt de golflengte berekenen, en dan via wet van Bragg u hoek, niet zo moeilijk). #Zo&#039;n kolomvraag:&amp;lt;br&amp;gt;Gegeven: L=18m; t&amp;lt;sub&amp;gt;m&amp;lt;/sub&amp;gt;=3.2min; t&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;=16.3min; σ&amp;lt;sub&amp;gt;t&amp;lt;/sub&amp;gt; = 2,4s.&amp;lt;br&amp;gt;Gevraagd: aantal theoretische platen. #Een resonantielijn van 645nm, welke correctietechniek is niet geschikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; http://geos.scientica.be/files/public/onderwijs/geochemie.jpg &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2007=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is de effectieve bandbreedte om 2 Na-atoom spectraallijnen van 589nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? (Antwoord moest 0,3nm zijn) #Er waren 14 metingen van een blanco-oplossing gegeven alsook de ijklijn : A = 0,035 x concentratie (µg/ml). Wat is de kritieke signaalwaarde,detectielimiet en kwantificeerbaarheidslimiet uitgedrukt in absorbantiewaarden en in concentratiewaarden (µg/ml).De meetoplossing van 25ml werd bereid door 100mg gesteentepoeder op te lossen. #Er werd 200mg monster in 100ml zuur opgelost en 10 keer verdund. De ijklijn voor Si is Concentratie (µg/ml) = 12x10^-5 x Signaal (tellen/sec) Het gemeten signaal was 85721 tellen per seconde. Wat is de wt% oxide van SiO2? #We hebben een gaschromatograaf van 12m lengte en tm = 2 min, tr = 14min en breedte van de elutiepiek =sigma(t) = 2s. Wat is het aantal theoretische platen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2006=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Je hebt een atoom met een resonantielijn λ=640 nm. Welke methode voor de correctie van moleculaire absorptie is niet geschikt en waarom? #Het atoom Ge (Kα=???) Leg uit waarom TAP (001) geen geschikt kristal voor WDXRF. #Bereken de retentietijd van een species i: transportsnelheid van het eluens: 2cm/min, lengte van de kolom is 28cm, capaciteitsfactor = 20 #Bereken de reflectiehoek en de reciproke lineaire dispersie: #*1200 blazes/mm #*golflengte: 640, 420 en 360 nanometer #*F is 48 cm #*invalshoek is 35° #uranium in gesteente: concentratiebereik: 6-8 µg/g #*150 g gesteente wordt opgelost in 250 ml in 0,45 M HNO3 #*Bereken standaard ijkoplossingen, gebruikmakend van een stockoplossing van 0,05 mg/ml #Tabel: drinkwater en zeewater. Bereken de invloed van 5% en 10% contaminatie van het drinkwater met zeewater. Zet de resultaten in een Piperdiagram. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2003=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;de aciditeitsconstante van een zuur base reactie HB +H2O &amp;lt;--&amp;gt; H3O + B #*K= [H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;O][B]/[HB] of K*=[H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;0](B)/(HB) #*K is de echte thermodynamische evenwichtsconstante, en K* de schijnbare constante. Rechte haken wijzen op activiteiten, ronde op concentraties. Voor het hydronium ion behoudt met activiteit in de uitdrukking van K* omdat deze door pH electrodes gemeten wordt. Bereken met behulp van de extended debye huckel betrekking de schijnbare pK* waarden bij 20°C van een verdunde oplossing van het driebasisch zuur H3PO4 in een oplossing van 0,005M Na2SO4/0,02M KCl . Verwaarloos de bijdrage van de fosfaat species tot de ion sterkte van de oplossing.De debye huckel a-waarde (ion grootte) voor de fosfaat species is gelijk aan 4. De pK waarden voor fosforzuur bij 20°C zijn: 2.1, 7.3, 12.7. #Bereken de oplosbaarheid (g/l) van het mineraal fluoriet (CaF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) in zuiver water bij 25°C en pH 3, 5 en 6. Er wordt aangenomen dat alle activiteitscoefficienten gelijk zijn aan 1. Thermodynamische gegevens moet ge maar opzoeken in uw oefeningen (oefening 6&amp;amp;7) #in de bijgevoegde figuur zijn chemische parameters van grondwatermonsters in contact met een klei-rijke bodem geplot op een stabiliteitsdiagram van K-Al silicaten in evenwicht met water bij 20°C. Wat kan je uit de ligging van de punten besluiten. #in de alpen worden in drie meetstations gelegen op respectievelijk 500, 1500 en 3000m hoogte maandelijks monsters genomen vna de gemiddelde neerslag. Schets de verwachte variatie van zuurstof 18 isotoop in de neerslag doorheen het jaar voor deze drie stations. #kan de isotopen dilutie methode toegepast worden bij ICP-AES? #In welke zin heeft het Auger effect een weerslag op de gevoeligheid waarmee elementen kunen geanalyseerd worden door middel van XRF en EPMA?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=510</id>
		<title>Analytische geochemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Analytische_geochemie&amp;diff=510"/>
		<updated>2024-02-11T09:05:39Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: 2023&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Patrick Degryse&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding. &amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1 Bouillon &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
**afbeelding schommelingen delta 13c in de zomer en in de winter, en globaal afnemende dalende trend verklaren &lt;br /&gt;
**d18o en d2h bij stromboli en sicilië verschil naargelang hoogte verklaren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 2 Degryse &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
**afbeelding met Osmium isotopen in de zee verklaren, en Sr in de zee Hoezo constant cenozoïcum en dan plots krijt-tertiair niet? &lt;br /&gt;
**Juist of fout en uitleg geven: Rb-Sr systeem:&lt;br /&gt;
***a) even oud? &lt;br /&gt;
***b) verschillende initiële 87Sr/86Sr? &lt;br /&gt;
***c) gelijkende 87Rb/86Sr? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 Van Ham-Meert&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
**a) AAS verklaren: principe, hoe werkt, nadelen, wat meet etc. &lt;br /&gt;
**oefening moeilijk! Kwartsader heeft verschillende mineralen: Freieslebeniet (AgPbSbS3) Acantiet (Ag2S) Stibniet (Sb2S3) en galena (PbS) en de massa% van Ag, Pb en Sb zijn gegeven. Hoeveel mol/100g zwavel en hoeveel massapercent zijn alle mineralen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2022 (schriftelijk door corona)=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Deel 1&amp;amp;2 (technieken en radioactieve)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek het principe en de werking van MC-ICP-MS. Welke species kan je analyseren en hoe voorbereiden? Nadelen van deze techniek? # Een kwartsader met Arsenopyriet, pyriet en chalcopyriet wordt beschouwd. Gegeven zijn de massapercentages voor Fe (4.5%), As (3.2%) en Cu (0.25%). Ook gegeven is de molaire massa van Fe, As, Cu en S. Hoeveel gram zwavel zit er in 100g van de ader? Wat is het massapercentage van elk aanwezig mineraal? # Gegeven: &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Rb/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr en &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr voor drie mineralen. Lambda=1.42*10&amp;lt;sup&amp;gt;-11&amp;lt;/sup&amp;gt;. Stel een isochronencurve op op milimeterpapier en bepaal de ouderdom. Geef ook de initiele &amp;lt;sup&amp;gt;87&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr/&amp;lt;sup&amp;gt;86&amp;lt;/sup&amp;gt;Sr. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Deel 3 (Stabiele isotopen)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Veronderstel d&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;C onderzoek in de jaarringen van een 150 jaar oude boom op de campus. Wat voor waarden verwacht je? Zijn er lange termijn trends die je verwacht? Welke factoren zouden een rol kunnen spelen bij jaarlijkse variaties? # Gegeven: Afbeelding van d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; curves naargelang de groeilijnen van een bivalveschelp (aragoniet) en een afbeelding met relatie d&amp;lt;sup&amp;gt;18O&amp;lt;/sup&amp;gt; en temperatuur voor aragoniet en calciet. Wat kan je afleiden? ===Januari 2018=== #Bespreek het principe van ICP-OES. Ga dieper in op de fysische principes, en op de gebruikte bron/detector, essentiële onderdelen en welke vorm van staal nodig is. Welke atomen/moleculen/speciës kunnen gemeten worden? In welke gehaltes? Met welke precisie/accuraatheid? Welke beperkingen zijn er aan deze technieken? #Als je een zandsteen voor neven- en spoorelementen analyseert, welke staal voorbereiding en analytische techniek zou je dan aanraden? Waarom? #Vraag over laboverslag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2016=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Ik heb een blok graniet van 5 kg waarin ik Sr wil meten in de verschillende veldspaten, en Rb in de bulk. Stel een techniek voor, leg de staalpreparatie uit en geef een korte uitleg over de werking van de techniek. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; In een graniet wil ik het gehalte aan het element Ca in de verschillende types veldspaten, en het gehalte aan het element Sr in het bulk gesteente meten. Je hebt een blok van 5kg graniet ter beschikking. Leg uit hoe je dit aanpakt van staalpreparatie over de voorbereiding in het (chemisch) laboratorium tot de meting van de gehaltes. Bespreek kort het principe van de methodes die je mij aanraadt. (Leg alles kort en bondig uit). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2015=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke procedure volg je om de hoeveelheid Mg en Rb in een basalt te meten? Je beschikt over een handstuk van 5 kg. Beschrijf de procedure zo volledig mogelijk. #Welke procedure volg je als je wilt weten welke mineralen in die basalt Rb en Mg bevatten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bij een mijnontginning wil men volgende zaken zo nauwkeurig mogelijk meten: Al in een lateriet, Nb in columbiet-tantaliet, Ti in een zwart zand (dat voornamelijk kwarts, magnetiet en rutiel bevat). Beschrijf de volledige procedure van staalvoorbereiding, over onsluiting tot meting. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2013=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - Professor Degryse&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Sediment van een rivier uit Congo bevat klei en silt. In dit sediment kan er Ta en Nb die economische belangrijk zijn gevonden worden dat in een bepaald mineraal zit ( ben de naam kwijt, cassiriet )?. Men gaat opzoek naar de concentraties van dit mineraal. Beschrijf me de hele procedure van het nemen van een staal tot de Chemische analyse # 10 meetresultaten, Kan hier een resultaat weggelaten worden ? blad met formules gegeven &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Placer zand bevat naast kwarts en plagioklaas, ook de mineralen cassiteriet en goud. Een groot ontginningsbedrijf wilt de relatieve hoeveelheid Tin en Goud aanwezig in de placer weten. Geef de gehele onderzoeksprocedure hiervoor. #= vraag 2 reeks 1 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2012=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de procedure voor de bereiding van een stockoplossing van 0.02M kalium-dichromaat (K2Cr2O7) in 500mL 0.1 M zwavelzuur. Bereid uit deze stockoplossing drie standaardoplossingen van Cr, die respectievelijk ongeveer 10µg/mL, 100µg/mL en 250µg/mL bevatten in 0.1M zwavelzuur. U beschikt over analytisch zuiver kalium-dichromaat zout, een analytische balans, een fles 2M zwavelzuur, gedemineraliseerd water, maatkolven van 500mL en van 100mL, en een stel volumetrische pipetten van 5, 10, 20 en 25mL. De atoomgewichten zijn: K=39,10; Cr=52,0; O=16,0. #Bereken de chemische samenstelling (in wt.%) van een silicaatmineraal met als formule: (Mg&amp;lt;sub&amp;gt;10&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)(Si&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;Al&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;)O&amp;lt;sub&amp;gt;20&amp;lt;/sub&amp;gt;(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;16&amp;lt;/sub&amp;gt;. De atoomgewichten zijn: Mg=24,31; Al=26,98; Si=28,09; O= 16,00; H=1,01. #Welke theoretische en praktische betekenis heeft de &#039;diffractie orde&#039; in de spectrofotometrie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Met een quadrupool-ICP-MS kunnen ionen afzonderlijk gemeten worden die 1 eenheid verschillen in m/z verhouding. Een element M vormt in een plasma niet alleen M&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen maar ook een kleine (0,5 à 2%) fractie MO&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; ionen die de meting kunnen verstoren van ionen van elementen met een hoger ranggetal. Een gekend probleem van de zgn. &#039;oxide interferentie&#039; is de meting van het ion 45Sc+, het enige ion van het mono-isotopische element scandium. Welke hoofdelementen creëren potentiële problemen voor de meting van 45Sc+ ? De isotopische samenstelling van zuurstof is: &amp;lt;sup&amp;gt;16&amp;lt;/sup&amp;gt;O=99,76%; &amp;lt;sup&amp;gt;17&amp;lt;/sup&amp;gt;O=0,038%; &amp;lt;sup&amp;gt;18&amp;lt;/sup&amp;gt;O= 0,20%. #Er wordt gevraagd in een smeltparel van een opgemalen silicaatgesteente een analyse uit te voeren van de elementen Mg, Al, Si, P, S Ca en Ti met een vlak-kristal X-stralenfluorescentie apparaat. Welke instelling van de 2-theta hoek is nodig voor de volgende analysen: #*Mg, Al, Si met TAP(001) #*Si, P, S met Ge(111) #*Ca, Ti met PET(002) #**De Ka X-stralen van de elementen worden gemeten. De energie hiervan is (in Kev): #***Mg: 1,2536 #***Al: 1,4867 #***Si: 1,7400 #***P: 2,0137 #***S: 2,3078 #***Ca: 3,6917 #***Ti: 4,5108 #Welke effectieve bandbreedte moet een monohromator hebben om de twee atoon spectraallijnen van 589,0nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2011=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Je kreeg een gesteen waarin een maximaal en minale hoeveelheid La zou kunnen zitten, om dit gesteente te bepalen met icp-oes zijn 3 ijkoplossingen nodig. Hoe zou jij deze bereiden, je krijgt standaard materiaal(zoals in het labo eigenlijk) #Wat is het verschil tussen PM en dissolved solids in natuurlijke waters met als bijvraag waar trekt men de grens tussen bijden #Leg uit waarvoor de kjelhdal methode dient, een zinneke was genoeg zei hem &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een aquifer is vervuild door een pekel, ge krijgt een tabel me een aantal ionen/kationen metingen in mg/mL en een leeg piper diagram==&amp;gt; plot het piper diagram #Een reeks metingen gedaan met AAS 1 meting verschild veel van de andere, bepaal of we deze mogen laten vallen -&amp;gt; n test etc #Je krijgt een de lengte van een gas chromatografie.vervolgens de retentie en dode tijd van een meting en ook de standaard deviatie in sec bepaal het aantal theoretische platen. #Leg uit wat de Kjelhdal methode is &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2010=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Gesloten boek&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;zo&#039;n uitgebreide oefening waarvan een uitgewerkt voorbeeld in u cursus staat. Andere getallen dan in cursus natuurlijk en de formule krijg je ... #Voor de meeste Chemische Analyse technieken is &#039;resolutie&#039; of &#039;oplossend vermogen&#039; een belangrijke parameter. Wat bedoelt men hier mee? Geef enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open boek &amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bereken de afstand ( in millimeter) tussen de centra van de gefocusseerde lichtlijnen van golflengten 564 en 572 nm voor een spectrofotometer met een rooster van 1600 blades/ mm, een invalshoek van i = 45°, en een sferische spiegel met focale lengte van 45 cm #Welk is de optimale molariteit van het HNO3 eluens voor de scheiding van Sr2+ en Rb + met &#039;kroonether chromatografie&#039; ? #Waarom is ICP een efficiënte excitatie methode voor chemische analyse via meting van emissie-licht ? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2008=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Gegeven: fles zwavelzuur 2M, kaliumdichromaat, gedemineraliseerd water stockoplossing van 0.01M kalium dichromaat (K&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;) in 500ml zwavelzuur 0.1M bereiden en dan 3 standardoplossingen met van 10µg/ml, 100µg/ml en 250µg/ml Cr in 0,1M zwavelzuur met zoals in het labo een beperkt aantal pipetten die je mag gebruiken, etc. #Hier moesten we voor verschillende elementen en verschillende van die kristallen (bv TAP 001) de hoek berekenen. De E&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;sub&amp;gt;ev&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;/sub&amp;gt; was gegeven (dus gewoon via wet van Duane Hunt de golflengte berekenen, en dan via wet van Bragg u hoek, niet zo moeilijk). #Zo&#039;n kolomvraag:&amp;lt;br&amp;gt;Gegeven: L=18m; t&amp;lt;sub&amp;gt;m&amp;lt;/sub&amp;gt;=3.2min; t&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;=16.3min; σ&amp;lt;sub&amp;gt;t&amp;lt;/sub&amp;gt; = 2,4s.&amp;lt;br&amp;gt;Gevraagd: aantal theoretische platen. #Een resonantielijn van 645nm, welke correctietechniek is niet geschikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; http://geos.scientica.be/files/public/onderwijs/geochemie.jpg &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Juni 2007=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is de effectieve bandbreedte om 2 Na-atoom spectraallijnen van 589nm en 589,6nm afzonderlijk te kunnen meten? (Antwoord moest 0,3nm zijn) #Er waren 14 metingen van een blanco-oplossing gegeven alsook de ijklijn : A = 0,035 x concentratie (µg/ml). Wat is de kritieke signaalwaarde,detectielimiet en kwantificeerbaarheidslimiet uitgedrukt in absorbantiewaarden en in concentratiewaarden (µg/ml).De meetoplossing van 25ml werd bereid door 100mg gesteentepoeder op te lossen. #Er werd 200mg monster in 100ml zuur opgelost en 10 keer verdund. De ijklijn voor Si is Concentratie (µg/ml) = 12x10^-5 x Signaal (tellen/sec) Het gemeten signaal was 85721 tellen per seconde. Wat is de wt% oxide van SiO2? #We hebben een gaschromatograaf van 12m lengte en tm = 2 min, tr = 14min en breedte van de elutiepiek =sigma(t) = 2s. Wat is het aantal theoretische platen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2006=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Je hebt een atoom met een resonantielijn λ=640 nm. Welke methode voor de correctie van moleculaire absorptie is niet geschikt en waarom? #Het atoom Ge (Kα=???) Leg uit waarom TAP (001) geen geschikt kristal voor WDXRF. #Bereken de retentietijd van een species i: transportsnelheid van het eluens: 2cm/min, lengte van de kolom is 28cm, capaciteitsfactor = 20 #Bereken de reflectiehoek en de reciproke lineaire dispersie: #*1200 blazes/mm #*golflengte: 640, 420 en 360 nanometer #*F is 48 cm #*invalshoek is 35° #uranium in gesteente: concentratiebereik: 6-8 µg/g #*150 g gesteente wordt opgelost in 250 ml in 0,45 M HNO3 #*Bereken standaard ijkoplossingen, gebruikmakend van een stockoplossing van 0,05 mg/ml #Tabel: drinkwater en zeewater. Bereken de invloed van 5% en 10% contaminatie van het drinkwater met zeewater. Zet de resultaten in een Piperdiagram. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== ===Januari 2003=== ====&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;de aciditeitsconstante van een zuur base reactie HB +H2O &amp;lt;--&amp;gt; H3O + B #*K= [H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;O][B]/[HB] of K*=[H&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;0](B)/(HB) #*K is de echte thermodynamische evenwichtsconstante, en K* de schijnbare constante. Rechte haken wijzen op activiteiten, ronde op concentraties. Voor het hydronium ion behoudt met activiteit in de uitdrukking van K* omdat deze door pH electrodes gemeten wordt. Bereken met behulp van de extended debye huckel betrekking de schijnbare pK* waarden bij 20°C van een verdunde oplossing van het driebasisch zuur H3PO4 in een oplossing van 0,005M Na2SO4/0,02M KCl . Verwaarloos de bijdrage van de fosfaat species tot de ion sterkte van de oplossing.De debye huckel a-waarde (ion grootte) voor de fosfaat species is gelijk aan 4. De pK waarden voor fosforzuur bij 20°C zijn: 2.1, 7.3, 12.7. #Bereken de oplosbaarheid (g/l) van het mineraal fluoriet (CaF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) in zuiver water bij 25°C en pH 3, 5 en 6. Er wordt aangenomen dat alle activiteitscoefficienten gelijk zijn aan 1. Thermodynamische gegevens moet ge maar opzoeken in uw oefeningen (oefening 6&amp;amp;7) #in de bijgevoegde figuur zijn chemische parameters van grondwatermonsters in contact met een klei-rijke bodem geplot op een stabiliteitsdiagram van K-Al silicaten in evenwicht met water bij 20°C. Wat kan je uit de ligging van de punten besluiten. #in de alpen worden in drie meetstations gelegen op respectievelijk 500, 1500 en 3000m hoogte maandelijks monsters genomen vna de gemiddelde neerslag. Schets de verwachte variatie van zuurstof 18 isotoop in de neerslag doorheen het jaar voor deze drie stations. #kan de isotopen dilutie methode toegepast worden bij ICP-AES? #In welke zin heeft het Auger effect een weerslag op de gevoeligheid waarmee elementen kunen geanalyseerd worden door middel van XRF en EPMA?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Wiskunde_II&amp;diff=498</id>
		<title>Wiskunde II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Wiskunde_II&amp;diff=498"/>
		<updated>2024-02-01T17:33:01Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Arno Kuijlaars&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 6&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; juni&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; je zal er niet van sterven&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Hoewel de meeste Hollanders gekend staan als luidruchtige en uitbundige mensen, is professor Kuijlaars nogal verlegen en stil. Maar zijn taalgebruik verraadt hem, met zinnen als “die functie gaat hartstikke naar nul”. De lessen zijn niet altijd even interessant en nodig, maar de prof doet wel altijd goed zijn best. Tegenwoordig wordt dit vak gegeven door Ann Speelman. De oude examenvragen zijn beschikbaar op Toledo of [http://geos.scientica.be/OLDSiteGeos/OLDstudie/1bac/wiskunde%201.html hier]&amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Sinds enkele jaren wordt dit vak gegeven door An Speelman.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Juni===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Examen ====&lt;br /&gt;
*Gegeven de rechte L met cartesise vergelijking en parameter a. &lt;br /&gt;
**Bepaal de parametervergelijking van het vlak V, loodrecht op de rechte L en door het punt (1,1,1). De vergelijking van de rechte L: y=0 ; ax-z=0 &lt;br /&gt;
**Bepaal de Cartesische vergelijking van het vlak V (uit vraag a), loodrecht op de rechte L en door het punt (1,1,1) &lt;br /&gt;
**Voor welke waaarde(n) van de parameter a ligt punt (3,0,2) in het vlak V? &lt;br /&gt;
**Geven de matrix A met parameter p: voor welke waarde(n) van p is de matrix A inverteerbaar? &lt;br /&gt;
**Een matrix A heeft de eigenwaarden 0 en 1 en de respectievelijke eigenvectoren (0 1) en (1 1). Bepaal A^100. &lt;br /&gt;
*Gegeven de oneven 2pi periodieke functie op het interval [0, pi] weergegeven door f(x)= -x/2 voor 0&amp;lt;=x&amp;lt;pi en 0 voor x=pi. &lt;br /&gt;
**Schets de functie op het interval [-5pi, 5pi]. &lt;br /&gt;
**Bereken de fourierreeks van deze functie. &lt;br /&gt;
**S is het gebied van de kegel met vergelijking z^2=x^2+y^2 tussen het vlak z=4 en het vlak z=16. Los de oppervlakte-intergaal op. Het veld F=x+xy+yz+z &lt;br /&gt;
*Het veld F=(cos x, x+y) en het gebied dat afgebakend is door y^2=4-x en y^2=4-4x: &lt;br /&gt;
**Bepaal een goede parametrisatie voor de rand van het gebied en bepaal daaruit de lijnintegraal. &lt;br /&gt;
**Los de intergaal uit a op met behulp van de stelling van Green. Je hoeft deze niet volledig uit te rekenen, je kan de oppervlakte van D bepalen uit je antwoord in vraag a. &lt;br /&gt;
**F is niet conservatief. Bepaal een veld G zodat G+F wel conservatief is en bepaal de potentiaal van G+F. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== Matlab ====&lt;br /&gt;
*Beschouw het stelsel differentiaalvergelijkingen: dy1/dt=4*sin(0.2y1)+2(1-y2^2)y1-y2 en dy2/dt=y1 &lt;br /&gt;
**Maak een functie met de naam stelsel.m waarin je het stelsel differentiaalvergelijkingen programmeert. &lt;br /&gt;
**Maak een script met de naam figuren.m waarin je het stelsel differentiaalvergelijkingen oplost en twee figuren maakt. Deel het script op in drie sections als volgt (je begint een nieuwe section met (%%): &lt;br /&gt;
***Section 1: Los het stelsel differentiaalvergelijkingen op met beginvoorwaarden y1(0)=-4 en y2(0)=2 en tijdsinterval [0,30]. &lt;br /&gt;
***Section 2: Maak een eerste figuur waarin je de oplossingen van y1 en y2 samen op één venster plot. Plot de grafiek van y1 in een blauwe streeplijn en de grafiek van y2 in een rode volle lijn. Noem de assen respectievelijk t en y. Maak een legende. &lt;br /&gt;
***Section 3: Maak een tweede figuur waarin je een faseportret maakt. Zorg ervoor dat je een pijl tekent in elk punt bepaald door de volgende vectoren: -7:0.3:6 en -3:0.2:3. Teken in deze figuur ook de trajectorie met de gegeven beginvoorwaarde. Benoem de assen. Kies zelf een logische naam voor elke as. &lt;br /&gt;
*Een pretpark hanteert verschillende toegangstarieven als volgt: &lt;br /&gt;
**De dagprijs is 40 euro vanaf 12 tem 64 jaar. Kinderen vanaf 3 tem 11 jaar en ouderen vanaf 65 jaar betalen 32 euro per dag. Kinderen tem 2 jaar krijgen gratis toegang. &lt;br /&gt;
**Het is ook mogelijk om het pretpark twee aneensluitende dagen te bezoeken in combinatie met een overnachting. Een overnachting kost 50 euro per persoon (onafhankelijk van de leeftijd). Daarnaast moet de bezoeker ook tweemaak een dagtarief betalen. Echter krijgen zij een korting van 20% op de dagprijs. Bv een bezoeker van 70 jaar betaalt voor twee aaneensluitende dagen met overnachting 50 euro + 2x25.6 euro=101.2 euro. Voer de volgende opdrachten uit. &lt;br /&gt;
***Maak een functie met de naam inkomsten.m met als input een 2xn matrix B. De input stelt een lijst van n bezoekers voor. Op elke kolom staan de gegevens van één bezoeker. In de eerste rij staat de leeftijd. In de tweede rij staat het cijfer 1 of 2. Het cijfer 1 betekent dat de bezoeker slechts één dag blijft. Het cijfer 2 betekent dat de bezoeker blijft overnachten en het pretpark twee aaneensluitende dagen bezoekt. De output van de functie is een getal dat de inkomsten horende bij de bezoekersmatrix B weergeeft. Je mag veronderstellen dat de inputmatrix steeds een geldige bezoekersmatrix is (dus een matrix met twee rijen waarvan de eerste rij leeftijden bevat en de tweede rij enkel de cijfers 1 en 2.) &lt;br /&gt;
**Maak een script met de naam bezoekers.m waarin je het volgende doet: &lt;br /&gt;
***Definieer de variabele B en bewaar hierin de bezoekersmatrix [31 7 2 75 80 18 15 33 65 44; 1 1 1 2 2 1 1 2 1 2] &lt;br /&gt;
***Bereken dan met behulp van de functie inkomsten.m de inkomsten horende bij deze bezoekersmatrix. Bewaar het resultaat in de variabele I. ***Print de volgende string waarbij je gebruik maakt van de variabele I. De inkomsten zijn gelijk aan 614.4 euro. Als je het script bezoekers.m runt, zou je dus het volgende moeten zien: &lt;br /&gt;
***&amp;gt;&amp;gt;bezoekers De inkomsten zijn gelijk aan 614.4 euro.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=497</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=497"/>
		<updated>2024-02-01T17:25:31Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2024 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
* Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
* Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====18 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
* Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
* Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
* Een bodem van pH 6,5 bevat 10 mmol / kg DS orthofosfaat. De bodem heeft 80 mmol/kg bindingssite en de sorptieconstante Ks van orthofosfaat (elke vorm, dus H2PO4-, HPO4(2-), enz) is 2000 l/mol. Het volumetrisch vochtgehalte van de bodem is 0,25 l/kg DS en in het poriewater (met ionische sterkte 0,01 M) is Ca(2+) concentratie 2mM. De bodem wordt bekalkt. Boven welke pH kan fosfaat in de bodem neerslaan als Ca3(PO4)2 dat oplosbaarheidsproduct heeft van logKsp = -28,9? Neem aan dat de activiteit van Ca(2+) niet varieert bij de bekalking. De pKa’s van orthofosfaat zijn 2,1;7,2;12,3. Ga ervan uit dat de Langmuir-waarde Ks verwijst naar de concentratie orthofosfaat [P] en niet naar de activiteit (P). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
* Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
* K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
* Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====19 januari - namiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
* Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
* Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
* Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====22 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
* Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
* Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
* Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk (zelfde als op 18 januari in de namiddag)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====23 januari - voormiddag====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
*Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
*Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=496</id>
		<title>Inleiding in de ecologie en evolutie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=496"/>
		<updated>2024-02-01T17:21:15Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Luc De Meester|data3=Hoorcollege, discussiesessie, eigen excursie|data4=Schriftelijk|data6=3|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label 4=Examenvorm|label 6=Studiepunten|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=?e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0L65AN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze cursus wordt door een pater van Bios gegeven, dus lijkt daardoor heel sympathiek. Maar hij verbetert wel streng. Ook houd ie ervan om &#039;in mijnen tijd&#039; verhaaltjes te vertellen, zeker dat ie op minstens 30 excursies ging per jaar. Daar moet je zelf ook een van regelen, dus houd daarmee rekening mee. Voor de rest stelt de cursus echt niet veel voor, tis een inleiding tot het vak &#039;Ecologie&#039; in het, voor ons, derde jaar. De prof houdt er ook van om veel interactie met de aula te hebben. Gelukkig zit je met alleen maar 1ste jaar biologen en soms ook wat verdwaalde archeologen. Dus je hoeft bijna nooit om zijn vragen te antwoorden. Ook zet hij bijna niks op toledo. Er moet dus altijd een persoon in de les zitten om de info die hij geeft, van wat wegvalt en wat niet, op te schrijven. &amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Tegenwoordig worden de lessen gegeven door Prof. Steven Declerck. Hij zet alle powerpoints online, samen met video&#039;s waarin hij de belangrijkste dingen nog eens uitlegt.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Geef de 4 bewijzen voor evolutie en leg kort uit. (6 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe seksuele reproductie parasieten kan tegenhouden. (2 ptn)&lt;br /&gt;
* Geef de definitie van het compensatiepunt. (1ptn)&lt;br /&gt;
* Leg uit hoe &#039;top-down&#039; en &#039;bottom-up&#039; controle kan worden bepaald door het aantal trofische niveaus. (4 ptn)&lt;br /&gt;
* Leg volgende formule uit: dN1/dt = ... (die van Lotka Volterra). Leg de verschillende symbolen uit. Wat kan hier uit worden afgeleid? Toon aan met een grafiek en leg uit. (5 ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn) &lt;br /&gt;
* Geef de predatorvoedselketen weer aan de hand van een illustratie en leg uit. Leg meer uit over verlies in deze keten en 2 gevolgen hiervan. (4ptn) &lt;br /&gt;
* Predatie heeft niet altijd negatieve gevolgen in het predatie prooi model voor de prooipopulatie, leg uit. (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Wat zijn de verschillen tussen holoparasieten en hemiparasieten? Geef van elk een voorbeeld (1,5ptn) &lt;br /&gt;
* Juist of onjuist (4ptn) &lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
** De draagkracht is de maximale rekrutering&lt;br /&gt;
** Het exponentieel model werd gecorrigeerd in het logistisch model door de term (N-K)/K&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. &lt;br /&gt;
*Leg uit hoe en waarom de biodiversiteit op een eiland verschilt met die van het nabije vaste land. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voor- en nadelen van experimenteel onderzoek t.o.v. observaties in het veld. &lt;br /&gt;
*Geef de definitie van het compensatiepunt en hoe verschilt dit bij zonne- en schaduwplanten. &lt;br /&gt;
*Juist of fout? Indien het fout is, leg ook kort uit waarom. &lt;br /&gt;
** Organismen streven in evolutie naar een verbetering van hun bouwplan.&lt;br /&gt;
** Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
** Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*10 meerkeuzevragen (4 stellingen waarvan je er een moest aanduiden) &lt;br /&gt;
** Ecologische Niche&lt;br /&gt;
** Verband productie en productiviteit&lt;br /&gt;
** Gastheer-Parasiet interacties&lt;br /&gt;
** Compensatie punt&lt;br /&gt;
** C:N verhouding&lt;br /&gt;
** Evolutie mechanismen&lt;br /&gt;
** Voedselketens en voedselwebben&lt;br /&gt;
** Ramets en genets&lt;br /&gt;
** Interferentiecompetitie&lt;br /&gt;
** Predator-geïnduceerde verdedigingsmechanismen&lt;br /&gt;
*Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
*Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap wat het belang ervan was &lt;br /&gt;
*Wat is netto rekrutering, illustreer (dus met grafiek), en het verband met duurzame oogsten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen (ramets en genets, ultieme/proximale verklaringen, evolutie, interspecifieke concurrentie...) &lt;br /&gt;
* De netto-rekrutering in verband brengen met over-exploitatie, zeggen hoe je ze samen kan gebruiken en situeren aan de hand van een grafiekje &lt;br /&gt;
* Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
* Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap waarom deze zo belangrijk is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
* 10 meerkeuzevragen over o.a.: ramets en genets, trofische niveau&#039;s, evolutie, C/N ratio, proximale/ultieme verklaringen,... &lt;br /&gt;
* Evolutie door natuurlijke selectie &lt;br /&gt;
* Wat zijn ruilfuncties, wat is het belang voor de ecologie en evolutie, geef twee voorbeelden van ruilfunctie bij planten en bij dieren &lt;br /&gt;
* netto-recrutering: situeer a.h.v. tekening &lt;br /&gt;
* interspecifieke competitie: situeer + leid Lotka-Volterramodel af&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
* Stellingen, juist of fout en uitleg geven wanneer fout &lt;br /&gt;
* Het bepalen van de fundamentele niche van een soort is niet mogelijk tenzij men beschikt over een volledige data-set van het voorkomen van de soort in de wereld, uiteraard mét gegevens over de condities en bronnen waarvan men de niche-assen wil kwantificeren. &lt;br /&gt;
* Omwille van de ongunstige C/N verhouding hebben herbivoren nood aan sterkere mutualistische interacties met microbiële organismen in hun spijsverteringsstelsel dan carnivoren. &lt;br /&gt;
* Bij predator geïnduceerde verdedigingsmechanismen geldt dat de proximale verklaring verband houdt met de indirecte reactie op een aanval van de predator (&amp;quot;vlucht&amp;quot;), terwijl de ultieme verklaring doelt op de detectie vanop afstand van de predator (&amp;quot;vermijden&amp;quot;). &lt;br /&gt;
* Is volgend fenomeen een vb van interferentiecompetitie? Eendekroost kan slechts 1 laagje bladeren op het wateroppervlak vormen omdat bladeren elkaar hinderen in het bekomen van voldoende licht. &lt;br /&gt;
* definities en korte vragen &lt;br /&gt;
** Eilanden zijn belangrijk voor de globale diversiteit. Verklaar. &lt;br /&gt;
** Draagkracht van de omgeving + figuur tekenen. &lt;br /&gt;
** Leid de logistische groeivergelijking (Lotka-Volterra model voor competitie) af.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Hydrogeologie&amp;diff=495</id>
		<title>Hydrogeologie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Hydrogeologie&amp;diff=495"/>
		<updated>2024-02-01T17:16:26Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* Januari */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Marijke Huysmans|data3=Hoorcollege, oefenzitting|data4=Mondeling met schriftelijke voorbereiding|data6=4|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O80CN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Ze vraagt altijd hetzelfde en het is open boek dus los alle vragen van de wiki op en je hebt een 20/20 ;) Geen zin om ze op te lossen? Vraag het aan ouderejaars.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? Verklaar &lt;br /&gt;
**De effectieve grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laaf is de dispersie vaak het dominante transportproces. &lt;br /&gt;
**Freatische aquifers zijn veel gevoeliger voor overexploitatie dan gespannen afgesloten aquifers. &lt;br /&gt;
**De hoeveelheid grondwater die je in een bepaald gebied op een duurzame manier kan onttrekken is gelijk aan de gemiddelde grondwatervoeding maal de oppervlakte van dat gebied. &lt;br /&gt;
**In slecht doorlatende lagen is de verticale hydraulische conductiviteit typisch groter dan de horizontale hydraulische conductiviteit. &lt;br /&gt;
*Beschrijf alle verschillende manieren waarop klimaatverandering een effect kan hebben op de grondwaterreserves. &lt;br /&gt;
*In een afgesloten watervoerende laag pompt een pompput aan een constant debiet van 500 m3 per dag. Op 10 meter is peilput 1, peilput B ligt op 25m. De stijghoogten in de peilputten zijn A=80 en B=82m. Bereken T en K, stijghoogte net naast pompput. Pompput heeft een staal van 0,5m. De laag is 8m dik. &lt;br /&gt;
*3 peilbuizen: A op 400m ten noorden van B, C op 200m ten westen van B. Een tabel met hoogte peilbuisfilters vab de drie peilbuizen en het waternivieau in elke peilbuis ten opzichte van een referentieniveu. &lt;br /&gt;
***Hoogte van peilbuisfilter: A=B=C=245,0m &lt;br /&gt;
***Hoogte waterniveau: A=264,0 ; B=267,4m ; C=266,3&lt;br /&gt;
**Wat is de stijghoogte in elk van de 3 peilbuizen?&lt;br /&gt;
**Drukhoogte in B &lt;br /&gt;
**Waterdruk net naast het meetpunt in B&lt;br /&gt;
**hydraulische conductiviteit van 10 m/dag, homogeen en isotroop. Bereken specifieke debiet en leg uit in welke richting (N,O,Z,W,NO,NW,ZO,ZW) grondwater stroomt en hoe je dit bepaalde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid in poreus milieu is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**Freatische watervoerende lagen zijn veel kwetsbaarder voor overbemaling dan gespannen watervoerende lagen. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is dispersie het belangrijkste transportproces. &lt;br /&gt;
**nog 2 help me aub &lt;br /&gt;
*Beschrijf hoe de klimaatverandering invloed kan hebben op het grondwater Oefening makkelijk: T en K bepalen afgesloten wvl met pomp stationair 500 m^3/dag en twee peilputten op afstand 10 en 25 m. (Thiem) &lt;br /&gt;
**Hoeveel is de stijghoogte naast de pompput met r=0.5m &lt;br /&gt;
*Oefening moeilijker: Filterhoogte en stijghoogte gegeven voor 3 peilputten. &lt;br /&gt;
**Hoeveel is de drukhoogte, de stijghoogte en de waterdruk. &lt;br /&gt;
**In welke richting is de watervloei en waarom (gradiënt). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid in poreus milieu is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De richting van de grondwatersnelheid staat altijd loodrecht op de isogypsen &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe met de dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluïdum. &lt;br /&gt;
**Freatische watervoerende lagen zijn veel kwetsbaarder voor overbemaling dan gespannen watervoerende lagen. &lt;br /&gt;
*Veronderstel dat je het transport van radionucliden in Boomse Klei wil berekenen. Welke transportprocessen zijn zeer belangrijk om rekening mee te houden en welke zijn in mindere mate belangrijk. Bespreek alle transportprocessen die je kent en waarom je ze wel of niet in rekening neemt. &lt;br /&gt;
*In een afgesloten watervoerende laag pompt een pompput aan een constant debiet van 500m&amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt; per dag. Er zijn twee peilputten A en B geïnstalleerd op respectievelijke afstanden 10m en 25m van de pompput. De stijghoogte in de peilputten zijn Ha = 80,0m en Hb = 82,0m. Bereken T en K van de watervoerende laag en bereken de stijghoogte net naast de pompput, die een straal heeft van 0,5m. &lt;br /&gt;
*Bereken de stijghoogte in peilputten A en B en de waterdruk aan de onderkant van de peilputten. Heeft de grondwaterstroming in de omgeving van de peilputten een opwaartse of neerwaartse component? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe bij toename van dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
**Een freatisch watervoerende laag is meer kwetsbaar voor overbemaling dan een gespannen watervoerende laag &lt;br /&gt;
*Welke transportprocessen zijn belangrijk en welke zijn niet belangrijk voor radionuclides in de Boomse Klei. &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen met gegeven Q, twee stijghoogtes en afstanden tot die stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Oefening: Bereken de stijghoogte in twee peilputten, ook de waterdruk, met gegevens zoals in oefening 6. Stroomt het opwaarts of niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 == &lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe bij toename van dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
**Een freatisch watervoerende laag is meer kwetsbaar voor overbemaling dan een gespannen watervoerende laag &lt;br /&gt;
*Welke transportprocessen zijn belangrijk en welke zijn niet belangrijk voor radionuclides in de Boomse Klei. &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen met gegeven Q, twee stijghoogtes en afstanden tot die stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Oefening: Bereken de stijghoogte in twee peilputten, ook de waterdruk, met gegevens zoals in oefening 6. Stroomt het opwaarts of niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? (4 stellingen dat ze vorige jaren ook al vroeg) &lt;br /&gt;
*Figuur van model van Tornwait (infiltratie ding) uitleggen &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen &lt;br /&gt;
*Verticale doorsnede met 4peilputten. Hierbij het specifieke debiet per laag en nog wa andere dingen berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
14/01 - nm &lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Het bestuderen van uitdrogingscurves is een nauwkeurige manier om het grondwaterdebiet te bepalen. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is moleculaire diffusie het belangrijkste proces. &lt;br /&gt;
*Uit welke aquifers in de omgeving van Leuven wordt er drinkwater gehaald? &lt;br /&gt;
*Wat zouden de oorzaken kunnen zijn van het veranderen van de stijghoogte in een peilput in de tijd? &lt;br /&gt;
*Een oefening op pompproeven. &lt;br /&gt;
*Een tekening is gegeven met de gegevens van 4 peilputten. Er zijn 3 lagen op de tekening te zien, 2 zandlagen met een siltige kleilaag ertussen naast een rivier. &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de horizontale richting van de bovenste zandlaag. &lt;br /&gt;
**Ga ervan uit dat dit specifiek debiet geldt voor de hele laag. Hoe groot is de afstroom naar de rivier per meter van de rivier? &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de horizontale richting van de onderste zandlaag. &lt;br /&gt;
**Ga ervan uit dat dit specifiek debiet geldt voor de hele laag. Hoe groot is de afstroom naar de rivier per meter van de rivier? &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de verticale richting voor de siltige kleilaag. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
15/01 - vm &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar:&lt;br /&gt;
**De uitdrogingscurve is een goede maat om de grondwateruitstroom te bepalen. &lt;br /&gt;
**De dispersie is 0 als de gradiënt 0 is. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Naarmate de onverzadigde laag dikker wordt, is het grondwater beter beschermd. &lt;br /&gt;
*Vergelijk de beschermingszone met de afpompingskegel. &lt;br /&gt;
*Oefening op wet van Darcy en transmissiviteit berekenen. &lt;br /&gt;
*Stijghoogte, druk en grondwaterstroming berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
15/01 - nm &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is de moleculaire diffusie het belangrijkste transportproces. &lt;br /&gt;
**In een kleiige laag is de effectieve porositeit ongeveer gelijk aan de totale porositeit. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
*Illustreer het effect van advectie, dispersie, diffusie en sorptie op de aankomstcurve (concentratie ifv tijd). &lt;br /&gt;
*3-lagensysteem, dikte en K in elke laag gekend. Bereken horizontale en verticale K. En adhv van stijghoogtes q bepalen en de tussenliggende stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Twee irrigatiekanalen liggen op 800m van elkaar, 5 m boven de onderkant van de aquifer, centraal ligt de waterscheiding 12,3 meter boven de onderkant van de aquifer, grondwatervoeding = 0,0010. Bereken horizontale K. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**is de grondwatersnelheid recht evenredig met de effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**is in een slecht doorlatende laag de diffusieterm de dominante proces in het transportproces &lt;br /&gt;
**is in een kleiige laag de effectieve porositeit ongeveer gelijk aan de totale porositeit &lt;br /&gt;
**is de intrinsieke permeabiliteit afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
*illustreer effect advectie, dispersie, diffusie en sorptie op de aankomstcurve (concentratie ifv tijd) &lt;br /&gt;
*algemene vergelijking van afgesloten watervoerende laag, leg elke term uit &lt;br /&gt;
*3-lagensysteem, dikte en K in elke laag gekend. bereken horizontale en verticale K. en adhv van stijghoogtes q bepalen en de tussenliggende stijghoogtes &lt;br /&gt;
*twee irrigatiekanalen op 800m van elkaar, 5 m boven onderkant aquifer, centraal 12,3 meter boven aquifer, grondwatervoeding = 0,0010. bereken horizontale K &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**Het grondwater stroomt altijd loodrecht op de isohypsen. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is moleculaire diffusie het belangrijkste proces. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Met een uitdrogingscurve kunnen we zeer precies de afstroming naar de rivier meten. &lt;br /&gt;
*Wat is het verschil tussen potentiële evaporatie en werkelijke evaporatie.Geef de vergelijkingen waarmee ze beschreven worden. &lt;br /&gt;
*Wat is het verschil tussen sorptie en degradatie? Welke vergelijkingen beschrijven ze? Welk effect hebben ze op de grondwaterstroming? Hoe bepaal je hoe groot de invloed is van deze processen? &lt;br /&gt;
*Het debiet dat uit een pompput gepompt wordt is 600 m²/dag. De diameter van de pompput is 30 cm. Op 8 m afstand staat een peilput. De stijghoogte in de peilput is 230 m en de stijghoogte in de pomput is 227 m. Bereken de transmissiviteit. &lt;br /&gt;
*Tekening gegeven (bovenaan zandlaag 6m verzadigde zone, eronder siltige kleilaag 5 m dik, daaronder zandlaag 15 m dik, onderaan kleilaag)op de zijkant van de tekening staat een rivier die tot in de tweede zandlaag gaat,4 peilputten waarvan 2 per zandlaag op 100 m van elkaar, hydraulische conductiviteiten gegeven en stijghoogtes gegeven. &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de bovenste zandlaag &lt;br /&gt;
**bereken hoeveel m³ water er naar de rivier stroomt per meter rivier (debiet berekenen) &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de onderste zandlaag &lt;br /&gt;
**bereken hoeveel m³ water er naar de rivier stroomt per meter rivier &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de siltige kleilaag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek 2 manieren van waterwinning die we gezien hebben op excursie. Bespreek ook het effect van het milieu op de winning en het effect van de waterwinning op de omgeving. &lt;br /&gt;
*Longitudinale diffusiecoëfficiënten uitleggen &lt;br /&gt;
*oefeningen : Iets met twee rivieren op de hoogtes 8.5 en 10. Dan opzoek gaan naar afstand tot de waterscheiding,... ( Toch niet zo&#039;n makkelijke oefening, leek een beetje op thuisopdracht 2) &lt;br /&gt;
*Verschil bergingscoëfficiënt en effectieve porositeit &lt;br /&gt;
*Uitleggen wat adsorptie is en wat voor effect dat dat heeft op die grafiek en in verband brengen met advectie(C/t) #eigenschappen van een kwaliteitskaart &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;mondeling&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Ge hebt een pomping: waar moet ge rekening meehouden bij het afbaken van de beschermingszone. (Snelheid van u grondwaterstroom, advectie/dispersie...) &lt;br /&gt;
*Ge hebt een stort boven een kleilaag waar moet ge rekening houden bij vervuiling van het grondwater ? (Adsorptie en dispersie) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Tekenen van stroomlijnen op een profiel. (equipotentiaal lijnen zijn getekend) aanduiden waar er kwel en voeding gebieden en stagnatiepunten zijn. Berekenen van de gradient en de maximale stromingstijd (nog iets?). Je krijgt een klad versie en een tegoeie versie. (Lander heeft dit mee gejat ) &lt;br /&gt;
*Oefening op stijghoogte, drukhoogte, plaatshoogte,... ( bijna identiek aan de oefening van de oefenzitting) + gradient berekenen en zeggen hoe het water stroomt &lt;br /&gt;
*Pomping: Specifieke bergingscoefficiënt berekenen + het deel dat bepaald is door de samendrukbaarheid van het water en van het korrelskelet. En zeggen wat je hier uit kan besluiten gegeven: Q, daling, B, n, oppervlakte, &lt;br /&gt;
*Zandlaag met twee rivieren in. je moet de afvoer per meter bepalen (zoiets) formuletje uit de powerpoint. &lt;br /&gt;
*Pomping, je hebt twee piëzometers geplaatst op x afstand en je moet K en T bepalen ( het is steady state er is gegeven hoeveel de daling is + de straal van de pompbuis). Dan moet je bepalen hoe hoog het water in de pompput staat. (Initiele hoogte was 40m boven referentie) + Hoe ver men moet gaan om geen invloed meer te hebben van de pompput. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wet van darcy uitleggen. Uitleggen van K wat is dit juist van wat hangt dat af. wat is de hydraulische gradiënt. Hoe zit het juist met de specifieke bergingscoefficient en de opbrengscoefficient en zeggen welke waar voorkomt en welke het grootst is. Tot slot vroeg hij nog welke aanname er was die niet geldt bij een laag met een rivier in ( lagen lopen tot in het oneindig) en hoe we dat oplossen (spiegelputmethode) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Schriftelijk gedeelte&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven de figuur 3.16 met hoeveelheden water in elk systeem. Wat is een waterbalans? Bepaal de verblijftijd van water in bodemvocht. &lt;br /&gt;
*Wat is een isohypsenkaart? Hoe bepaalt men deze? Teken een isohypsenkaart van een rivier die door grondwater gevoed wordt. Teken ook een verticale doorsnede + de stroomlijnen. &lt;br /&gt;
*Afgesloten aquifier van 35m dik, Q = 50m³/d, men pompt 5 jaar. Het piezometrisch vlak is gedaald met 6m over een oppervlakte van 1,5km². **Bepaal de Ss. &lt;br /&gt;
**Wat is de bijdrage van de samendrukbaarheid van water tot de Ss? (n en betha zijn gegeven) Wat kan je hieruit concluderen? &lt;br /&gt;
*Oefening op equivalente K-waarde. 3 sub lagen &lt;br /&gt;
**15m dik, K=10^-4, &lt;br /&gt;
**10m, K=10^-5, &lt;br /&gt;
**5m, K=10^-3. &lt;br /&gt;
**Bepaal het grondwaterdebiet. &lt;br /&gt;
*De hoogte van de grondwaterspiegel op een eiland in de zee (dichtheid = 1020 kg/m³) is 10m, bepaal de maximale diepte van de zoetwaterlens onder het eiland. &lt;br /&gt;
*Oefening over stijghoogtes. 2 peilbuizen staan naast elkaar, A op 12m en B op 12,5m. De diepte van buis A is 12m, die van B 15m. De diepte van de watertafel is in A 2m en in B 3,2m. Bepaal de gradient en hoe stroomt het water? &lt;br /&gt;
*In welk soort aquifer (vrij of afgesloten) daalt het piezometrisch oppervlak het snelste bij afpomping? Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vragen over de peilput die we hebben geplaatst: &lt;br /&gt;
**Wat is een diver, wat meet die? &lt;br /&gt;
**Grafiekje met de stijghoogtes in de put en de neerslag: Wat zie je? Verklaar de fluctuaties? Hoe bekomt met de schaal op de y-as s (mTAW)?Hoe komt het dat het waterniveau plot zeer sterk daalde (de diver werd eruit gehaald)? &lt;br /&gt;
*Leg uit: wet van Darcy &lt;br /&gt;
*Hoe verandert de K als de temperatuur van het water stijgt? &lt;br /&gt;
*Wat is een Stiff-diagram? #Wat is de vergelijking van Theis? Voor welk soort lagen? &lt;br /&gt;
*Als een rivier een grondwatertafel voedt waaruit wordt gepompt, hoe kan je dit in rekening brengen om de afpompingskegel te berekenen? (methode van de spiegelput) &lt;br /&gt;
*Wat is de opbrengstcoefficient en de specifieke berging? &lt;br /&gt;
*Wat is HCOV #Excursievraag: bespreek bij een waterwinning hoe deze beschermd was en of dat goed genoeg is ofzoiets. Tip voor wie het vak gaat afleggen: Ga zo snel mogelijk naar de prof voor uw mondeling. Ik heb gehoord dat sommige apen hebben daar van half 9 tot 16u gezeten. Plezantste dag ooit! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
*Bespreek aan de hand van wat we op de excursie gezien hebben 2 voordelen van grondwaterwinningen. Bespreek ook 2 bedreigingen van grondwaterwinningen en welke maatregelen men daartegen heeft (of kan) genomen (nemen). Indien je niet op excursie was, los deze vraag op adhv je opgedane kennis uit de cursus. &lt;br /&gt;
*Je kreeg een figuur. Hoe noemt men deze stippellijn? (Piëzzometrisch vlak) Duid aan waar je een pompput zou plaatsen &lt;br /&gt;
**op de intrekzone &lt;br /&gt;
**op een plaats onder het piezometrisch oppervlak &lt;br /&gt;
**boven piezometrisch opp (was een afgesloten watervoerende laag dus) [[Bestand:Hydro 2008.gif]] &lt;br /&gt;
*Hoe meten we grondwaterstanden. Waarbij moeten we opletten bij het meten van grondwaterstanden? Wat is een diver? &lt;br /&gt;
*Wat is HCOV? Wat is het Centraal Kempisch Syteem? Waardoor wordt dit in vertikale zin afgebakent? &lt;br /&gt;
*Geef de formule voor stationaire, isotrope, 2D stroomvergelijking zonder aanvoer of afvoer van water (is een formuleke in de cursus waar ge blijkbaar ne hoop van moest schrape) en leg uit. &lt;br /&gt;
*de stijghoogte van een afgesloten aquifer is 5m en de aquifer is 1km² breed, de dikte van de watervoerende laag is 15m en bergingscoëfficiënt is 8,3.10^-3. Bepaal ..... ??? &lt;br /&gt;
*oppervlakte is 165,5 meter boven zeespiegel. 3 filters op 15, 25 en 35 meter diep. in elke filter respectievelijk 3,75, 3,96 en 4,14m drukhoogte. Bepaal de stijghoogte en de gradiënt. In welke richting stroomt je grondwater en waarom? &lt;br /&gt;
*Q=1000m³/dag, K = 7m/dag, effectieve porositeit = 0,2, dikte van de watervoerende laag = 40m en er wordt 100 dagen afgepompt in een freatische watervoerende laag. Bepaal de daling van de watertafel op afstand 100m van de afpomping. Leg je methode uit &lt;br /&gt;
*Wat is een isohypsenkaart. Leg uit, geef een voorbeeld kaartje en geef ook een vertikale doorsnede waarop isohypsen en stroomlijnen aangeduid staan. &lt;br /&gt;
*Advectie + Dispersie, formule geven en uitleggen, zowel mathematisch als fysisch. Geef ook de invloed van deze processen op de breakthrough curve weer. &lt;br /&gt;
*Op 200meter afstand van elkaar staan 2 filters op 21meter diep en 24 meter diep. De basis van de watervoerende laag is 52meter onder het maaiveld. De hydraulische conductiviteit is 4.10^-5 m/s en de effectieve porositeit is 0,2. Bereken de effectieve snelheid van het water en q. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de definitie in zijn fysische/wiskundige context (of zo) van: &lt;br /&gt;
**Effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**Specifieke bergingcoefficient &lt;br /&gt;
**hydaulische conductiviteit &lt;br /&gt;
**Longitudinale Dispersiviteit &lt;br /&gt;
**Vertragingsfactor &lt;br /&gt;
**Recessiecoefficient &lt;br /&gt;
*Leg het effect van advectie, diffusie, dispersie, adsorptie-desorptie en degradatie uit op een breaktrough curve. &lt;br /&gt;
*Let uit: De wet van Darcy. &lt;br /&gt;
*Wat voor invloed heeft de dichtheid van water op polluentverspreiding. &lt;br /&gt;
*Bespreek de methode van Thiem-Dupuit en geef aan aan welke voorwaarden moet voldaan zijn voor vrije en voor afgesloten watervoerende lagen. Wat bijvragen over hoe deze methode te gebruiken etc. &lt;br /&gt;
*Wat is advectie en van welke paraametters is het afhankelijk. Bijvraag over andere transportprocessen. &lt;br /&gt;
*6 woordjes (de definitie en de fysisch-mathematische betekenis te geven): &lt;br /&gt;
**intrinsieke doorlatendheid &lt;br /&gt;
**effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**transversale dispersiviteit &lt;br /&gt;
**recessiecoefficient &lt;br /&gt;
**lineaire degradatie constante &lt;br /&gt;
**effectieve diffusiecoefficient &lt;br /&gt;
*Bespreek de verschillende transportprocessen van polluenten &lt;br /&gt;
*Geef een voorbeeld van een grondwater - rivier interactie #specifieke bergingscoefficient + relatie samendrukbaarheid #geef vgl voor afgesloten, niet stationaire stroming + wat is dispersie #wat kan je aflezen van een isohypsenkaart? geef een voorbeeld. bijvragen over verschillende K&#039;s en stijghoogte &lt;br /&gt;
*kan een grondwaterwinning voor verzakkingen zorgen? &lt;br /&gt;
*verklaar: transversale dispersiviteit. hydraulische conductiviteit. bijvragen over temperatuur, grootteordes K,... &lt;br /&gt;
*Waterbalans opstellen voor hydrologisch en hydrogeologisch bekken &lt;br /&gt;
*Waarom is het gebruik van gemiddelde waarden gevaarlijk? &lt;br /&gt;
*Bespreek hydraulische conductivitieit &lt;br /&gt;
*Woordjes: &lt;br /&gt;
**Tracertest: bedoeling, verklaring... &lt;br /&gt;
**grondwaterwinningbeschermingszones: principes om ze op te stellen, en hoe &lt;br /&gt;
**hoe bepalen van de waterhoogte in een rivier, hoe grondwaterdebiet bepalen, recessiecoefficient &lt;br /&gt;
**specifieke bergingscoefficient &lt;br /&gt;
*Beschrijf en verklaar wet van Darcy en geef definitie van doorlaatvermogen. Is de wet nog geldig voor een ander fluidum dan water? &lt;br /&gt;
*Schrijf een vgl van niet stationaire grondwaterstroming met gebruik van Doorlaatvermogen &lt;br /&gt;
*Wat is dispersie?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Hydrogeologie&amp;diff=494</id>
		<title>Hydrogeologie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Hydrogeologie&amp;diff=494"/>
		<updated>2024-02-01T17:14:48Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: 2024&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Marijke Huysmans|data3=Hoorcollege, oefenzitting|data4=Mondeling met schriftelijke voorbereiding|data6=4|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=2e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0O80CN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;Ze vraagt altijd hetzelfde en het is open boek dus los alle vragen van de wiki op en je hebt een 20/20 ;) Geen zin om ze op te lossen? Vraag het aan ouderejaars.&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? Verklaar &lt;br /&gt;
**De effectieve grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laaf is de dispersie vaak het dominante transportproces. &lt;br /&gt;
**Freatische aquifers zijn veel gevoeliger voor overexploitatie dan gespannen afgesloten aquifers. &lt;br /&gt;
**De hoeveelheid grondwater die je in een bepaald gebied op een duurzame manier kan onttrekken is gelijk aan de gemiddelde grondwatervoeding maal de oppervlakte van dat gebied. &lt;br /&gt;
**In slecht doorlatende lagen is de verticale hydraulische conductiviteit typisch groter dan de horizontale hydraulische conductiviteit. &lt;br /&gt;
*Beschrijf alle verschillende manieren waarop klimaatverandering een effect kan hebben op de grondwaterreserves. &lt;br /&gt;
*In een afgesloten watervoerende laag pompt een pompput aan een constant debiet van 500 m3 per dag. Op 10 meter is peilput 1, peilput B ligt op 25m. De stijghoogten in de peilputten zijn A=80 en B=82m. Bereken T en K, stijghoogte net naast pompput. Pompput heeft een staal van 0,5m. De laag is 8m dik. &lt;br /&gt;
*3 peilbuizen: A op 400m ten noorden van B, C op 200m ten westen van B. Een tabel met hoogte peilbuisfilters vab de drie peilbuizen en het waternivieau in elke peilbuis ten opzichte van een referentieniveu. &lt;br /&gt;
**Wat is de stijghoogte in elk van de 3 peilbuizen?&lt;br /&gt;
**Drukhoogte in B &lt;br /&gt;
**Waterdruk net naast het meetpunt in B&lt;br /&gt;
**hydraulische conductiviteit van 10 m/dag, homogeen en isotroop. Bereken specifieke debiet en leg uit in welke richting (N,O,Z,W,NO,NW,ZO,ZW) grondwater stroomt en hoe je dit bepaalde. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid in poreus milieu is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**Freatische watervoerende lagen zijn veel kwetsbaarder voor overbemaling dan gespannen watervoerende lagen. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is dispersie het belangrijkste transportproces. &lt;br /&gt;
**nog 2 help me aub &lt;br /&gt;
*Beschrijf hoe de klimaatverandering invloed kan hebben op het grondwater Oefening makkelijk: T en K bepalen afgesloten wvl met pomp stationair 500 m^3/dag en twee peilputten op afstand 10 en 25 m. (Thiem) &lt;br /&gt;
**Hoeveel is de stijghoogte naast de pompput met r=0.5m &lt;br /&gt;
*Oefening moeilijker: Filterhoogte en stijghoogte gegeven voor 3 peilputten. &lt;br /&gt;
**Hoeveel is de drukhoogte, de stijghoogte en de waterdruk. &lt;br /&gt;
**In welke richting is de watervloei en waarom (gradiënt). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid in poreus milieu is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De richting van de grondwatersnelheid staat altijd loodrecht op de isogypsen &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe met de dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluïdum. &lt;br /&gt;
**Freatische watervoerende lagen zijn veel kwetsbaarder voor overbemaling dan gespannen watervoerende lagen. &lt;br /&gt;
*Veronderstel dat je het transport van radionucliden in Boomse Klei wil berekenen. Welke transportprocessen zijn zeer belangrijk om rekening mee te houden en welke zijn in mindere mate belangrijk. Bespreek alle transportprocessen die je kent en waarom je ze wel of niet in rekening neemt. &lt;br /&gt;
*In een afgesloten watervoerende laag pompt een pompput aan een constant debiet van 500m&amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt; per dag. Er zijn twee peilputten A en B geïnstalleerd op respectievelijke afstanden 10m en 25m van de pompput. De stijghoogte in de peilputten zijn Ha = 80,0m en Hb = 82,0m. Bereken T en K van de watervoerende laag en bereken de stijghoogte net naast de pompput, die een straal heeft van 0,5m. &lt;br /&gt;
*Bereken de stijghoogte in peilputten A en B en de waterdruk aan de onderkant van de peilputten. Heeft de grondwaterstroming in de omgeving van de peilputten een opwaartse of neerwaartse component? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe bij toename van dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
**Een freatisch watervoerende laag is meer kwetsbaar voor overbemaling dan een gespannen watervoerende laag &lt;br /&gt;
*Welke transportprocessen zijn belangrijk en welke zijn niet belangrijk voor radionuclides in de Boomse Klei. &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen met gegeven Q, twee stijghoogtes en afstanden tot die stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Oefening: Bereken de stijghoogte in twee peilputten, ook de waterdruk, met gegevens zoals in oefening 6. Stroomt het opwaarts of niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 == &lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**De kwetsbaarheid van een watervoerende laag neemt toe bij toename van dikte van de onverzadigde zone. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke permeabiliteit is afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
**Een freatisch watervoerende laag is meer kwetsbaar voor overbemaling dan een gespannen watervoerende laag &lt;br /&gt;
*Welke transportprocessen zijn belangrijk en welke zijn niet belangrijk voor radionuclides in de Boomse Klei. &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen met gegeven Q, twee stijghoogtes en afstanden tot die stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Oefening: Bereken de stijghoogte in twee peilputten, ook de waterdruk, met gegevens zoals in oefening 6. Stroomt het opwaarts of niet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? (4 stellingen dat ze vorige jaren ook al vroeg) &lt;br /&gt;
*Figuur van model van Tornwait (infiltratie ding) uitleggen &lt;br /&gt;
*Oefening: afgesloten wvl en dan T en K berekenen. En stijghoogte berekenen &lt;br /&gt;
*Verticale doorsnede met 4peilputten. Hierbij het specifieke debiet per laag en nog wa andere dingen berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
14/01 - nm &lt;br /&gt;
*Waar of niet waar? &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Het bestuderen van uitdrogingscurves is een nauwkeurige manier om het grondwaterdebiet te bepalen. &lt;br /&gt;
**De isohypsen staan altijd loodrecht op de stromingsrichting. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is moleculaire diffusie het belangrijkste proces. &lt;br /&gt;
*Uit welke aquifers in de omgeving van Leuven wordt er drinkwater gehaald? &lt;br /&gt;
*Wat zouden de oorzaken kunnen zijn van het veranderen van de stijghoogte in een peilput in de tijd? &lt;br /&gt;
*Een oefening op pompproeven. &lt;br /&gt;
*Een tekening is gegeven met de gegevens van 4 peilputten. Er zijn 3 lagen op de tekening te zien, 2 zandlagen met een siltige kleilaag ertussen naast een rivier. &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de horizontale richting van de bovenste zandlaag. &lt;br /&gt;
**Ga ervan uit dat dit specifiek debiet geldt voor de hele laag. Hoe groot is de afstroom naar de rivier per meter van de rivier? &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de horizontale richting van de onderste zandlaag. &lt;br /&gt;
**Ga ervan uit dat dit specifiek debiet geldt voor de hele laag. Hoe groot is de afstroom naar de rivier per meter van de rivier? &lt;br /&gt;
**Bereken het specifieke debiet in de verticale richting voor de siltige kleilaag. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
15/01 - vm &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar:&lt;br /&gt;
**De uitdrogingscurve is een goede maat om de grondwateruitstroom te bepalen. &lt;br /&gt;
**De dispersie is 0 als de gradiënt 0 is. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Naarmate de onverzadigde laag dikker wordt, is het grondwater beter beschermd. &lt;br /&gt;
*Vergelijk de beschermingszone met de afpompingskegel. &lt;br /&gt;
*Oefening op wet van Darcy en transmissiviteit berekenen. &lt;br /&gt;
*Stijghoogte, druk en grondwaterstroming berekenen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
15/01 - nm &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**De grondwatersnelheid is recht evenredig met de effectieve porositeit. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is de moleculaire diffusie het belangrijkste transportproces. &lt;br /&gt;
**In een kleiige laag is de effectieve porositeit ongeveer gelijk aan de totale porositeit. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
*Illustreer het effect van advectie, dispersie, diffusie en sorptie op de aankomstcurve (concentratie ifv tijd). &lt;br /&gt;
*3-lagensysteem, dikte en K in elke laag gekend. Bereken horizontale en verticale K. En adhv van stijghoogtes q bepalen en de tussenliggende stijghoogtes. &lt;br /&gt;
*Twee irrigatiekanalen liggen op 800m van elkaar, 5 m boven de onderkant van de aquifer, centraal ligt de waterscheiding 12,3 meter boven de onderkant van de aquifer, grondwatervoeding = 0,0010. Bereken horizontale K. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**is de grondwatersnelheid recht evenredig met de effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**is in een slecht doorlatende laag de diffusieterm de dominante proces in het transportproces &lt;br /&gt;
**is in een kleiige laag de effectieve porositeit ongeveer gelijk aan de totale porositeit &lt;br /&gt;
**is de intrinsieke permeabiliteit afhankelijk van de eigenschappen van het stromende fluidum &lt;br /&gt;
*illustreer effect advectie, dispersie, diffusie en sorptie op de aankomstcurve (concentratie ifv tijd) &lt;br /&gt;
*algemene vergelijking van afgesloten watervoerende laag, leg elke term uit &lt;br /&gt;
*3-lagensysteem, dikte en K in elke laag gekend. bereken horizontale en verticale K. en adhv van stijghoogtes q bepalen en de tussenliggende stijghoogtes &lt;br /&gt;
*twee irrigatiekanalen op 800m van elkaar, 5 m boven onderkant aquifer, centraal 12,3 meter boven aquifer, grondwatervoeding = 0,0010. bereken horizontale K &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*waar/niet waar: &lt;br /&gt;
**Het grondwater stroomt altijd loodrecht op de isohypsen. &lt;br /&gt;
**In een slecht doorlatende laag is moleculaire diffusie het belangrijkste proces. &lt;br /&gt;
**De intrinsieke kwetsbaarheid is afhankelijk van de eigenschappen van de vervuilende stof. &lt;br /&gt;
**Met een uitdrogingscurve kunnen we zeer precies de afstroming naar de rivier meten. &lt;br /&gt;
*Wat is het verschil tussen potentiële evaporatie en werkelijke evaporatie.Geef de vergelijkingen waarmee ze beschreven worden. &lt;br /&gt;
*Wat is het verschil tussen sorptie en degradatie? Welke vergelijkingen beschrijven ze? Welk effect hebben ze op de grondwaterstroming? Hoe bepaal je hoe groot de invloed is van deze processen? &lt;br /&gt;
*Het debiet dat uit een pompput gepompt wordt is 600 m²/dag. De diameter van de pompput is 30 cm. Op 8 m afstand staat een peilput. De stijghoogte in de peilput is 230 m en de stijghoogte in de pomput is 227 m. Bereken de transmissiviteit. &lt;br /&gt;
*Tekening gegeven (bovenaan zandlaag 6m verzadigde zone, eronder siltige kleilaag 5 m dik, daaronder zandlaag 15 m dik, onderaan kleilaag)op de zijkant van de tekening staat een rivier die tot in de tweede zandlaag gaat,4 peilputten waarvan 2 per zandlaag op 100 m van elkaar, hydraulische conductiviteiten gegeven en stijghoogtes gegeven. &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de bovenste zandlaag &lt;br /&gt;
**bereken hoeveel m³ water er naar de rivier stroomt per meter rivier (debiet berekenen) &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de onderste zandlaag &lt;br /&gt;
**bereken hoeveel m³ water er naar de rivier stroomt per meter rivier &lt;br /&gt;
**bereken het horizontale specifieke debiet in de siltige kleilaag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek 2 manieren van waterwinning die we gezien hebben op excursie. Bespreek ook het effect van het milieu op de winning en het effect van de waterwinning op de omgeving. &lt;br /&gt;
*Longitudinale diffusiecoëfficiënten uitleggen &lt;br /&gt;
*oefeningen : Iets met twee rivieren op de hoogtes 8.5 en 10. Dan opzoek gaan naar afstand tot de waterscheiding,... ( Toch niet zo&#039;n makkelijke oefening, leek een beetje op thuisopdracht 2) &lt;br /&gt;
*Verschil bergingscoëfficiënt en effectieve porositeit &lt;br /&gt;
*Uitleggen wat adsorptie is en wat voor effect dat dat heeft op die grafiek en in verband brengen met advectie(C/t) #eigenschappen van een kwaliteitskaart &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;mondeling&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Ge hebt een pomping: waar moet ge rekening meehouden bij het afbaken van de beschermingszone. (Snelheid van u grondwaterstroom, advectie/dispersie...) &lt;br /&gt;
*Ge hebt een stort boven een kleilaag waar moet ge rekening houden bij vervuiling van het grondwater ? (Adsorptie en dispersie) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Schriftelijk&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Tekenen van stroomlijnen op een profiel. (equipotentiaal lijnen zijn getekend) aanduiden waar er kwel en voeding gebieden en stagnatiepunten zijn. Berekenen van de gradient en de maximale stromingstijd (nog iets?). Je krijgt een klad versie en een tegoeie versie. (Lander heeft dit mee gejat ) &lt;br /&gt;
*Oefening op stijghoogte, drukhoogte, plaatshoogte,... ( bijna identiek aan de oefening van de oefenzitting) + gradient berekenen en zeggen hoe het water stroomt &lt;br /&gt;
*Pomping: Specifieke bergingscoefficiënt berekenen + het deel dat bepaald is door de samendrukbaarheid van het water en van het korrelskelet. En zeggen wat je hier uit kan besluiten gegeven: Q, daling, B, n, oppervlakte, &lt;br /&gt;
*Zandlaag met twee rivieren in. je moet de afvoer per meter bepalen (zoiets) formuletje uit de powerpoint. &lt;br /&gt;
*Pomping, je hebt twee piëzometers geplaatst op x afstand en je moet K en T bepalen ( het is steady state er is gegeven hoeveel de daling is + de straal van de pompbuis). Dan moet je bepalen hoe hoog het water in de pompput staat. (Initiele hoogte was 40m boven referentie) + Hoe ver men moet gaan om geen invloed meer te hebben van de pompput. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wet van darcy uitleggen. Uitleggen van K wat is dit juist van wat hangt dat af. wat is de hydraulische gradiënt. Hoe zit het juist met de specifieke bergingscoefficient en de opbrengscoefficient en zeggen welke waar voorkomt en welke het grootst is. Tot slot vroeg hij nog welke aanname er was die niet geldt bij een laag met een rivier in ( lagen lopen tot in het oneindig) en hoe we dat oplossen (spiegelputmethode) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Schriftelijk gedeelte&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven de figuur 3.16 met hoeveelheden water in elk systeem. Wat is een waterbalans? Bepaal de verblijftijd van water in bodemvocht. &lt;br /&gt;
*Wat is een isohypsenkaart? Hoe bepaalt men deze? Teken een isohypsenkaart van een rivier die door grondwater gevoed wordt. Teken ook een verticale doorsnede + de stroomlijnen. &lt;br /&gt;
*Afgesloten aquifier van 35m dik, Q = 50m³/d, men pompt 5 jaar. Het piezometrisch vlak is gedaald met 6m over een oppervlakte van 1,5km². **Bepaal de Ss. &lt;br /&gt;
**Wat is de bijdrage van de samendrukbaarheid van water tot de Ss? (n en betha zijn gegeven) Wat kan je hieruit concluderen? &lt;br /&gt;
*Oefening op equivalente K-waarde. 3 sub lagen &lt;br /&gt;
**15m dik, K=10^-4, &lt;br /&gt;
**10m, K=10^-5, &lt;br /&gt;
**5m, K=10^-3. &lt;br /&gt;
**Bepaal het grondwaterdebiet. &lt;br /&gt;
*De hoogte van de grondwaterspiegel op een eiland in de zee (dichtheid = 1020 kg/m³) is 10m, bepaal de maximale diepte van de zoetwaterlens onder het eiland. &lt;br /&gt;
*Oefening over stijghoogtes. 2 peilbuizen staan naast elkaar, A op 12m en B op 12,5m. De diepte van buis A is 12m, die van B 15m. De diepte van de watertafel is in A 2m en in B 3,2m. Bepaal de gradient en hoe stroomt het water? &lt;br /&gt;
*In welk soort aquifer (vrij of afgesloten) daalt het piezometrisch oppervlak het snelste bij afpomping? Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Mondeling&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vragen over de peilput die we hebben geplaatst: &lt;br /&gt;
**Wat is een diver, wat meet die? &lt;br /&gt;
**Grafiekje met de stijghoogtes in de put en de neerslag: Wat zie je? Verklaar de fluctuaties? Hoe bekomt met de schaal op de y-as s (mTAW)?Hoe komt het dat het waterniveau plot zeer sterk daalde (de diver werd eruit gehaald)? &lt;br /&gt;
*Leg uit: wet van Darcy &lt;br /&gt;
*Hoe verandert de K als de temperatuur van het water stijgt? &lt;br /&gt;
*Wat is een Stiff-diagram? #Wat is de vergelijking van Theis? Voor welk soort lagen? &lt;br /&gt;
*Als een rivier een grondwatertafel voedt waaruit wordt gepompt, hoe kan je dit in rekening brengen om de afpompingskegel te berekenen? (methode van de spiegelput) &lt;br /&gt;
*Wat is de opbrengstcoefficient en de specifieke berging? &lt;br /&gt;
*Wat is HCOV #Excursievraag: bespreek bij een waterwinning hoe deze beschermd was en of dat goed genoeg is ofzoiets. Tip voor wie het vak gaat afleggen: Ga zo snel mogelijk naar de prof voor uw mondeling. Ik heb gehoord dat sommige apen hebben daar van half 9 tot 16u gezeten. Plezantste dag ooit! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
*Bespreek aan de hand van wat we op de excursie gezien hebben 2 voordelen van grondwaterwinningen. Bespreek ook 2 bedreigingen van grondwaterwinningen en welke maatregelen men daartegen heeft (of kan) genomen (nemen). Indien je niet op excursie was, los deze vraag op adhv je opgedane kennis uit de cursus. &lt;br /&gt;
*Je kreeg een figuur. Hoe noemt men deze stippellijn? (Piëzzometrisch vlak) Duid aan waar je een pompput zou plaatsen &lt;br /&gt;
**op de intrekzone &lt;br /&gt;
**op een plaats onder het piezometrisch oppervlak &lt;br /&gt;
**boven piezometrisch opp (was een afgesloten watervoerende laag dus) [[Bestand:Hydro 2008.gif]] &lt;br /&gt;
*Hoe meten we grondwaterstanden. Waarbij moeten we opletten bij het meten van grondwaterstanden? Wat is een diver? &lt;br /&gt;
*Wat is HCOV? Wat is het Centraal Kempisch Syteem? Waardoor wordt dit in vertikale zin afgebakent? &lt;br /&gt;
*Geef de formule voor stationaire, isotrope, 2D stroomvergelijking zonder aanvoer of afvoer van water (is een formuleke in de cursus waar ge blijkbaar ne hoop van moest schrape) en leg uit. &lt;br /&gt;
*de stijghoogte van een afgesloten aquifer is 5m en de aquifer is 1km² breed, de dikte van de watervoerende laag is 15m en bergingscoëfficiënt is 8,3.10^-3. Bepaal ..... ??? &lt;br /&gt;
*oppervlakte is 165,5 meter boven zeespiegel. 3 filters op 15, 25 en 35 meter diep. in elke filter respectievelijk 3,75, 3,96 en 4,14m drukhoogte. Bepaal de stijghoogte en de gradiënt. In welke richting stroomt je grondwater en waarom? &lt;br /&gt;
*Q=1000m³/dag, K = 7m/dag, effectieve porositeit = 0,2, dikte van de watervoerende laag = 40m en er wordt 100 dagen afgepompt in een freatische watervoerende laag. Bepaal de daling van de watertafel op afstand 100m van de afpomping. Leg je methode uit &lt;br /&gt;
*Wat is een isohypsenkaart. Leg uit, geef een voorbeeld kaartje en geef ook een vertikale doorsnede waarop isohypsen en stroomlijnen aangeduid staan. &lt;br /&gt;
*Advectie + Dispersie, formule geven en uitleggen, zowel mathematisch als fysisch. Geef ook de invloed van deze processen op de breakthrough curve weer. &lt;br /&gt;
*Op 200meter afstand van elkaar staan 2 filters op 21meter diep en 24 meter diep. De basis van de watervoerende laag is 52meter onder het maaiveld. De hydraulische conductiviteit is 4.10^-5 m/s en de effectieve porositeit is 0,2. Bereken de effectieve snelheid van het water en q. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de definitie in zijn fysische/wiskundige context (of zo) van: &lt;br /&gt;
**Effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**Specifieke bergingcoefficient &lt;br /&gt;
**hydaulische conductiviteit &lt;br /&gt;
**Longitudinale Dispersiviteit &lt;br /&gt;
**Vertragingsfactor &lt;br /&gt;
**Recessiecoefficient &lt;br /&gt;
*Leg het effect van advectie, diffusie, dispersie, adsorptie-desorptie en degradatie uit op een breaktrough curve. &lt;br /&gt;
*Let uit: De wet van Darcy. &lt;br /&gt;
*Wat voor invloed heeft de dichtheid van water op polluentverspreiding. &lt;br /&gt;
*Bespreek de methode van Thiem-Dupuit en geef aan aan welke voorwaarden moet voldaan zijn voor vrije en voor afgesloten watervoerende lagen. Wat bijvragen over hoe deze methode te gebruiken etc. &lt;br /&gt;
*Wat is advectie en van welke paraametters is het afhankelijk. Bijvraag over andere transportprocessen. &lt;br /&gt;
*6 woordjes (de definitie en de fysisch-mathematische betekenis te geven): &lt;br /&gt;
**intrinsieke doorlatendheid &lt;br /&gt;
**effectieve porositeit &lt;br /&gt;
**transversale dispersiviteit &lt;br /&gt;
**recessiecoefficient &lt;br /&gt;
**lineaire degradatie constante &lt;br /&gt;
**effectieve diffusiecoefficient &lt;br /&gt;
*Bespreek de verschillende transportprocessen van polluenten &lt;br /&gt;
*Geef een voorbeeld van een grondwater - rivier interactie #specifieke bergingscoefficient + relatie samendrukbaarheid #geef vgl voor afgesloten, niet stationaire stroming + wat is dispersie #wat kan je aflezen van een isohypsenkaart? geef een voorbeeld. bijvragen over verschillende K&#039;s en stijghoogte &lt;br /&gt;
*kan een grondwaterwinning voor verzakkingen zorgen? &lt;br /&gt;
*verklaar: transversale dispersiviteit. hydraulische conductiviteit. bijvragen over temperatuur, grootteordes K,... &lt;br /&gt;
*Waterbalans opstellen voor hydrologisch en hydrogeologisch bekken &lt;br /&gt;
*Waarom is het gebruik van gemiddelde waarden gevaarlijk? &lt;br /&gt;
*Bespreek hydraulische conductivitieit &lt;br /&gt;
*Woordjes: &lt;br /&gt;
**Tracertest: bedoeling, verklaring... &lt;br /&gt;
**grondwaterwinningbeschermingszones: principes om ze op te stellen, en hoe &lt;br /&gt;
**hoe bepalen van de waterhoogte in een rivier, hoe grondwaterdebiet bepalen, recessiecoefficient &lt;br /&gt;
**specifieke bergingscoefficient &lt;br /&gt;
*Beschrijf en verklaar wet van Darcy en geef definitie van doorlaatvermogen. Is de wet nog geldig voor een ander fluidum dan water? &lt;br /&gt;
*Schrijf een vgl van niet stationaire grondwaterstroming met gebruik van Doorlaatvermogen &lt;br /&gt;
*Wat is dispersie?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=478</id>
		<title>Geologische analyse en synthese I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=478"/>
		<updated>2024-01-29T14:56:48Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|title=Vakinfo|headerstyle=background:lightgrey|header1=Lessen en examens|label2=Docent|data2=Manuel Sintubin|label3=Lesvorm|data3=Oefenzittingen|label4=Examenvorm|data4=Geen|header5=Achtergrond|label6=Studiepunten|data6=3|label7=Wanneer?|data7=1e bach, 2e sem|label8=Brossen?|data8=Nee|label9=ECTS}}De professor voor dit vak is Manuel Sintubin. De oefenzittingen worden gegeven door een assistente. Voor elke oefenzitting moet je kennisclips kijken en een hulpfiche lezen. Er zijn geen hoorcolleges.&lt;br /&gt;
Het vak is opgebouwd uit 3 verschillende onderdelen, die elk meetellen voor het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 1 keer in de 2 weken een kleine toets over de inhoud van vorige oefenzittingen. Deze staan op 1 punt en tellen mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* 1 terreinexcursie van 3 dagen in de Ardennen. Deze telt mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* Aan het einde van het semester is er vlak voor de examens een syntheseoefening die mee telt voor de overige 10 punten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Van dit vak is er geen mogelijkheid tot herkansing in de derde examenperiode (augustus). &lt;br /&gt;
Dit vak geldt voor 3 studiepunten maar in werkelijkheid voelt het als veel meer aan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Mei === &lt;br /&gt;
Gegeven: verzameling van verschillende geologische gegevens van een gebied, zoals verzameld worden in een terreinboekje. &lt;br /&gt;
Gevraagd: maak een geologische kaart van dit gebied. &lt;br /&gt;
Dit examen was heel gelijkaardig aan 1 van de opdrachten van de excursie.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geografie:_Interactie_mens_en_aarde&amp;diff=477</id>
		<title>Geografie: Interactie mens en aarde</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geografie:_Interactie_mens_en_aarde&amp;diff=477"/>
		<updated>2024-01-29T14:54:10Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2023 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Gerard Govers&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 6&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Voor geografen is dit het interessantste vak van de bachelor. Voor geologen is dit tijdsverspilling&lt;br /&gt;
 |  label9 = ECTS |   data9 = [https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G9X08AN.htm Link]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
==== Geografen ====&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Schriftelijk. &lt;br /&gt;
Laatste hoofdstuk weggevallen&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Open vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Op welke componenten van de hydrologische cyclus heeft de mens een impact en wat zijn de gevolgen? Leg elk mechanisme uit, al dan niet met bijhorende getallen en juiste grootteorde. Een afbeelding van de cyclus is gegeven.&lt;br /&gt;
**Wat is de invloed van ontbossing en herbebossing op lokaal en regionaal vlak?&lt;br /&gt;
**Waarom valt er globaal meer neerslag bij klimaatopwarming en zal de Middellandse Zee droger worden?&lt;br /&gt;
*Kindersterfte uitleggen aan de hand van de binomiaalvergelijking. Maak een grafiek waarin je dit duidelijk maakt, het verschil tussen een land met hoge kindersterfte en land met lage kindersterfte.&lt;br /&gt;
**Wat is ongewilde vruchtbaarheid? Hoe kan het verholpen worden?&lt;br /&gt;
**Waarom hoge fertiliteit in sloppenwijken? Waarom is overbevolking niet de oorzaak van het ontstaan van sloppenwijken, maar een gevolg?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Juist/fout vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Iets over dat menselijk gedrag op schema vergeten wordt, als bijdragende factor van invloed van de mens op de Aarde (maar de pijl die ontbreek is de pijl van invloed van de veranderde Aarde op mens)&lt;br /&gt;
*Halfwaardetijd van een bos is 155 jaar, bij een kapsnelheid van 0,35% per jaar. Klopt het als we zeggen dat na 155 jaar het bosreaal nog half zo groot is?&lt;br /&gt;
*Gegeven een grafiek van de prijsschommeling van tulpen. Is dit de oorzaak van de kleine voorraad die er was tijdens de winter?&lt;br /&gt;
*Grafiek van een populatiegroei gegeven (exponentiële groei). (klopte niet want was oneindig toenemend, carrying capacity moet in rekening gebracht worden = limiterende factor)&lt;br /&gt;
*Grafiek gegeven van levensverwachtingen man en vrouw in 2010. Extra lijn is toegevoegd = levensverwachting in 1910 (lijn liep verder dan leeftijd 110 jaar, zo oud worden kon toen niet)&lt;br /&gt;
*Verschil in demografische transitie tussen westen en Sub Sahara Afrika komt omdat Sub Sahara Afrika in 1900 pas werd gekoloniseerd en toen de technologie overnam.&lt;br /&gt;
*Er zal meer O18 in rivierwater zitten als het meer gaat regenen en de temperatuur hetzelfde blijft.&lt;br /&gt;
*Grafieken gegeven over de analyse van koolstof in de bodem, dit is een vrij correcte waarneming om volgende voorspellingen op te schatten.&lt;br /&gt;
*We weten dat voedseloverschotten gezorgd hebben voor een gelaagdheid in de samenleving. Maar voedseloverschotten zijn niet noodzakelijk voor deze gelaagdheid.&lt;br /&gt;
*Prof was een 10&amp;lt;sup&amp;gt;de&amp;lt;/sup&amp;gt; vraag vergeten maken&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
====Geologen====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;10 juist/fout vragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven: schema over de verspreiding van de mens over de wereld. Het schema is opgedeeld in 4 kolommen die elk een continent voorstellen. Vraag: boven de kolommen staat in volgorde: Europa, Azië, Afrika en Amerika. Klopt de volgorde?&lt;br /&gt;
* De Yamnaya verplaatsten zich vanuit het oosten, waar ze oorspronkelijk leefden naar Europa omwille van het verslechterde klimaat in hun leefgebied in 5000BP&lt;br /&gt;
* Life tabel: Het is mogelijk om aan de hand van de gegevens in de tabel te bepalen dat de gemiddelde levensverwachting 60 jaar bedraagt.&lt;br /&gt;
* We zetten een dubbellogaritmische grafiek uit. We beschouwen het aantal gepleegde telefoontjes en de bevolkingsdichtheid. De grafiek heeft 2 als rico. Bij een verdubbeling van de bevolking, verdubbelt het aantal telefoontjes.&lt;br /&gt;
* Ontbossing en irrigatie zorgen samen voor een toename van de gerecycleerde neerslag.&lt;br /&gt;
* We hebben een aquifer die op 50 jaar volledig is leeggepompt. De oppervlakte van de aquifer berdraagt 2000 km^3. We onttrekken jaarlijks 1,0*10^8 m^3 water. Er regent gemiddeld 75 mm neer. De porositeit van het gesteente is 0,30. De dikte van de aquifer is 175m.&lt;br /&gt;
* De toename van ontbossing zal de komende jaren nog enorm stijgen omwille van de stijgende populatie in de toekomst.&lt;br /&gt;
* De radiative forcing voorspelt met welke hoeveelheid de temperatuur op aarde zal opwarmen omwille van de toenemende broeikasgassen.&lt;br /&gt;
* Een koraalrif vaart er wel bij dat de concentratie CO2 toeneemt aangezien ze voorkomen in warme gebieden.&lt;br /&gt;
* De val van het Romeinse rijk was de oorzaak voor het ontstaan van de laatste kleine ijstijd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Hoofdvragen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Gegeven: leeg feedbackschema met enkele pijlen. Vraag: vul op de juiste plaats in het schema in: koolstof in de atmosfeer, gemiddelde temperatuur, koolstof in de boden en groei van de vegetatie. Zet bij elke pijl + of -. Verklaar waarom er sprake is van positieve of negatieve feedback voor elke pijl. Verklaar eveneens het mechanisme dat elke pijl voortelt. Ontbreken er pijlen? Verklaar ook deze pijlen. Bijkomende vraag: waarvan is de koolstof in de bodem afkomstig? &lt;br /&gt;
* Geef de verbanden die er zijn tussen transportkosten, schaalvergroting van industrie en comparatief voordeel. Uit je uileg moet duidelijk zijn dat je weet wat deze mechanismen betekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
1 Februari&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 juist/fout vragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Paaseiland: Als je vaststelt dat er meer δ18O waarde aanwezig is in de stalagmieten dan betekent dit dat er een periode van droogte was. Grafiek gegeven uit de cursus met de evolutie van de bomen. &lt;br /&gt;
* Het model van Turchin is een poging om de impact van oorlogsvoering op staatsvorming te modelleren: met de aandacht naar de landbouwers die op de rand van de steppes woonden omdat die hun rijken gemakkelijk konden uitbreiden. &lt;br /&gt;
* oefening: de oppervlakte van het Eurasiatisch continent is 10,7* 10^6 km^2. De menselijke kolonisatie vanuit Afrika zou 350 jaar duren. De groeisnelheid is 1,5%, de bevolkingsdichtheid is 2 inw/km^2 en de initiële kolonisatoren zijn met 100 mensen. &lt;br /&gt;
* Kijken naar de impact van sterfte en vruchtbaarheid: het is duidelijk dat het voornaamste effect van de IR de toenemende welvaart is die deze revolutie heeft gebracht, het heeft namelijk de verandering in geboortecijfer en sterftecijfer in gang gebracht. &lt;br /&gt;
* Een feedback tekening met 3 negatieve fluxen, tussen child mortality, population, welvaart. de stelling is dat dit feedback mechanisme juist is. &lt;br /&gt;
* Een cohorte met een aantal mensen in. Het sterftecijfer is 0,25 voor de leeftijdsklasse 60-80 jaar. &lt;br /&gt;
* De diffusie van de geboortedaling begon het laatst in Afrika door de late kolonisatie van het Westen. &lt;br /&gt;
* Deze tabel toont dat er in de Franse Alpen veel bos is bijgekomen, meer dan in het Noorden van het land, dit is te wijten aan de hogere bevolkingsdichtheid in het Noorden. &lt;br /&gt;
* Een groot deel van de neerslag op het continent is gerecycleerde neerslag. De ontbossing en de irrigatie *samen* hebben ervoor gezorgd dat de hoeveelheid gerecycleerde neerslag sterk is afgenomen. &lt;br /&gt;
* De aanmaak van kunstmest heeft geen impact op de stikstofcyclus, want deze wordt onmiddelijk opgenomen door de landbouwplanten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hoofdvragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek de bevolkingsevolutie vanaf het Holoceen tot nu, geef grafiek en belangrijke getallen en zeg waarom er dalen zijn en pieken. Stel dat de Romeinen een IR hadden gestart, hoe zou de bevolking dan geëvolueerd zijn toon op de grafiek die je daarvoor hebt gemaakt? Verstedelijking neemt toe, wat is de belangrijkste achterliggende factor? Geef tekening. &lt;br /&gt;
* f*cking kutvraag: 2 formules (uit hoofdstuk 2) met Harvest/ supply, draagkracht en bevolking /harvest/ geboorte-sterfte. Geef getallen, leg de formules uit, wat zou je kunnen doen om het duurzamer te maken? Verband met de club van Rome???&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 11 februari - reeks 1 ====&lt;br /&gt;
10 juist/fout vragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Over 50 jaar wordt een watertafel uitgeput. De geschatte grootte van de watertafel bedraagt 2500km^3 met gesteente met een porositeit van 0,30. Jaarlijks komt er 7mm water bij via regen. Er wordt jaarlijks 2,4x10^8 m^3 uit de watertafel gepompt. De grootte van de watertafel is 125m^3.&lt;br /&gt;
* De ontbossing in de VS was groter/sneller dan die van Europa omdat de VS betere landbouwgrond had. &lt;br /&gt;
* De genen van de homo sapiens, homo Neanderthalers en Denisovians hebben gelijkenissen. Dit komt omdat ze soms bondgenootschappen aflegden. &lt;br /&gt;
* Iets over het uitregenen van 18 O isotoop. #*Grafiek over de levensverwachting van mannen en vrouwen, daarbij ook hoe deze er 100 jaar geleden zou moeten hebben uitgezien. &lt;br /&gt;
* Iets over de werking van aerosolen en dat ze zorgen voor een lagere temperatuur. #*Rangschikken van de menselijke invloed op de uitstoot van stikstof. (i) Vermindering van stikstoffixatie door planten (ii) Van de landbouw en bemesting (iii) stikstof dat naar de oceanen gaat. &lt;br /&gt;
* De menselijke invloed op de koolstofcyclus is nu groter dan die van de natuur. (Nietwaar, heeft er wel grote invloed op) #*De menselijke populatie zal na een overshoot altijd terug in evenwicht komen met de draagkracht.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hoofdvragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van jagers versus dieren en bespreek wat je ziet op de grafiek, vul de legende aan. Er is een grafiek gegeven waarbij er een evenwicht bereikt wordt tussen mens en dieren (xe, xh, ze en zh) #*Iets over Janice Perlman en het interview in de favela&#039;s in Rio. Bijvragen over urbanisatie in Afrika. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 23 januari - reeks 2 ====&lt;br /&gt;
10 juist/fout vragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* De delta 18O-waarde is het kleinste aan de kusten en wordt groter landinwaarts. &lt;br /&gt;
* Dat er in SSA geen dieren gedomesticeerd waren getuigt dat niet alle volkeren hier interesse in hadden. &lt;br /&gt;
* (Tabel gegeven) Uit deze tabel in duidelijk dat het ontwikkelingsland zich beter toelegt op de productie van kaas. &lt;br /&gt;
* (Twee kaarten gegeven) Deze kaarten maken duidelijk dat mensen zich het liefst vestigen in een gematigd klimaat. &lt;br /&gt;
* Europeanen zijn allen afkomstig van de Indo-Europese landbouwers die tussen 9000 en 7000 BP richting Europa gemigreerd zijn. De uiterlijke verschillen zijn er nadien gekomen door natuurlijke selectie. &lt;br /&gt;
* (geboorte en sterfte data van een 10 tal mensen gegeven) Voor deze populatie is het sterftecijfer tussen 1920 en 1945 gelijk aan 2/9. &lt;br /&gt;
* Een vraag over (herbe/ont)bossing en afstroming van water via beken/rivieren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hoofdvragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek de stikstofcyclus van voor de industriële revolutie en van nu. Vermeldt alle belangrijke getallen, fluxen, ... Kan stikstofkunstmeststof vervangen worden door natuurlijke meststof? Geef twee nadelen van het feit dat stikstof zo mobiel is. &lt;br /&gt;
* Geef aan de hand van de binomiaalvergelijking waarom de daling van het geboortecijfer in de ontwikkelingslanden nu veel sneller daalt dan destijds in de industrielanden. De principes van de binomiaalvergelijking zijn hieronder gegeven. Dan moest je dit ook nog staven met een grafiek voor een hoge kindersterfte en voor een lage kindersterfte. De krottenwijken rond grote steden zijn een gevolg van overbevolking en geen oorzaak. Leg uit.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
reeks 1 (22 januari) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Stikstofcyclus uitleggen met belangrijke fluxen en getallen &lt;br /&gt;
* Leg wat overbemesting als effect heeft in eutrotrofe waters &lt;br /&gt;
* Als overbemesting zo’n negatief effect heeft, waarom doen we dan niet alleen aan organische landbouw &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Leg demografische transitie uit en welke factor de industriële revolutie daarin gespeeld heeft (industriële revolutie als gevolg van demografische transitie of andersom) De demografische transitie heeft niet overal op hetzelfde moment plaatsgevonden. Geef de tijdsbepaling van de bepaalde zones. De bevolkingsgroei door de demografische transitie in het Zuiden was veel groter, hoe komt dat? Waarom vond de demografische transitie in het Zuiden zo laat pas plaats?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 juist/fout vragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* De groei van de samenleving zal door global change afhangen van de kwetsbaarheid en dat is de verhouding van de aangroei van hulpbronnen tot het aantal hulpbronnen &lt;br /&gt;
* Het ontwikkelde land zal enkel kaas produceren omdat dat het efficiëntste is (developing country: 40 uur per auto, 10 uur per ton kaas, developed country: 4 uur per auto, 2 uur per ton kaas) &lt;br /&gt;
* Een bevolkingsplan in de Derde Wereld wordt het best opgesteld zodat de mensen niet in de steden gaan wonen &lt;br /&gt;
* De verwering van wollastoniet geeft 1 molecule CO2 af aan de atmosfeer &lt;br /&gt;
* Wat is de death rate tussen 1920 (jan 1, 0:00) en 1999 (dec 31, 24:00)? Persoon A leeft van 1910 tot 1980 en heeft drie kinderen die geboren zijn in 1930, 1933 en 1955. Persoon B leeft van 1935 tot 2010 en heeft één kind dat geboren is in 1945 (jawel, op het examen stond dat persoon B vader is geworden op 10-jarige leeftijd). Persoon C leeft van 1920 tot 2010 en heeft drie kinderen die geboren zijn in 1945, 1950 en 1953. Persoon D leeft van 1922 tot 1944 (oorlogsslachtoffer). &lt;br /&gt;
* Het gemiddeld aantal kinderen per 1000 vrouwen is 15 voor elke klasse tussen de 15 en de 50 jaar (per 5 jaar), klopt het dat de TFR 4/3 is?&lt;br /&gt;
* Iets over de voedselcrisis in Ierland &lt;br /&gt;
* De infinetisimale benadering van de bevolkingsgroei ziet er als volgt uit Nt+1=rNt - (rN_t^2)/K&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 23 januari - reeks 2 ====&lt;br /&gt;
10 juist-fout vragen, met verantwoording van je keuze. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Koolstofcyclus uitleggen met bijhorende fluxen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hoge kindersterfte leidt tot hoog bevolkingsaantal met binomiaalkansen uitleggen . &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==== 19 januari - reeks 1 ====&lt;br /&gt;
10 juist-fout vragen, met verantwoording van je keuze &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* De voedselcrisis van 2008 heeft een groot effect gehad op Afrika en is een rechtstreeks gevolg van de opwarming van de Aarde. &lt;br /&gt;
* De huidige milieubewustheid heeft voor een herbebossing gezorgd in de Westerse wereld. &lt;br /&gt;
* De trage economische groei in de tropische klimaatzones is volledig te wijten aan het effect van malaria. Hierbij is tabel 3-15 op pagina 3-50 van de cursustekst gegeven. &lt;br /&gt;
* De geboortecijfers bij de &#039;forerunners&#039; (landen die als eerste de demografische transitie hebben doorlopen) dalen het snelst. Hierbij zijn grafieken van de &#039;forerunners&#039;, de &#039;followers&#039; en de &#039;laatkomers&#039; gegeven met daarop rates van het CDB en het CDR in functie van de tijd. &lt;br /&gt;
* Door de stagnatie in de bevolkingsgroei en economische groei in de Westerse landen zal de impact van de mens op het systeem Aarde in de toekomst een lagere absolute bijdrage hebben dan de impact in het verleden heeft gehad. &lt;br /&gt;
* De groei van een samenleving zal door global change afhangen van de verhouding van de aangroei van de hulpbronnen tot het aantal hulpbronnen. &lt;br /&gt;
* De bevolkingsgroei van de mens moet afnemen om een evenwicht te kunnen creëren tussen de mens en zijn hulpbronnen (in deze vraag specifiek de bomen). Hierbij is tabel 2-18 op pagina 2-19 van de cursustekst gegeven. &lt;br /&gt;
* CaSiO3 + 2 CO2 + 3 H2O -&amp;gt; Ca² + 2 HCO3-. Deze verweringsreactie bewijst dat er per mol wollastoniet 2 mol CO2 in de atmosfeer terechtkomt. &lt;br /&gt;
* Wat is de death rate tussen 1920 (jan 1, 0:00) en 1999 (dec 31, 24:00)? Persoon A leeft van 1910 tot 1980 en heeft drie kinderen die geboren zijn in 1930, 1933 en 1955. Persoon B leeft van 1935 tot 2010 en heeft één kind dat geboren is in 1945 (jawel, op het examen stond dat persoon B vader is geworden op 10-jarige leeftijd). Persoon C leeft van 1920 tot 2010 en heeft drie kinderen die geboren zijn in 1945, 1950 en 1953. Persoon D leeft van 1922 tot 1944 (oorlogsslachtoffer). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De C-cyclus uitleggen met bijbehorende fluxen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De gemiddelde levensverwachting van konijnen in een bepaalde populatie bepalen. Er is een tabel gegeven met in de linkerkolom het levensjaar (0,1,2,3,4,5,6,7) en in de rechterkolom het aantal getelde konijnen (respectievelijk 10,9,9,8,6,4,3,0).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Govers&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 stellingen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Waterbalans met betrekking tot ontbossing en bebossing  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Demografisch model ivm persoonsjaren &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Govers&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 juist fout vragen, met verantwoording van je keuze &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Landbouw is ontstaan in gebieden met een vruchtbare bodem en een gematigd klimaat. &lt;br /&gt;
* De demografische transitie in de ontwikkelingslanden was sneller dan in de industrielanden doordat de geboorte sneller daalde. &lt;br /&gt;
* Een bosoppervlakte van 150000 km² neemt af volgens een negatieve logistische groei. Nu neemt de oppervlakte af met 4000 km² per jaar. In 2035 zal er nog 32,5% van de oorspronkelijke oppervlakte overblijven. &lt;br /&gt;
* Sinds 1950 wordt er telkens minder landbouwoppervlakte per persoon gebruikt doordat de gronden onbruikbaar worden. (grafiek gegeven) &lt;br /&gt;
* Door de herbebossing zal het debiet in de rivieren afnemen. &lt;br /&gt;
* Naast een rechthoekige rivierbedding worden dijken gebouwd, de oppervlakte verdubbeld daardoor en de lengte van de rivier verkleint met een factor 1,25. (gegeven: v=S^0,5*d^(2/3)/n)Het debiet zal toenemen met een factor 1,25*2=2,5. #*Tekening gegeven over het ontstaan van de mens. De volgorde op de tekening is Europa-Azie-Afrika-Amerika. &lt;br /&gt;
* Door de enorme bevolkingsgroei in Afrika is er armoede. #*De bevolkingsgroei in Vlaanderen was groter dan in Wallonië na de tweede wereldoorlog. Dit komt door de snellere economische groei in Vlaanderen. &lt;br /&gt;
* CaSiO3 + 2 CO2 + 3 H2O -&amp;gt; Ca² + 2 HCO3-. Deze reactie bewijst dat 1 mol wollastoniet ervoor zorgt dat er 2 mol CO2 in de atmosfeer komt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Mondelinge hoofdvragen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* Bespreek het model van jagers versus dieren en bespreek wat je ziet op de grafiek, vul de legende aan. Er is een grafiek gegeven waarbij er een evenwicht bereikt wordt tussen mens en dieren (xe, xh, ze en zh) &lt;br /&gt;
* Bespreek het verschil tussen de demografische transitie in België en in India. Wat zijn de oorzaken? En wat zijn de gevolgen voor de bevolkingsgroei?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Govers&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
10 ja nee vragen (maak je geen ilusie er zijn ook oefeningen bij!) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
hoofdvragen: &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* functie geven over hard to catch easy to... geven--&amp;gt;moest niet volledig uitgeschreven zijn maar je moest wel de verschillende termen kunnen geven en hun betekenis bv. dXh/dt=afname door sterfte+toename door sterfte - afname easy to catch- logistische correctieterm-afname door jacht &lt;br /&gt;
* watercyclus geven en effecten op het milieu + de belangrijkste cijfers+ een wereldbol tekenen en de verschillen in neerslag over 50 jaar en nu. &amp;lt;u&amp;gt;Loopmans&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
* wat is human develpment index &lt;br /&gt;
* leg uit wat er aan de basis lag van het begin van de sterfte daling in ontw. landen #de vraag was verschillend bij iedereen en was in het algemeen een inzichtsvraag. Ik kreeg een tabeleke me veschillende voedings waarde over 50 jaar voor zowel ontw. landen als industrie landen==&amp;gt; geef de effecten op de mens en op het milieu&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=476</id>
		<title>Geologische analyse en synthese I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=476"/>
		<updated>2024-01-29T14:39:44Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;De professor voor dit vak is Manuel Sintubin. De oefenzittingen worden gegeven door een assistente. Voor elke oefenzitting moet je kennisclips kijken en een hulpfiche lezen. Er zijn geen hoorcolleges.&lt;br /&gt;
Het vak is opgebouwd uit 3 verschillende onderdelen, die elk meetellen voor het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 1 keer in de 2 weken een kleine toets over de inhoud van vorige oefenzittingen. Deze staan op 1 punt en tellen mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* 1 terreinexcursie van 3 dagen in de Ardennen. Deze telt mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* Aan het einde van het semester is er vlak voor de examens een syntheseoefening die mee telt voor de overige 10 punten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Van dit vak is er geen mogelijkheid tot herkansing in de derde examenperiode (augustus). &lt;br /&gt;
Dit vak geldt voor 3 studiepunten maar in werkelijkheid voelt het als veel meer aan. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Mei === &lt;br /&gt;
Gegeven: verzameling van verschillende geologische gegevens van een gebied, zoals verzameld worden in een terreinboekje. &lt;br /&gt;
Gevraagd: maak een geologische kaart van dit gebied. &lt;br /&gt;
Dit examen was heel gelijkaardig aan 1 van de opdrachten van de excursie.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=475</id>
		<title>Geologische analyse en synthese I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=475"/>
		<updated>2024-01-29T14:37:27Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;De professor voor dit vak is Manuel Sintubin. De oefenzittingen worden gegeven door een assistente. Het vak is opgebouwd uit 3 verschillende onderdelen, die elk meetellen voor het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 1 keer in de 2 weken een kleine toets over de inhoud van vorige oefenzittingen. Deze staan op 1 punt en tellen mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* 1 terreinexcursie van 3 dagen in de Ardennen. Deze telt mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* Aan het einde van het semester is er vlak voor de examens een syntheseoefening die mee telt voor de overige 10 punten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Van dit vak is er geen mogelijkheid tot herkansing in de derde examenperiode (augustus). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Mei === &lt;br /&gt;
Gegeven: verzameling van verschillende geologische gegevens van een gebied, zoals verzameld worden in een terreinboekje. &lt;br /&gt;
Gevraagd: maak een geologische kaart van dit gebied. &lt;br /&gt;
Dit examen was heel gelijkaardig aan 1 van de opdrachten van de excursie.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=474</id>
		<title>Geologische analyse en synthese I</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Geologische_analyse_en_synthese_I&amp;diff=474"/>
		<updated>2024-01-29T14:34:01Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: Inhoud van het vak&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;De professor voor dit vak is Manuel Sintubin. De oefenzittingen worden gegeven door een assistente. Het vak is opgebouwd uit 3 verschillende onderdelen, die elk meetellen voor het eindresultaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* 1 keer in de 2 weken een kleine toets over de inhoud van vorige oefenzittingen. Deze staan op 1 punt en tellen mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* 1 terreinexcursie van 3 dagen in de Ardennen. Deze telt mee voor 5 van de 20 punten. &lt;br /&gt;
* Aan het einde van het semester is er vlak voor de examens een syntheseoefening die mee telt voor de overige 10 punten.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=468</id>
		<title>Inleiding in de ecologie en evolutie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Inleiding_in_de_ecologie_en_evolutie&amp;diff=468"/>
		<updated>2024-01-24T13:42:03Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox|data2=Luc De Meester|data3=Hoorcollege, discussiesessie, eigen excursie|data4=Schriftelijk|data6=3|header1=Lessen en examens|header5=Achtergrond|headerstyle=background:lightgrey|label 4=Examenvorm|label 6=Studiepunten|label2=Docent|label3=Lesvorm|label4=Examenvorm|label6=Studiepunten|label7=Wanneer?|data7=?e bach, 1e sem|label8=ECTS|data8=[https://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/G0L65AN.htm Link]|title=Vakinfo}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze cursus wordt door een pater van Bios gegeven, dus lijkt daardoor heel sympathiek. Maar hij verbetert wel streng. Ook houd ie ervan om &#039;in mijnen tijd&#039; verhaaltjes te vertellen, zeker dat ie op minstens 30 excursies ging per jaar. Daar moet je zelf ook een van regelen, dus houd daarmee rekening mee. Voor de rest stelt de cursus echt niet veel voor, tis een inleiding tot het vak &#039;Ecologie&#039; in het, voor ons, derde jaar. De prof houdt er ook van om veel interactie met de aula te hebben. Gelukkig zit je met alleen maar 1ste jaar biologen en soms ook wat verdwaalde archeologen. Dus je hoeft bijna nooit om zijn vragen te antwoorden. Ook zet hij bijna niks op toledo. Er moet dus altijd een persoon in de les zitten om de info die hij geeft, van wat wegvalt en wat niet, op te schrijven. &amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Tegenwoordig worden de lessen gegeven door Prof. Steven Declerck. Hij zet alle powerpoints online, samen met video&#039;s waarin hij de belangrijkste dingen nog eens uitlegt.  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
# Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. (5ptn) &lt;br /&gt;
#Geef de predatorvoedselketen weer aan de hand van een illustratie en leg uit. Leg meer uit over verlies in deze keten en 2 gevolgen hiervan. (4ptn) &lt;br /&gt;
#Predatie heeft niet altijd negatieve gevolgen in het predatie prooi model voor de prooipopulatie, leg uit. (1,5ptn) &lt;br /&gt;
#Wat zijn de verschillen tussen holoparasieten en hemiparasieten? Geef van elk een voorbeeld (1,5ptn) &lt;br /&gt;
#Juist of onjuist (4ptn) &lt;br /&gt;
## Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
## Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
## De draagkracht is de maximale rekrutering&lt;br /&gt;
## Het exponentieel model werd gecorrigeerd in het logistisch model door de term (N-K)/K&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
# Geef in 5 punten weer wat evolutie door natuurlijke selectie is. &lt;br /&gt;
#Leg uit hoe en waarom de biodiversiteit op een eiland verschilt met die van het nabije vaste land. &lt;br /&gt;
#Wat zijn de voor- en nadelen van experimenteel onderzoek t.o.v. observaties in het veld. &lt;br /&gt;
#Geef de definitie van het compensatiepunt en hoe verschilt dit bij zonne- en schaduwplanten. &lt;br /&gt;
#Juist of fout? Indien het fout is, leg ook kort uit waarom. &lt;br /&gt;
## Organismen streven in evolutie naar een verbetering van hun bouwplan.&lt;br /&gt;
## Lotka-Volterra model bepaalt de concurrentie-effecten van soort A op soort B uitsluitend a.d.h.v. de concurrentiecoëfficiënt van soort A op soort B.&lt;br /&gt;
## Tussen 2 soorten is de intracompetitie zwakker dan de intercompetitie. De soorten gaan stabiel coëxisteren.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
#10 meerkeuzevragen (4 stellingen waarvan je er een moest aanduiden) &lt;br /&gt;
## Ecologische Niche&lt;br /&gt;
## Verband productie en productiviteit&lt;br /&gt;
## Gastheer-Parasiet interacties&lt;br /&gt;
## Compensatie punt&lt;br /&gt;
## C:N verhouding&lt;br /&gt;
## Evolutie mechanismen&lt;br /&gt;
## Voedselketens en voedselwebben&lt;br /&gt;
## Ramets en genets&lt;br /&gt;
## Interferentiecompetitie&lt;br /&gt;
## Predator-geïnduceerde verdedigingsmechanismen&lt;br /&gt;
#Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
#Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap wat het belang ervan was &lt;br /&gt;
#Wat is netto rekrutering, illustreer (dus met grafiek), en het verband met duurzame oogsten &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
# 10 meerkeuzevragen (ramets en genets, ultieme/proximale verklaringen, evolutie, interspecifieke concurrentie...) &lt;br /&gt;
# De netto-rekrutering in verband brengen met over-exploitatie, zeggen hoe je ze samen kan gebruiken en situeren aan de hand van een grafiekje &lt;br /&gt;
# Wat is een key-stone species? Geef 2 voorbeelden &lt;br /&gt;
# Geef 6 belangrijke stappen in het ontstaan van evolutie en geef duidelijk aan bij elke stap waarom deze zo belangrijk is.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
# 10 meerkeuzevragen over o.a.: ramets en genets, trofische niveau&#039;s, evolutie, C/N ratio, proximale/ultieme verklaringen,... &lt;br /&gt;
# Evolutie door natuurlijke selectie &lt;br /&gt;
# Wat zijn ruilfuncties, wat is het belang voor de ecologie en evolutie, geef twee voorbeelden van ruilfunctie bij planten en bij dieren &lt;br /&gt;
# netto-recrutering: situeer a.h.v. tekening &lt;br /&gt;
# interspecifieke competitie: situeer + leid Lotka-Volterramodel af&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
# Stellingen, juist of fout en uitleg geven wanneer fout &lt;br /&gt;
# Het bepalen van de fundamentele niche van een soort is niet mogelijk tenzij men beschikt over een volledige data-set van het voorkomen van de soort in de wereld, uiteraard mét gegevens over de condities en bronnen waarvan men de niche-assen wil kwantificeren. &lt;br /&gt;
# Omwille van de ongunstige C/N verhouding hebben herbivoren nood aan sterkere mutualistische interacties met microbiële organismen in hun spijsverteringsstelsel dan carnivoren. &lt;br /&gt;
# Bij predator geïnduceerde verdedigingsmechanismen geldt dat de proximale verklaring verband houdt met de indirecte reactie op een aanval van de predator (&amp;quot;vlucht&amp;quot;), terwijl de ultieme verklaring doelt op de detectie vanop afstand van de predator (&amp;quot;vermijden&amp;quot;). &lt;br /&gt;
# Is volgend fenomeen een vb van interferentiecompetitie? Eendekroost kan slechts 1 laagje bladeren op het wateroppervlak vormen omdat bladeren elkaar hinderen in het bekomen van voldoende licht. &lt;br /&gt;
# definities en korte vragen &lt;br /&gt;
## Eilanden zijn belangrijk voor de globale diversiteit. Verklaar. &lt;br /&gt;
## Draagkracht van de omgeving + figuur tekenen. &lt;br /&gt;
## Leid de logistische groeivergelijking (Lotka-Volterra model voor competitie) af.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=462</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=462"/>
		<updated>2024-01-23T14:15:19Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* Januari */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;18 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
# Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
# Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;18 januari - namiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
# Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
# Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;19 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
# Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
# K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
# Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;19 januari - namiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
# Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
# Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
# Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;22 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
# Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
# Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
# Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;23 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
#Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
#Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
#Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
#Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=461</id>
		<title>Milieuchemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Milieuchemie&amp;diff=461"/>
		<updated>2024-01-23T14:14:39Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* 2024 */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Mieke Verbeeck&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege en 5 oefenzittingen&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Mondeling&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 4&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 2e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
 |  label8 = Brossen? |   data8 = Op eigen risico&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
Als je je diploma niet haalt, is het hierdoor. Volgens verschillende bronnen is Mieke wel een heel pak vriendelijker en liever dan Erik Smolders (de vorige prof), ook op het examen. Probeer je dus niet te veel zorgen te maken over de horrorverhalen van ouderejaars, die wel nog met Smolders zaten opgezadeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;18 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Natte rijstteelt en de uitstoot van CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;, NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&lt;br /&gt;
# Hoe gedraagt O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; zich als de ionische sterkte toeneemt&lt;br /&gt;
# Waarom uitwisselbare neutrale kationen een goede indicator zijn voor de buffercapaciteit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;18 januari - namiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Waarom stijgt de mobilisatie van Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; en Al&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; bij stijgende organische stof concentratie &lt;br /&gt;
# Waarom is N het meest limitterend element &lt;br /&gt;
# Die vraag in het Toledo examen over waarom kwarts verwaarloosbaar was bij sorptie in vergelijking met goethiet echt gwn die vraag&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;19 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat is het weekend effect&lt;br /&gt;
# Waarom neemt de concentratie van Ca&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; toe bij een hogere respiratiesnelheid?&lt;br /&gt;
# K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt; van calciet en van kwarts, waarom lost calciet toch meer op bij de verwering van kwarts&lt;br /&gt;
# Oefening met fosfaat en arsenaat waarbij je de concentratie in oplossing moest bepalen in twee situaties: aeroob en anaeroob. K&amp;lt;sub&amp;gt;D&amp;lt;/sub&amp;gt; en totale concentraties waren gegeven, bij de tweede situatie was er een halfreactie gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;19 januari - namiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat zal er gebeuren met de oplosbaarheid van O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in water als de ionische sterkte van het water stijgt?&lt;br /&gt;
# Waarom zorgt nitraatuitspoeling voor verzuring?&lt;br /&gt;
# Je hebt een goethiet (FeOOH) van 0,001M. De pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; is 6,5. Bespreek wat er gebeurt met pH&amp;lt;sub&amp;gt;PZC&amp;lt;/sub&amp;gt; (i) na toevoeging van KCl tot 0,01M en (ii) na toevoeging van KHPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; tot concentratie HPO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; 0,001M is&lt;br /&gt;
# Bij cheluviatie verdwijnt Fe(III) samen met organische zuren uit de grond. Berekenen de uitspoeling van Fe(III) (in kg/ha/jaar) in een loofbos en in een naaldbos. In een loofbos is de uitspoeling 10 kmol C/ha/jaar en in een naaldbos is die dubbel zo groot. De bodem heeft een pH van 5. De organische stof heeft 0,1 mol bindingplaatsen voor 1 mol C. K&amp;lt;sub&amp;gt;ass&amp;lt;/sub&amp;gt; van Fe(III) met fulvaat (SO- + Fe&amp;lt;sup&amp;gt;3+&amp;lt;/sup&amp;gt; -&amp;gt; FeSO2+) is 10&amp;lt;sup&amp;gt;13&amp;lt;/sup&amp;gt;. De pK&amp;lt;sub&amp;gt;a&amp;lt;/sub&amp;gt; van fulvuszuren (SOH -&amp;gt; SO- + H+) is 8 en de log(Ksp) van Fe(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; is -40. De activiteitcoefficienten mogen als 1 aangenomen worden. Bepaal uiteindelijk wat er gebeurt met de uitspoeling als de pH daalt.&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;22 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
# Wat is de effectieve CEC?&lt;br /&gt;
# Welke bodemkarakteristieken verhogen de kans op P-gebrek&lt;br /&gt;
# Bespreek de invloed van de pH op de lading van kaoliniet en illiet&lt;br /&gt;
# Oefening over neerslaan van Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en extra vraagje over CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-druk&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;23 januari - voormiddag&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
#Wat is het weekendeffect?&lt;br /&gt;
#Onder welke omstandigheden komt N2O in de atmosfeer? Welke landbouwkundige maatregel kan genomen worden om deze uitstoot te beperken?&lt;br /&gt;
#Hoe verhoudt de concentratie van een element zich wanneer de totale concentratie steeds blijft toenemen en bij lage concentratie de sorptieactie gevolgd wordt door neerslag &lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
#Bereken de uitspeling van Fe voor twee soorten bossen bij pH=5. Bij loofbos: uitspoeling C:5 kmol/ha/jaar Bij dennenbos: uitspoeling dubbel zo groot. Er zijn 0,1 mol bindingsplaatsen per mol C. Kass = 10^-13 voor Fe3+ + SO- -&amp;gt; FeSO2- , log Ksp = -39 voor Fe(OH)3, pKa=8 voor SOH -&amp;gt; SO- + H+ . Wat gebeurt er als pH&amp;lt;5?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 9 november 2023&lt;br /&gt;
*Herschrijf onderstaande oplossingsreactie van ferrihydriet in termen van verbruik van H+ ionen in plaats van productie van OH- ionen en herbereken de Ksp (Ksp = 10^-37  Fe(OH)3 &amp;lt;--&amp;gt; Fe3+ + 3OH-&lt;br /&gt;
*Wat is de Fe3+ concentratie in evenwicht met dit ferrihydriet in een oplossing van 0.1 mM HCl? Je mag activiteitscorrecties verwaarlozen.&lt;br /&gt;
*In een anaerobe omgeving zal dit ferrihydriet reductief oplossen. Hoeveel gram DOC (in g C) is er nodig om 1g Fe(OH)3 reductief op te lossen tot Fe2+ tijdens de anaerobe respiratie van dit DOC tot CO2 door Fe-reducerende bacteriën? Neem voor het DOC de algemene formule CH2O aan (Fe = 56g/mol, O = 16g/mol, H = 1g/mol en C = 12g/mol)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Onder welke bodemomstandigheden kan Fe-toxiciteit (teveel Fe2+) voorkomen bij planten? &lt;br /&gt;
*Leg uit aan de hand van de structuur (ook een schets geven) waarom bij bladsilicaten het soortelijk oppervlak stijgt volgens muscoviet-&amp;gt;illiet-&amp;gt;montmorilliet. &lt;br /&gt;
*Wat zijn de sleutelreacties die ervoor zorgen dat de pH in de oceaan ongeveer gelijk is aan 8,5 en wat gebeurt er in de nabije toekomst (wanneer de PCO2 stijgt en de temperatuur stijgt door de klimaatopwarming)? &lt;br /&gt;
*Verweringsreactie van anorthiet-&amp;gt;kaoliniet gegeven met Ksp= 3.10^15. &lt;br /&gt;
**Wat is de pH bij evenwicht. &lt;br /&gt;
**Bij een bodem van 0.2m diep (1ha) dichtheid van 1.3 kg/dm^3 en 5% anorthiet. De begin pH is 7,5. De jaarlijkse uitspoeling van bicarbonaten en nitraten is respectievelijk 4 en 2 kmol H+/ha/jaar. Hoe lang duurt het om de volledige bodem te verweren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef racties die er op duiden dat de pH in het zeewater 8,5 is. Hoe zal de pH van zeewater in de toekomst evolueren? &lt;br /&gt;
*Hoe wordt de beschikbaarheid van N en P beïnvloed door de ouderdom van de bodem?&lt;br /&gt;
*Vraag over toxiciteit van Fe &lt;br /&gt;
*Lange oefening dus ik ben niet 100% zeker dat alle elementen vermeld zijn: in zeewater in een kernreactor in Fukushima (NaCl = 0,5M , pH = 8,5 ) is Cs+ ontdekt. Dit willen ze er uit halen met een uitwisselaar. Deze uitwisselaar heeft een hoge CEC waarde (100) maar heeft een lage Kc(Cs-Na) van 10. Hoeveel kg van de uitwisselaar moet er toegevoegd worden per m³ zodat de concentratie van Cs vereenvoudigd wordt met een honderdste?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Bereken het ladingstekort van het volgende kleimineraal ……. en bepaal hiermee de uitwisselbaarheid in mol per eenheid van Mg²+. Is het een tri- of dioctaedrisch kleimineraal en heeft het een 1:1 of 2:1 structuur?&lt;br /&gt;
*Wat gebeurt er met de oplosbaarheid en de pH als er KCl wordt toegevoegd aan Ca(H2PO)2? Maak een afleiding waarbij enkel de numerieke waarden overblijven op het einde.&lt;br /&gt;
*Wat zijn de belangrijkste factoren van verzurende depositie in Vlaanderen?&lt;br /&gt;
*Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH2O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O2 per liter bij 25°C , ∆Hr0 = -15,3 kJ/ mol/K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water.&lt;br /&gt;
*Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 4 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Waarom is de pH in zeewater 8,5 en hoe gaat de pH veranderen in de toekomst? (toekomst: meer CO2 en temperatuursstijging) &lt;br /&gt;
*Onder welke condities zal er Fe2+ kunnen bestaan dat toxisch is voor planten?&lt;br /&gt;
*Door de structuur te bekijken (structuur moet je dus ook tekenen) van muscoviet, illliet en montmorilloniet: hoe zal het soortelijk oppervlak doorheen die mineralen veranderen en waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 5 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen CO2 en pH a) voor carbonaatrijk water bij pH=8 en b) waar calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
*Waarom is denitrificatie bij ons in het najaar belangrijker dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
*Stijgt de pCO2 met de temperatuur? Waarom wel/niet?&lt;br /&gt;
*Oefening: bij welk vochtgehalte kan PO4^3- neerslaan? (zoals oefening 4 van oefenzitting &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivieren.&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen.&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl) en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2,1, 7,2 en 12,3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociaties.&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en 3m diep bevat teveel fosfaten (0,013mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens inn het meer worden gehangen aan een boei. Het fosfaat kan binden op het adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijderd. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer moet worden gehangen om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0,003mmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4mol/kg en de sorptieconstante Ks die gelijk is aan 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (2mmol/L) die constant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8,0pH. De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bevat 1 mol sites per mol geadsorbeerd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== November ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
TTT 18 november 2022&lt;br /&gt;
*NH4+ wordt naar NO3- omgezet met organisch materiaal (nitrificatiereactie gegeven). Vul aan met de juiste coëfficiënten&lt;br /&gt;
*Water heeft een concentratie stikstof van 7 mg N/L. Hoeveel mmol H+/L aan verzuring geeft de nitrificatiereactie dan? Tip: AG(N) = 14g/mol&lt;br /&gt;
*In ditzelfde water met initiële pH van 7,2 komt fosfor met concentratie 6mmol/L. Fosforzuur, H3PO4, heeft drie pKa-waarden: pKa1 = 2,1, pKa2 = 7,2, pKa3 = 12,3. Wat is de pH van dit water na de nitrificatiereactie en de reacties van het fosforzuur?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Leg uit hoe stikstofbemesting verzuring veroorzaakt. (hij bedoelde NO3-, niet ammoniakbemesting)&lt;br /&gt;
*Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer? Leg uit hoe dit verschilt volgens verschillende organismen.&lt;br /&gt;
*Leg uit waarom de CEC in 2:1 mineralen groter wordt volgens muscoviet &amp;lt;&amp;lt; illiet &amp;lt; montmirilloniet&lt;br /&gt;
*Oefening: Hoog water in de DIjle. Geef de fractie opgeloste P tov totale P en de fractie opgeloste K tov totale K bij een concentratie zwevende stof 0,5g/l met een CEC van 20cmolc/kg en waarvan 20mM/kg Fe(OH)3 is, waar fosfor op kan binden met een Ks van 20000L/mol. Er is een concentratie van 1mM Ca2+, die in competitie gaat met K+ volgens Kc(Ca-K) = 0,1 M.  Neem aan dat de concentraties gesorbeerde K en P relatief tot de totale sorptiecapaciteit te verwaarlozen zijn.&lt;br /&gt;
*De ontgassing van NH3 en CH4 bij de teelt van natte rijst is belangrijk. Waarom is dat? Geef ook de voornaamste reactievergelijkingen. (4 pnt) &lt;br /&gt;
*Anortiet verweert in de bodem tot kaoliniet (reactievergelijking gegeven). Wat is de pH van deze reactie? (2 pnt) De pH van de bodem is gemiddeld tussen de 4 en de 7. Wat betekent dat voor deze reactie? (1 pnt) &lt;br /&gt;
*Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon? (3 pnt) &lt;br /&gt;
Oefening: Je bent een klein en nieuw bedrijf en je wil de bodem terug zuiveren van PFOS. &lt;br /&gt;
*a. Wat is de PFOS Kd als je 90% van de aanwezige PFOS verwijderd hebt en je maximaal 10 g absorbens per 1m3 water wil gebruiken? &lt;br /&gt;
*b. Nu wil je de PFOS uit de bodem halen. (Ik weet de vraag niet meer helemaal)  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Gasvormige verliezen van NH3 (nutriëntenverlies!) en van CH4 (broeikasgas!) zijn belangrijk bij de teelt van natte rijst. Waarom is dat? Geef de relevante reacties, verklaar ook onder welke voorwaarden het NH3 gevormd wordt en niet het wateroplosbare NH4+ (4pt)&lt;br /&gt;
*De verwering van anorthiet (Ca-veldspaat) naar kaoliniet (Al2Si2O5(OH)4) wordt gegevens als&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8  + H2O + 2H+  &amp;lt;=&amp;gt; Ca2+   + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
De evenwichtsconstante van deze reactie is 3*10^15. Bereken de pH bij chemisch evenwicht van bovenstaande reactie (2pt). De pH van de meeste bodems 	ligt tussen pH 4 - 7, wat betekent dat voor bovenstaande reactie? (1pt)&lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarden wordt ozon gevormd in de troposfeer ? (3pt)&lt;br /&gt;
*Over PFOS gesproken... Een jong bedrijf wil een nieuwe techniek op de markt brengen om deze &#039;&#039;forever chemical&#039;&#039; te verwijderen uit bodem en grondwater met een nieuw, selectief adsorbens. Ze ontwerpt de technologie in 2 stappen, U rekent hen voor wat ze kunnen bereiken&lt;br /&gt;
**Grondwatersanering: Hoeveel moet de waarde van de PFOS Kd (in L/kg) van het adsorbens zijn om 90% verwijdering van PFOS te realiseren bij een gebruik van niet meer dan 10 g adsorbens per m³ opgepompt water (3pt)&lt;br /&gt;
**Bodemsanering: De bodem wordt gespoeld om de PFOS eruit te &amp;quot;wassen&amp;quot;, men wil max 1 m³ water gebruiken per ton bodem ( 1 ton bodem = 1000 kg droge stof); dat water wordt dan opgepompt en gesaneerd zoals in a). Het spoelwater bevat 1mmol (SO4)2-  per liter om het negatief geladen PFOS te desorberen. Het monovalente PFOS (0,1 µmol/kg ds) adsorbeert via anionuitwisseling op de AEC (0,1 cmolc  /kg ds; initieel enkel bezet met het divalente sulfaat en monovalente PFOS). De Kc (SO4 - PFOS) is gelijk aan 2. Let op: Dit is een heterovalente uitwisseling. Bereken het percentage van PFOS verwijderd met het gebruik van 1m³ spoelwater per ton droge bodem; daarbij aannemend dat deze bodemwassing plaatsvindt als een goed gemengde batch, dus geen continue doorspoeling in een bodemkolom. De structuur van PFOS werd ook gegeven. PFOS is een sulfonzuur, maar komt in de bodem enkel als sulfanaat aanwezig) (7pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Grondwater bevat soms hoge concentraties opgelost Fe. Wanneer dat water wordt opgepompt of in een rivier terecht komt, slaat dat Fe neer. Verklaar onder welke voorwaarden er veel Fe is in het grondwater en geef reacties, inbegrepen de reacties van het neerslaan aan het oppervlak of in de rivier. (4ptn)&lt;br /&gt;
*Wat is het GWP (global warming potential) van een broeikasgas, wat is de dimensie ervan en wat bepaalt de waarde? Geef de benaderende waarde van de GWP van de drie belangrijkste broeikasgassen. (3ptn)&lt;br /&gt;
*Hoe varieert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 met stijgende ionische sterkte (vb. toenemende concentratie NaCl)en hoe varieert de pH daarbij? Analyseer kwantitatief de trends (stijgen/dalen/gelijk), geen numerieke waarden van oplosbaarheid en pH maar, als achtergrondinformatie de pKa&#039;s van H3PO4 zijn 2.1,  7.2 en 12.3 voor resp. eerste, tweede en derde dissociatie. (5ptn)&lt;br /&gt;
*Een zoetwatermeer van 1ha en drie meter diep bevat teveel fosfaten (0.013 mmol PO4/L). Om algenbloei tegen te gaan, gaat men het meer saneren met de &amp;quot;theezak&amp;quot; technologie waarbij zakken met Fe(III) houdend adsorbens (mineralogie: Fe(OH)3), na verloop van tijd worden de zakken opgetrokken en verwijdert. Bereken hoeveel kg adsorbens in dat meer gehangen moeten worden om de fosfaten te verlagen tot onder de eutrofiëringsgrens van 0.003 mmmol PO4/L. Het Fe(OH)3 heeft een capaciteit om fosfaten te binden van 4 mol/kg en de sorptieconstante Ks is 25000 L/mol. De sorptie van fosfaten wordt deels gehinderd door de hoge concentratie HCO3- in het water (3 mmol/L) die consant wordt gehouden door de hoge respiratie in het water en de licht alkalische pH = 8 . De sorptieconstante van HCO3- op het adsorbens is echter veel kleiner en is 2,5 L/mol. Alle anionen binden mono-dentaat, dus elke component bezet 1 mol sites per mol geadsorbeerd. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen pH en CO2-druk in carbonaatrijke waters (waters met geen opgeloste kalk met pH = 8) en in een bodem verzadigd met calciet. Formuleer met symboolnotaties van de evenwichtsconstanten. #Wat zijn de voorwaarden voor belangrijke emissies van N2O uit de bodem. Wat kan met hier landbouwkundig tegen ondernemen om deze emissies te minimaliseren? Geef hierbij de relevante reacties. #Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van ozon in de troposfeer? #Bereken de concentratie Cu in de bodemoplossing. Gegevens: totale concentratie Cu = 0,001 mol Cu/kg droge bodem, pH = 8, 10g organische stof/kg droge bodem, sorptie enkel op organische stof, site capaciteit = 0,002 mol/g organische stof, sorptieconstanten van ionen op organische stof zijn 10^9 voor H+ en 10^8,5 voor Cu2+, 0,2 L water/kg droge bodem, Ka voor hydrolyse van Cu2+ = 10^-7. Het hydrolyseproduct adsorbeert niet op de bodem in tegenstelling tot Cu2+. (Hydrolysereatie: Cu2+ +H2O &amp;lt;-&amp;gt; Cu(OH)+ + H+) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.       Leg kwantitatief het verband uit tussen de pH en de CO2 druk voor (a) in carbonaat rijk water en voor (b) in een kalkrijke bodem. (6ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.       Wat zijn de voorwaarden voor de vorming van N2O uit de bodem? Wat doen ze landbouwkundig om dit tegen te gaan? Geef reacties. (4ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.       Wat zijn de voorwaarden van ozonvorming in de troposfeer? (2ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.       Oefening: bereken de concentratie Cu2+. Sorptie gegevens geven en bindingssites gegeven. Ph gegeven. Gravimetrisch vochtgehalte gegeven. Ka, Ks1 en Ks2 gegeven. (8ptn)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari 2021===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 1 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat zijn dioctaëdrische kleimineralen # Waarom stijft de pH wanneer de bodem verzadigd wordt met water? Geef ook de reacties # Wat zegt Liebig over de beschikbaarheid van de 14 nutriënten? # Oefening over uitstoot NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; en welke fractie ervan moet weggehaald worden om de grenzen niet te overschrijden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1.      Welke sleutelreacties bepalen dat de pH van zeewater rond de 8,5 is gebufferd en hoe zou deze pH evolueren in de nabije toekomst? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2.      Waarom is verzurende depositie op de bodem in gebieden met intensieve veehouderij (NH3-emissie) ? (4pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3.      Wat is de relatie tussen het stadium van bodemverwering (Jong/oud) en beschikbaarheid van respectievelijk N en P? (2pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4.      Oefening: Verweringreactie van anorthiet naar kaoliniet is gegeven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
CaAl2Si2O8 + H2O = Ca^2+ + Al2Si2O5(OH)4&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Ksp= 3 * 10^15&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a.      Wat is de pH in evenwicht van bovenstaande reactie?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b.      Bereken de tijd (in jaren) nodig om een bodem(0-20cm) het anorthiet te laten verweren volgens bovenstaande reactie. Het oorspronkelijke bodemmateriaal bevat 10% (gewicht) anorthiet, heeft 1% organische stof, pH=7,5 en een dichtheid = 1,3 kg/dm3. De verwering wordt gedreven door spontane verzuring, afkomstig van respiratie en nitrificatie gevolgd door uitspoeling. De uitspoeling van bicarbonaten en nitraten naar diepere lagen zijn respectievelijk 2 kmol/ha/jaar en 2 kmol/ha/jaar. Molecuulgewicht van anorthiet is 278 g/mol. (10pt)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;23/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zeewater heeft een pH=8,5. Welke reacties bufferen deze pH? Hoe zal de pH in de toekomst evolueren? #Waarom zorgen landbouwemissies (NH3) voor verzurende depositie in de bodem? #Rangschik onderstaande mineralen volgens oplosbaarheid. Staan ze in de zelfde volgorde als je ze rangschikt volgens veerweerbaarheid? (Kwarts, calciet, anorthiet, NaCl, ferrihydriet, ...) #Bespreek de vorming van ozon in de atmosfeer. #Oefening over sorptie met competitie. Te veel fosfaat in een meer, hoeveel (kg) ferrihydriet nodig om fosfaat onder bepaalde grens te krijgen. Compeititie van HCO3-. (Zeer vergelijkbaar met oef 8 uit de dropbox) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
* pH van zeewater berekenen. (Bijvraag was hoe dat het komt dat de pH rond dit getal zit: antwoord ging erover dat het carbonaat en de CO2 een buffer vormen ofzo)&lt;br /&gt;
* Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar? (chemische formules geven)&lt;br /&gt;
* Weekend-effect van Ozon uitleggen. (Als bijvraag vroeg hij en ik quote: &amp;quot;En leg dat nu eens op een niet-chemische manier uit...&amp;quot;)&lt;br /&gt;
* Volgorde van oplosbaarheid van mineralen en gesteenten bepalen. Uitleggen hoe dit komt.&lt;br /&gt;
* Theezakjesmethode in een meer. Sorptie etc. berekenen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag (reeks 9)&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom denitrificatie in onze streken belangrijker is in het najaar dan in het voorjaar. #Kalk heeft een pKsp van 8,5 en kwarts een pKsp van 4,0. Toch zal kalk bij bodemgenese sneller oplossen dan kwarts. Verklaar dit verschil. #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele lading en het verschil in ladingsdichtheid (C/m²). Van welke omgevingsfactoren is de ladingsdichtheid afhankelijk? #Wat zegt de wet van het minimum van Liebig? Leg uit en toon aan dat dit principe niet altijd opgaat, bijvoorbeeld bij Mg en K, door hun reacties in de bodem te beschouwen. #Oefening: 100mmol/kg Fe(OH)3, 10mmol/kg fosfaat, 20% verzadiging van water. 10% van de OH-groepen aan het oppervlak, dus een sitecapaciteit van 3*100*0,1 mmol/kg = 30 mmol/kg. Fosfaat sorbeert aan Fe(OH)3 met een Ks = 40000 L/mol. Hoe veel fosfaat is er dan in de bodemoplossing? Het watergehalte neemt vervolgens toe naar 40% en Fe(OH)3 zal gereduceerd worden. O2, nitraat en Mn concentraties verwaarloosbaar klein. Respiratie gebeurt met een snelheid van 2mgC/kg/dag. Hoe veel fosfaat is er na 30 dagen in de bodemoplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 1&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Emissies van ammoniak uit stallen veroorzaakt op lange termijn een PH stijging van de bodem in de omgeving van het landbouwbedrijf. Waar of niet waar? Waarom?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Geef kwantitatief de relatie tussen PH en de CO2 druk in:&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)  	Carbonaatrijke waters, m.a.w. waters rond PH8 waarin geen opgeloste kalk zit&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)  	Een bodem die met calciet verzadigd is&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. In bodems, sedimenten en water is er steeds een verdeling van een element tussen de vaste fase met een gegeven Kd (l/kg), hoe hangt dan de fractie opgeloste elementen af van de Kd en de vloeistof-vast verhouding. Het laatste uitgedrukt al het volume per massa vaste stof (l/kg). De fractie duidt wel degelijk op de hoeveelheid van het element (in mol) in de waterige fase t.o.v. het geheel (vast+vloeibaar (in mol))&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Wat is de relatie tussen de jaarlijkse hoeveelheid beschikbaar water en de noodzakelijke hoeveelheid nutriënten (en dus bemesting) voor een landbouw gewas.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Oefening: Een bodem met PH=7 en 2% klei bevat 50 mmol/kg droge stof bindingssites waarop zowel H2PO4- als H2AsO4- kunnen binden. De Ks voor het arsenaat is 250000 l/mol dat voor fosfaat is 10 maal kleiner. De bodem bevat 1 mmol As per kg en ‘theta’=0,2 l/kg droge stof. Bereken de dosis van P (in mol/kg bodem) die nodig is om de Kd van As een factor 10 te verlagen door competitieve sorptie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&#039;&#039;&#039;Examen 2&#039;&#039;&#039;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
1. Geef een wiskundig vergelijking voor het verband van CO2 druk en pH. Ten eerste, voor water zonder opgeloste kalk, ten tweede voor een bodem met veel opgeloste kalk in.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
2. Waarom is er meer denitrificatie in het najaar dan in het voorjaar?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
3. Waarom is de sorptie van Cu2+ zeer pH-afhankelijk?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
4. Klopt het dat wanneer de temperatuur stijgt, de lucht meer CO2 zou bevatten?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
5. Het risico op denitrificatie en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten, namelijk bij 25°C en 10°C. Het meer is 1 meter diep en bevat opgeloste organische stof (kortweg CH&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O) met initiële concentratie van 20 mg C per liter. De microbiële afbraak van de organische stof is constant in de tijd (tot uitputting) en is 1 mg C / l / dag bij 25°C en 2x trager bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met O2 (8,5 mg O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; per liter bij 25°C , ∆H&amp;lt;sub&amp;gt;r&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;0&amp;lt;/sup&amp;gt; = -15,3 kj/mol/°K voor het oplossen van O2) en bevat 1 mmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe(III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle zuurstof en nitraat zijn uitgeput. Atoomgewicht: C=12, O=16, N=14&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
a)    Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen, uitgedrukt als totaal N2O/ liter water. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
b)    Bereken vervolgens N2O concentratie in de lucht indien N2O enkel zou ontgassen naar een luchtkolom van 100 meter boven water. Van nature zit er reeds +- 330 ppb&amp;lt;sub&amp;gt;v&amp;lt;/sub&amp;gt;  in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10^-3 mol/l/bar (geen temperatuur correctie nodig hier).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;25/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De pH-schommelingen in de bodem hangen af van de neerslag (waar/niet waar en waarom?) Oplossen, niet alleen met redoxreacties (iets van ionische sterkte en baseverzadiging) #Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar? #Verklaar aan de hand van de structuur van gibbsiet (Al(OH)3) de variabele landing en het verschil in ladingsdichtheid + geef tekening (lading niet alleen pH-afhankelijk, hangt ook af van I?) #Waarom is N het meest limiterende element #Oefening: Er zijn 2 bodems met pH=7, CEC=10cmolc/kg, een baseverzadiging van 100%, de dichtheid is 1.7kg/l en 1% van de bodem is calciet. Bij de ene bodem is de uitstroom door neerslag gelijk aan 0.2m/jaar, bij de andere bodem is dit 0.02m/jaar. Hoe lang duurt het voordat de basenverzadiging 50% bedraagt en al het calciet is opgelost (apart bekijken) voor beide bodems bij een CO2-concentratie van 300 ppm en bij een CO2-concentratie van 400ppm?  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;01/09 namiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom zijn er verzurende deposities op de bodem bij intensieve veehouderij (NH3 emissies)? #Bij welke omstandigheden is er veel Fe in het grondwater? Waarom slaat Fe neer als het grondwater wordt opgepompt of in een rivier komt? #Welke pH-bufferende reacties in de bodem gaan verzuring tegen? Welke bodemcondities spelen hier een rol? #Waarom hebben ontwikkelingslanden een grotere uitstoot van broeikasgassen door landbouw dan van industrie/huishoudens? #Oefening uit twee delen, sorptie en CEC. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;05/09 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke reacties zorgen ervoor dat zeewater een pH van 8.8 heeft, wat zal er in de toekomst hiermee gebeuren? #Wat zijn de voorwaarden dat Fe in grondwater oplost? Waarom slaat het neer als het opgepompt wordt of in een rivier terecht komt? #Verschil in sorptie van de alkalimetalen op kleimineralen en organische stof. #Waarom zorgt landbouw in ontwikkelingslanden voor meer broeikasgassen dan de industrie en huishoudens? #Oefening met Arseen dat op bindingsplaatsen bindt (aantal bindingsplaatsen en hoeveelheid arseen gegeven alsook de Ks), daarna orthofosfaat toevoegen met een 10x kleinere Ks, hoeveel fosfaat moet je toevoegen zodat de Kd van arseen met een tienvoud daalt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar waarom de concentratie Ca2+ stijgt in kalkrijk grondwater bij een toename van biologische activiteit, dus bij een toename van respiratie #In ijzerrijk grondwater kan, als het aan de oppervlakte komt, opgelost ijzer neerslaan. In welke omstandigheden gaat er veel ijzer in oplossing zijn en in welke omstandigheden gaat het neerslaan? #Wat gebeurt er met de pH als de bodem uitdroogt? Welke eigenschappen van de bodem (vaste stof) bepalen de positieve of negatieve toename van de pH? #De CO2 druk in de atmosfeer neemt toe met een stijgende temperatuur. Juist of fout en waarom? #Oefening: Het risico op denitrificate en vorming van lachgas (N2O) in een meer wordt vergeleken tussen 2 klimaten: 25°C en 10°C. Het meer is 1m diep en bevat opgeloste organische stof, CH2O met een initiële concentratie van 20 mg C/l. De microbiële afbraaksnelheid is 1 mg C/l/dag bij 25°C en twee keer zo traag bij 10°C. Het water is initieel verzadigd met zuurstof (8.5 mg O2/l bij 25°C, ΔHr0=-15.3kJ/mol/°K voor het oplossen van zuurstof) en bevat 1mmmol/l nitraat. Het sediment bevat een overmaat aan Fe (III) mineralen die onder anoxische omstandigheden kunnen reageren nadat alle O en N uitgeput zijn. Bereken hoeveel N2O er gevormd is na 18 dagen (in mmol N2O per l water) waarbij het N2O gas niet ontsnapt naar de atmosfeer. Bereken vervolgens de N2O concentratie in de lucht indien er chemisch evenwicht is ontstaan tussen het water en een luchtkolom van 5 km boven het water. Van nature zit er reeds 330 ppbv in de lucht. De Henry constante van N2O is ongeveer 25*10-3 mol/l/bar (hier is geen temperatuurscorrectie voor nodig). Atoomgewichten zijn: C=12, O=16, N=14 &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;27/01 voormiddag &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aan een bodem wordt Ca(NO3)2 toegevoegd als een N-meststof. De pH zal stijgen op lang termijn. Waarom wel of niet? #Leg het zwellende vermogen van 2:1 mineralen uit. #Wat voor effect heeft de specifieke sorptie van ionen op het flocculeren van colloïden. #Van wat is de ozonvorming afhankelijk? #Twee soorten riviersedimenten, de ene met ferryhydriet en de andere met goethiet. Ksp gegeven. De sedimenten worden onder water gezet zodat er geen O2 meer is om CH2O om te zetten, alles gebeurt via ijzer. Een hoeveelheid C gegeven. Fe2+ zal adsorberen op het sediment. Wat is de redoxpotentiaal na 28 dagen? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de kwantitatieve relatie tussen de pH en de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; #*a. Zonder kalk maar in carbonaatrijk water #*b. In aanwezigheid van kalk # Waarom is denitrificatie belangrijker in het najaar ten opzichte van het voorjaar. # Waarom is Cu&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; sorptie zo sterk pH afhankelijk. # Bij een temperatuurs verhoging stijgt de CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; druk, waar of niet waar en verklaar. # Een waterverzadigde bodem met volumetrische vochtgehalte van 0.35 en een pH van 7 bevat 10 mmol/kg fosfaat, heeft een CEC van 10 cmol&amp;lt;sub&amp;gt;c&amp;lt;/sub&amp;gt;/kg, een N&amp;lt;sub&amp;gt;K&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.02, een N&amp;lt;sub&amp;gt;Ca&amp;lt;/sub&amp;gt; =0.98, een K concentratie van 0.3 mM, een Ca concentratie van 2.0 mM, een totale sorptie oppervlak voor fosfaat van 80 mmol/kg, een K&amp;lt;sub&amp;gt;s&amp;lt;/sub&amp;gt; = 20000 L/mol voor alle fosfaat (dus H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. De bodem droogt uit en de ionconcentraties stijgen, Bij welke volumetrische vochtgehalte slaat Ca&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;(PO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een log(K&amp;lt;sub&amp;gt;sp&amp;lt;/sub&amp;gt;)= -28.9. De pka&#039;s van fosfaat zijn 2.1, 7.2, 12.3. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;24/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? #Geef de belangrijkste reacties van de geologische koolstofcyclus m.a.w. die van de mariene, terrestrische, atmosferische en die van miljoenen jaren oud. #Leg uit wat acid mine drainage is en de reactie #Wat is de verblijftijd van koolstof in de biosfeer en wat is de variatie tussen de organisme? (ofzoiets) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;22/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. Waarom is het alkalisch gebufferd en wat zal er in de toekomst gebeuren? (Dus reacties geven van bicorbonaat en kalk! Over de toekomst uiteraard de CO2 stijging maar ook de Temperatuurstijging afzonderlijk vanzonderlijk van de CO2 bespreken. (ik snapte zijn uitleg daarbij niet zo goed, iets over enthalpie enzo) #Variabele lading: kaoliniet en illiet. Bespreek adhv hun structuur. #Veeteelt zorgt voor verzurende depositie. #Ozonvorming #Oefening &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;19/01 voormiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Schrijf de sleutelreacties op van zeewater dat gebufferd is op ph 8,5. #Door welke antropogene processen komen er broeikasgassen vrij? #Het verschil verklaren van de CEC bij Kaoliniet - Illiet - Montmorilloniet. #Oefening op fosfaatconcentratie reduceren door ferrihydriet toe te voegen, met en zonder concurrentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;14/01 namiddag: &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Verklaar de vermindering aan kalk in aangroeiende bodems en de afzetting van kalk wanneer de bodemoplossing aan het aardoppervlak komt. #Er kan veen ijzer in bodemoplossingen zitten, die dan neerslaat als het naar de oppervlakte komt of in een rivier stroomt. Leg uit welke voorwaarden er zijn om zoveel ijzer in de bodemoplossing te krijgen en geef ook alle reacties ook die als er contact ontstaat met het aardoppervlak. # Verklaar de pH-afhankelijke ladingen aan de hand van de structuur van gibbsiet. #waarom is N meestal het meest limiterende nutriënt? #oefening: De verweringsreactie van Anortiet naar Kaoliniet is CaAl2Si2O8 + 2H+ + H2O &amp;lt;-&amp;gt; Al2Si2O5(OH) + Ca2+ Ks= 3*10^15 a) bepaal hier de pH van bij evenwicht b) Hoeveel jaar duurt het om alle anortiet uit de bodem te laten verweren? Bodem is bij het begin 0-20cm met dichtheid 1.3 kg/dm³ en bestaat voor 5 gewichts% uit anortiet en voor 1% uit organische stof. pH is 7.5. De verwering wordt in gang gezet door natuurlijke verzuring uit nitrificatie en respiratie. De bicarbonaten en nitraten lopen uit met 2 en 4 kmol/ha/jaar respectievelijk. Molaire massa van anortiet= 278 g/mol &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Onder welke omstandigheden zal N2O vrijkomen uit de bodem? (geef reacties) Welke maatregelen kan men in de landbouw nemen om dit te voorkomen? # Bespreek hoe de ionische sterkte en de Natriumverzadiging de bodemstructuur beïnvloeden # Wat is het weekend-effect? # Oefening: een rivier wordt gebaggerd, het sediment wordt eruit gehaald en gedroogd. Door oxidatiereacties van FeS, NH4+ en Mn2+ zal het sediment verzuren. De initiële pH = 8. De pH-buffercapaciteit wordt bepaald door de EB (uitwisselbare basen) waarbij EB = 3.5 + pH (initieel dus 11.5 cmolc/kg DS). Wat is de finale pH na verzuring? (Antw = 6.4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3 &amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; bespreek de reacties en processen van de kalk oplossing in de bodem en de kalk neerslag bij oppervlaktewater # ijzer neerslag in een rivier # variabele lading van gibbsiet # waarom is N bna altijd de limiterende component # oefening: anorthiet verweert tot kaoliniet. Geef de pH er is enkel de reactie gegeven en de Ksp (is zoals die extra oefening op toledo) en bereken hoelang het duurt om anorthiet weg te reageren. (Hier zijn heel veel gegevens) en het enige wat je moet doen is eenheden omzetten grin-emoticon zoals die in de OZ over kalkvraag tegen verzuring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij stijgende ionische sterkte? Wat gebeurt er met de pH? Leg kwantitatief uit. # Wat zijn de sleutelreacties, die er voor zorgen dat de pH van zeewater ongeveer 8.5 is? Wat gebeurt er in de nabije toekomst? # Bij natte rijstteelt ontsnappen NH3 en CH4, geef de omstandigheden waarin dit gebeurt. # Wat zorgt voor de oppervlaktelading van Gibbsiet? Geef ook de structuur. # In grondwater (pH=6, pe=4) zit een totaal van 10^-4M Fulvaten (FA-). Bereken de speciatie van Fe in grondwater (dit is de Fe in oplossing en de complexen Fe-Fa). Voor Ferrihyriet dat in overmaat aanwezig is, geldt dat Ksp = 10^-37.1. Calcium concentratie is 10^-3, Concentratie HCO3- is 2*10^-3. De mono-dentaat associatieconstanten zijn 10^7 (H+), 10^13 (Fe3+) en 10^3 (Ca2+). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de oplossingssnelheid van CaCO3 als de PCO2 stijgt # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat veroorzaakt de lading in gibsiet (structuur tekenen) en wat is de invloed van de ph? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: de speciatie van Fe bepalen met complexatie en ... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; wat gebeurt er met de snelheid waarmee kalk verwijderd wordt uit de bodem als de CO2 toeneemt in de atmosfeer #onder welke condities komt er veel N2O vrij in de atmosfeer, hoe kan dit landbouwkundig tegengegaan worden? #geef de verklaring waarom de CEC in de reeks muscoviet-illiet-montmorilloniet stijgt #wat is het weekendeffect bij ozonvorming #een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? # de bijvragen bij vraag 1 waren: wat is het wiskundig verband tussen Ca oplosbaarheid en CO2 en hoe kom je daar aan? en wat gebeurt er met de CO2 in de bodem precies (nogal een verwarrende vraag)? voor de rest vroeg hij niet echt bijvragen... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; welke eigenschappen geven een verschil (teken en grootte)in pH in een bodem met water of een bodem met 1M KCl? # waarom is de denitrificatie in het najaar belangrijker dan in het voorjaar # Wat is een dioctaëdrisch kleimineraal? # wat veroorzaakt ozon vorming in de troposfeer # oefening: wat gebeurt er met de pH van zeewater als de CO2 stijgt van 380ppm naar 480ppm bij 1 bar. De ionische sterkte is 0,5M (grote invloed dus!) en het water is oververzadigd aan calciet. De volgende reacties en constanten zijn gegeven #* CaCO3 + CO2 = Ca + 2HCO3 K=10^-6 #* CO2 + H2O = H2CO3 K=10^-1,47 #* H2CO3 = H + HCO3 K=10^-6.35 #* HCO3 = H + CO3 K=10^? (deze had ik niet nodig) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Welke sleutelreacties zorgen ervoor dat pH van zeewater gebufferd wordt rond 8,5 en hoe zal dit in de toekomst evolueren? #Waarom is er verzurende depositie van de bodem bij intensieve veeteelt (NH3 emissies)? #Waarom is de relatieve bijdrage van de variabele lading belangrijker voor kaoliniet dan voor illiet? Leg uit m.b.v. de structuur #Hoe wordt ozon gevormd in de troposfeer? #Oefening: De redoxreacties van twee sedimenten (één met ferrihydriet en één met goethiet) worden vergeleken. De sedimenten worden verzadigd met water waardoor de zuurstof onmiddellijk wordt opgebruikt. Enkel Fe fungeert als electronacceptor. Wat is de redoxpotentiaal na 12 dagen? --&amp;gt; Heleboel gegevens gegeven waaronder Ksp, hoeveelheid respiratie, andere K-waardes,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Is het aandeel niet specifiek gebonden protonen groot t.o.v. de specifiek gebonden protonen? Bij een pH=5, in oplossing, met de concentratie Ca2+=10^-2. De bodem bestaat uit humus en de pKa van humus is 5. #Geef de reacties/processen die zorgen voor de kalkvermindering bij de vorming van de bodem. Geef ook de reacties die optreden als grondwater aan het oppervlak komt en kalk dus terug neerslaat. #Hoe wordt de oplosbaarheid van Ca(H2PO4-)beïnvloed als de ioninsche strekte stijgt (bijvoorbeeld door toevoeging van NaCl)? En wat gebeurt er dan met de pH? Beschrijf kwantitatief. #Wat is de GWP(global warming potential)? En welke factoren bepalen hoe groot deze waarde is? #In de bodem zit fulfaat(FA) met een totale concentratie van 10^-4 M. De pH=6 en de pe=1. De concentratie HCO3- is 2mmol/l. Ferrihidriet is in overmaat aanwezig en de Ksp=10^-37,1. Er is ook Ca2+ aanwezig en de concentratie is 10^-3M. Bereken de concentraties van Fe2+, Fe3+, Fe(II)FA en Fe(III)FA. LogK=15.8 voor de reactie: Fe(OH)3 + e- + 3H+ = Fe2+ + H2O. De associatieconstanten voor de complexen van FA met Fe2+, Fe3+, Ca2+ en H+ zijn respectievelijk 10^3, 10^13, 10^3, 10^7. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt; Waarom is er netto oplossing van kalk bij bodemvorming en netto neerslag van kalk als grondwater aan de bodem komt? # Verklaar waarom er verschillende ladingen aan de rand van gibbsiet (Al(OH)3) voorkomen. # Hoe verandert de oplosbaarheid van Ca(H2PO4)2 bij een stijgende ionische sterkte? Analyseer kwantitatief. # Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om ozonvorming in de troposfeer te krijgen. # een gereduceerde bodem wordt gebaggerd en begint te oxideren als hij uitdroogt. oorspronkelijke pH = 8, de bodem bevat 0,04% OM, 5mmol/kg Mn2+, 2 mmol/kg Fe3+ en 1 mmol NH4+, de uitwisselbare basen zijn ifv van de pH: EB = 3,5 + pH. Wat is de finale pH? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Voorbeelden van vragen uit de &amp;amp;lsquo;theorie&amp;amp;rsquo; == &lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Waarom stijgt de Ca concentratie in bodemoplossing van een kalrijke bodem naarmate de respiratiesnelheid in de bodem toeneemt? #Waarom stijgt de pH meestal na verzadiging van de bodem met water? #Waarom is relatieve bijdrage van de variabele lading op de totale lading belangrijker voor kaoliniet t.o.v. illiet? #Wat zijn potentiaal bepalende ionen (PDI)?&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Statistiek_%26_data-analyse&amp;diff=439</id>
		<title>Statistiek &amp; data-analyse</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Statistiek_%26_data-analyse&amp;diff=439"/>
		<updated>2024-01-17T13:51:34Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: Januari 2024&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Mia Hubert&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, computerzitting&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 3&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Brossen of niet?&amp;lt;/b&amp;gt; ja, niet de computerzittingen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze prof geeft elke week 2 uurtjes les en komt altijd zeer enthousiast over. Het grote hekelpunt aan haar lessen is het niet-altijd-even-aangename stemgeluid van Mia Hubert. Voor de rest is ze altijd vriendelijk in de les en stelt ze veel vragen aan de aula. Het examen zal veel oefeningen bevatten, het is dus aangeraden om naar de oefenzittingen te gaan.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;17/01/2024&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
*We hebben een koelkast en in de brochure staat dat de kan dat de temperatuur lager is dan 2°C, 2% is. De kans dat de temperatuur hoger is dan 6°C bedraagt 3%. Duidt aan welke stelling correct is en verantwoord je keuze. Voor een juist antwoord zonder verklaring krijg je geen punten. &lt;br /&gt;
**mu is kleiner dan of gelijk aan 4 / mu is groter dan 4&lt;br /&gt;
**Als we 50 van deze koelkasten nemen, dan is de verwachte waarde: kleiner of gelijk aan 4 / groter dan 4 &lt;br /&gt;
**Als we het betrouwbaarheidsinterval berekenen dan is mu in het midden / ligt het steekproefgemiddelde er in / ligt het populatiegemiddelde er in &lt;br /&gt;
*We hebben 200 gegevens uit een lognormale verdeling. Duidt aan wat juist is en verklaar. &lt;br /&gt;
*In een gemeente liggen 2 waterzuiverringscentrales. 40% van het afvalwater gaat naar centrale 1, de overige 60% naar centrale 2. 99% van het water dat gezuiverd wordt in centrale 1 voldoet aan de normen. 98% van het water dat gezuiverd is in centrale 2 voldoet aan de normen. &lt;br /&gt;
**Als we een staal uit centrale 1 nemen, wat is dan de kans dat dit niet aan de normen voldoet? &lt;br /&gt;
**Als we 15 stalen nemen van het water in centrale 2, wat is dan de kans dat minstens 13 van deze stalen voldoen aan de normen?&lt;br /&gt;
**Wat is de kans dat meer dan 11 van de 33 stalen van centrale 2 niet aan de normen voldoen? &lt;br /&gt;
*Ons tante heeft een verjaardagskalender waar ze haar eigen verjaardag op heeft staan en de verjaardagen van 65 kennissen. Ze heeft geteld hoeveel verjaardagen er zijn in elk kwartaal: kwartaal 1 = 13, kwartaal 2 = 21, kwartaal 3 = 16 en kwartaal 4 = 16. Ze wil weten of de verdeling van de verjaardagen van de wereldbevolking uniform verdeeld is. &lt;br /&gt;
**Welke hypotheses gebruikt ze. Leg je termen ook uit, schrijf zo veel mogelijk in symbolen. &lt;br /&gt;
**Aan welke voorwaarden moet worden voldaan? Is er voldaan aan deze voorwaarden? Waarom wel/niet? &lt;br /&gt;
**Geef de teststatistiek en de eventuele verdeling onder H0. &lt;br /&gt;
**Bereken de testwaarde &lt;br /&gt;
**Geef een besluit op het significantieniveau alfa = 5%&lt;br /&gt;
**leg uit wat de betekenis is van de P-waarde&lt;br /&gt;
*Een ijssalon wil weten of de winst die het maakt afhankelijk is van de dagtemperatuur. Gegeven: R-code &lt;br /&gt;
**Stel een regressierechte op en bepaal de winst volgens deze vergelijking bij een temperatuur van 20°C&lt;br /&gt;
**Welke veronderstellingen heb je gemaakt? Leg uit&lt;br /&gt;
**Is het model zinvol? &lt;br /&gt;
**Vul de ontbrekende delen in de R-code aan (df res en ANOVA-tabel met enkel linksboven gegeven) &lt;br /&gt;
**Stel X=maximale dagtemperatuur. Bereken de variantie van X aan de hand van de gegevens in de R-code. &lt;br /&gt;
**We kunnen de temperatuur in °C omzetten naar Fahrenheit volgens volgende vergelijking: F=1,8X+32. Bereken de variantie van F. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Enkele meerkeuzevragen over alle soorten verdelingen. &lt;br /&gt;
*Een vraag uit 3 punten: &lt;br /&gt;
**Bewijs dat f(x) een verdelingsfunctie is: f(x)= 1/6 - x/72 voor 0&amp;lt;=x&amp;lt;=12 anders is f(x) = 0 &lt;br /&gt;
**Bewijs dat de verwachte waarde 4 is. &lt;br /&gt;
*Bereken de VAR. &lt;br /&gt;
*Hypothesetest over het vergelijken van 2 gemiddelde omtrekken, zeggen wat je allemaal heb aangenomen, en hoe hoe je dit zou kunnen aantonen als je de juiste gegevens had, en verklaren wat de type 1 en type 2 fout in dit geval betekent. &lt;br /&gt;
*SAS output: regressie model opstellen, enkele waarden invullen die ze in de output hebben weggelaten, modellen nagaan, betrouwbaarheidsinterval van rico opstellen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*dataset van appartementen, met de prijs, de oppervlakte, de ligging en nog iets &lt;br /&gt;
*toon aan dat de variabele prijs niet normaal verdeeld is. Zoek een gepaste transformatie (die je gtprijs noemt). &lt;br /&gt;
*Iemand beweerd dat de prijs van appartementen is een residentiële omgeving hoger is dan de prijs voor appartementen in een niet residentiële omgeving. Ga na of hij gelijk heeft &lt;br /&gt;
**met de variabele gtprijs &lt;br /&gt;
**met de variabele prijs &lt;br /&gt;
**de p-waarde bekomen in a op een grafiek weergeven + leg uit in woorden wat de p-waarde is &lt;br /&gt;
*is er een verband tussen gtprijs en de oppervlakte &lt;br /&gt;
*15% volwassenen uit een steekproef van 1540 volwassenen gaan regelmatig joggen &lt;br /&gt;
**bereken het gemiddelde en de variantie &lt;br /&gt;
**wat is de kans dat tussen 13% en 17% van de volwassenen gaan joggen &lt;br /&gt;
**hoe groot moet de steekproef zijn om de standaarddeviatie van a te halveren &lt;br /&gt;
*55% drinkt koffie, 25% thee en 45% cola. 15% drinkt zowel koffie als thee, 25% zowel koffie als cola en 5% drinkt koffie, thee en cola. Er is ook geweten dat 5% alleen thee drinkt. &lt;br /&gt;
**hoeveel procent drinkt alleen cola &lt;br /&gt;
**hoeveel procent drinkt geen enkele van deze dranken &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vraag 1-3 dataset met geslacht, L of R handig, langste voet(L of R) en lengte van voet. &lt;br /&gt;
**hebben linkshandingen meestal de linkse voet als langste voet? &lt;br /&gt;
**Kun je aan de hand van de breedte van de voet bij de jongens de lengte bepalen? &lt;br /&gt;
**Is de gemiddelde lengte van de voeten bij jongens en meisjes verschillend? en wat is de betekenis van die P-waarde. &lt;br /&gt;
*u pillekes zijn gemiddeld 4 mm en en 1/100 wijkt hiervan meer dan 0.02 mm af. Degene die meeer dan 0.2mm afwijken moeten vernietigd worden. Wat is de kans da ge op 1000 pillekes meer dan 15 moet vernietigen. #ge hebt een 95% betrouwbaarheidsinterval [38.9 en 40.9]. bereken nu het 99% betrouwbaarheidsinterval en wat is de betekenis hiervan &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Is er een significant verschil in gewicht tussen ratten met genotype A en ratten met genotype B?&lt;br /&gt;
**Heeft het genotype van de moeder invloed op het genotype van de rat? &lt;br /&gt;
*Je buurman heeft een alarmsysteem dat afgaat bij 95% van de inbraken. Het is de afgelopen twee jaar echter ook 5 keer afgegaan zonder reden. De kans op inbraak in je buurt wordt geschat op 2 op 10000. Als het alarm van je buurman op een nacht afgaat, hoe groot is de kans dat het een echte inbraak betreft? &lt;br /&gt;
*Bij mannelijke en vrouwelijke muizen van twee soorten werd bij 100 exemplaren elk (voor een totaal van 400) onderzocht of ze een bepaalde ziekte hebben. Soort 1, V: p1, Soort 1, M: p2, Soort 2, V: p3, Soort 2, M: p4. p1 = 0,02, p2 = 0,03, p3 = 0, p4 = 0,01. &lt;br /&gt;
**Formuleer een nulhypothese en een alternatieve hypothese en zoek de bijhorende p-waarde om uit te zoeken of het aanvaardbaar is te stellen dat de mannetjes van soort 1 makkelijker besmet raken dan de vrouwtjes. &lt;br /&gt;
**Vind de p-waarde voor H0: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;gt;= 0 en H1: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;lt; 0. (Hier ben ik niet zeker van) &lt;br /&gt;
*Bij het saneren van de grond moet men exact weten hoeveel plutonium er in de grond zit. Dit plutonium is echter moeilijk op te sporen als het gemengd is met andere stoffen. Daarom spoort men de alfa-stralen op die het plutonium uitzendt. Was het correct de kleinste-kwadratenmethode te gebruiken? Waren de voorwaarden om de kleinste-kwadratenmethode toe te passen voldaan? (Onder de tekst staat een afbeelding van een in een statistisch programma bekomen resultaat van een F-test en een t-test). &lt;br /&gt;
*Meerkeuzevraag: als men de steekproef vergroot bij een vast significantieniveau en een normale verdeling zal de nauwkeurigheid stijgen en de correlatiecoëfficiënt vergroten. Waarom? Vier mogelijkheden. &lt;br /&gt;
*In een diamantmijn schat men dat er per 500m^3 1 diamant zit, die kan verkocht worden aan 2,5 miljoen euro. De diamantmijn is 1000m^3 groot, en het kost 5000 euro per m^3 om ze te ontginnen. Hoe groot is de kans dat de totale winst minimum 2,5 miljoen euro zal zijn? {| class=&amp;quot;wikitable&amp;quot; style=&amp;quot;text-align:center&amp;quot; |- | rat || moeder || gewicht || || rat || moeder || gewicht |- | A || A || 68.2 || || A || J || 39.6 |- | A || A || 64 || || A || A || 60.3 |- | A || A || 65 || || A || A || 51.7 |- | A || A || 59.7 || || A || A || 49.3 |- | A || B || 55 || || A || A || 48 |- | A || B || 42 || || A || B || 50.8 |- | A || B || 60.2 || || A || B || 64.7 |- | A || I || 52.5 || || A || B || 61.7 |- | A || I || 68.2 || || A || B || 64 |- | A || I || 61.8 || || A || B || 62 |- | A || I || 49.5 || || A || I || 56.5 |- | A || A || 52.7 || || A || I || 59 |- | A || J || 42 || || A || I || 47.2 |- | A || J || 54 || || A || I || 53 |- | A || J || 61 || || A || J || 51.3 |- | A || J || 48.2 || || A || J || 40.5 |- | I || A || 37 || || B || A || 57.4 |- | I || A || 36.3 || || B || A || 54 |- | I || A || 68 || || B || A || 47 |- | I || B || 56.3 || || B || B || 59.5 |- | I || B || 69.8 || || B || B || 52.8 |- | I || B || 67 || || B || B || 56 |- | I || I || 39.7 || || B || I || 45.2 |- | I || I || 46 || || B || I || 57 |- | I || I || 61.3 || || B || I || 61.4 |- | I || I || 55.3 || || B || J || 44.8 |- | I || I || 55.7 || || B || J || 51.5 |- | I || J || 50 || || B || J || 53 |- | I || J || 43.8 || || B || J || 42 |- | I || J || 54.5 || || B || J || 54 |- | I || A || 59 || || || || |} &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== met dank aan de geografen ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2001-2002 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vraagstuk met figuur met veel boxplotten: 4 besluiten uit de boxplotten trekken &lt;br /&gt;
*Geef de binomiaalverdeling - bereken E(X) en Var(X) van de verdeling - welke verdeling wordt benaderd als n groot is - vraagstuk: 250 euromunten worden opgegooid, 140 waren kop. Wat is de kans dat je bij een eerlijke euromunt minstens 140 keer kop gooit. - geef betrouwbaarheidsinterval van 95% &lt;br /&gt;
*Vraagstuk: krijgen armen dagelijks minder dan 800 mg Ca binnen? 35 mensen werden onderzocht, gemiddelde 774.9 mg Ca: test op significantieniveau 0.05, geef P-waarde, definieer p-waarde en duidt aan in tekening. Geef de gebruikte veronderstellingen en hoe ga je die veronderstellingen na? &lt;br /&gt;
*f(x) = ¼ * |x| als x  -2,2 f(x) = 0 elders - teken de dichtheidsfunctie - bewijs dat het een dichtheidsfunctie is - bereken E(X) en de mediaan - geef p(-1 &amp;lt; x &amp;lt; 1) &lt;br /&gt;
*vraag bij practicum: bij onderzoek van verwantschap en gebied: welke test heb je gebruikt en welk resultaat &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2003-2004 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Jan studeert één hoofdstuk uit zijn cursus statistiek. De gemiddelde duur om 1 hoofdstuk te leren bedraagt 1 uur met een standaardafwijking van 20 minuten. Bepaal de kans da hij langer dan anderhalf uur moet leren. Stel Jan wil om 23h naar een feest vertrekken. om welk uur moet hij ten laatste beginnen te studeren als hij met 98% zekerheid om 23h gedaan wilt hebben. &lt;br /&gt;
*Een boer beweert da hij water kan ontdekken met zijn peddel. De buren geloven hem niet en willen hem testen. Ze zetten 10 vaten waarvan er een aantal gevuld zijn met water. De boer raadt er 8 van juist. Als de boer gegokt heeft, wat is dan de kans dat hij hetzelfde resultaat of nog beter boekt. Bepaal de kans eerst exact, daarna benaderend. Zijn beide kansen gelijk of sterk verschillend? Verklaar. &lt;br /&gt;
*Is de mortaliteit hoger bij mensen met een laag inkomen dan met een hoog inkomen? &lt;br /&gt;
**geef nulhypothese en alternatieve &lt;br /&gt;
**wat is de teststatistiek? welke waarde heeft ze? &lt;br /&gt;
**voer de test uit met significantieniveau (0,05 of 0,1 weet ik niet meer) &lt;br /&gt;
**geef de resultaten, wat is je besluit, toon dit ook grafisch aan &lt;br /&gt;
**Is de mortaliteit afhankelijk van het opleidingsniveau &lt;br /&gt;
***geef dit grafisch &lt;br /&gt;
***welk verband kan je vinden &lt;br /&gt;
***test de onafhankelijkheid (0,05 of 0,1 weet ik niet meer) &lt;br /&gt;
***wat is hier de betekenis van de p-waarde? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2004-2005 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Iets met koeien en het geven van melk. gemiddelde: 25 liter en standaardeviatie 10 liter. &lt;br /&gt;
**1750 liter op pallet vol te krijgen; Hoe groot is de kans dat 65 koeien zo&#039;n pallet kunnen vullen ? &lt;br /&gt;
**Een bedrijf dat een gemiddelde heeft van &amp;gt; 22 liter. Is succesvol. Hoe veel koeien moet eenbedrijf met 95 % zekerheid hebben om succesvol te zijn &lt;br /&gt;
*Y~ verkochte producten in millioen X ~ aantal mensen die in gebied wonen waar product verkocht worden. over 50 gebieden (ook in millioen) een tabel gegeven met t waarden Df estimates parameters t value standaardeviatie p-value interceptie alles gegeven slope alles behalve p-value gegeve &lt;br /&gt;
**bereken p-value slope &lt;br /&gt;
**teken de p waarde en t waarde voor slope en verduidelijk &lt;br /&gt;
**geef defentie p waarde &lt;br /&gt;
** bereken het aantal verkocte producten voor 10 000 000... &lt;br /&gt;
*Er is dus een tabel gegeven met hoogte, grootte van waargenomen gebied,volume, grootte eikel (logaritmisch) , hoog/laag ( als hoogte &amp;gt; 20 ), grote eikel/kleine eikel gegeven voor california en atlantica eiken... eik.xls Kan je zeggen dat de california bomen typisch laag zijn? &lt;br /&gt;
**Geef alle numerieke,formele,grafische, kenmerken van de variabele grootte in elke regio &lt;br /&gt;
**Zijn deze significant verschillend ? &lt;br /&gt;
**beoordele volgende stelling; grootte van gebied is gemiddeld 400 in Californië( i vierkante km²). Ahv betrouwbaarheidsinterval 95 % &lt;br /&gt;
**Bespreek de afhankelijkheid van grootte en volume in Californië &lt;br /&gt;
*Een koppel houdt een bescheiden huwelijksfeest met 25 uitgenodigde koppels. 8 daarvan komen zeker, 2 komen met een kans van 30%, en de rest met een kans van 80%. - wat is de kans dat iedereen komt? - de 2 koppels met een 30%-kans laten weten dat ze niet zullen komen. Hoeveel zitplaatsen moeten voorzien worden om met 90% zekerheid voldoende zitplaatsen te hebben? &lt;br /&gt;
*Een doos heeft een gewicht met een 99% betrouwbaarheidsinterval van 93,04; 96,96. Een andere doos heeft een gewicht met 99% betrouwbaarheid van 103,34; 106,66. Variantie is telkens 2,5. Wat is het gewicht van de samengevoegde dozen in een 95% betrouwbaarheidsinterval. Geef de verschillende tussenstappen. &lt;br /&gt;
*Een dataset ontbijtgranen met producenten, koolhydraten, calorieën, suikers, kwaliteitsscore, rek waarin ze geplaatst worden... &lt;br /&gt;
**is er een verband tussen de producent en het rek waarin de producten geplaatst worden? &lt;br /&gt;
**bevatten producten uit het middenste rek meer suikers dan uit het bovenste/onderste rek?&lt;br /&gt;
**producent wil nagaan of er een verband is tussen score en koolydraten/calorieën. Welke variabele, koolhydraten of calorieën, is het meest geschikt voor nader onderzoek? Wat is het verband? wat raad je de producent aan? vermeld steeds voorwaarden, hypothesetesten,... &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== 2005-2006 ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 &amp;lt;b/&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Excelbestandje: zie &#039;afhaalpagina&#039;. &lt;br /&gt;
**Is er een significant verschil in gewicht tussen ratten met genotype A en ratten met genotype B? &lt;br /&gt;
**Heeft het genotype van de moeder invloed op het genotype van de rat? &lt;br /&gt;
*Je buurman heeft een alarmsysteem dat afgaat bij 95% van de inbraken. Het is de afgelopen twee jaar echter ook 5 keer afgegaan zonder reden. De kans op inbraak in je buurt wordt geschat op 2 op 10000. Als het alarm van je buurman op een nacht afgaat, hoe groot is de kans dat het een echte inbraak betreft? &lt;br /&gt;
*Bij mannelijke en vrouwelijke muizen van twee soorten werd bij 100 exemplaren elk (voor een totaal van 400) onderzocht of ze een bepaalde ziekte hebben. Soort 1, V: p1, Soort 1, M: p2, Soort 2, V: p3, Soort 2, M: p4. p1 = 0,02, p2 = 0,03, p3 = 0, p4 = 0,01. &lt;br /&gt;
**Formuleer een nulhypothese en een alternatieve hypothese en zoek de bijhorende p-waarde om uit te zoeken of het aanvaardbaar is te stellen dat de mannetjes van soort 1 makkelijker besmet raken dan de vrouwtjes. &lt;br /&gt;
**Vind de p-waarde voor H0: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;gt;= 0 en H1: [(p1-p2)+(p3-p4)]/2 &amp;lt; 0 (vraag is niet 100% zeker juist) &lt;br /&gt;
*Bij het saneren van de grond moet men exact weten hoeveel plutonium er in de grond zit. Dit plutonium is echter moeilijk op te sporen als het gemengd is met andere stoffen. Daarom spoort men de alfa-stralen op die het plutonium uitzendt. Was het correct de kleinste-kwadratenmethode te gebruiken? Waren de voorwaarden om de kleinste-kwadratenmethode toe te passen voldaan? (Onder de tekst staat een afbeelding van een in een statistisch programma bekomen resultaat van een F-test en een t-test). &lt;br /&gt;
*Meerkeuzevraag: als men de steekproef vergroot bij een vast significantieniveau en een normale verdeling zal de nauwkeurigheid stijgen en de correlatiecoëfficiënt vergroten. Waarom? Vier mogelijkheden. &lt;br /&gt;
*In een diamantmijn schat men dat er per 500m^3 1 diamant zit, die kan verkocht worden aan 2,5 miljoen euro. De diamantmijn is 1000m^3 groot, en het kost 5000 euro per m^3 om ze te ontginnen. Hoe groot is de kans dat de totale winst minimum 2,5 miljoen euro zal zijn? &lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt; Reeks 2 &amp;lt;b/&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Excelbestandje, zie &#039;afhaalpagina&#039;. &lt;br /&gt;
**Test of de variabelen &#039;Prooi&#039; en &#039;Blootstelling&#039; onafhankelijk zijn. &lt;br /&gt;
**Is er een significante associatie tussen &#039;Levensduur&#039; en &#039;Zwangerschapsduur&#039;? Hoe zou je je beslissingsmethode grafisch ondersteunen? &lt;br /&gt;
**Is er een significant verschil in totale slaaptijd tussen dieren met prooi-index 1 en dieren met prooi-index 5? [Antwoorden: b) Jep, Pearson cc = 0,64 [Jep.] &lt;br /&gt;
*Bespreek een lineair regressiemodel dat het verband tussen &#039;Levensduur&#039; en &#039;Zwangerschapsduur&#039; weergeeft. Pas eventueel transformatie toe. Bespreek de uitvoer volledig, zowel de numerieke waarden als de nuttige grafieken&lt;br /&gt;
*Een bakker maakt deeg voor krentenbrood in volumes van 1m³. De krenten worden toegevoegd en bij het deeg gemengd tot ze lukraak en uniform verdeeld zijn in het deeg. Hoeveel krenten dient de bakker toe te voegen aan het totale volume zodat er zich per 10 cm³ met 95% zekerheid tenminste één krent bevindt? &lt;br /&gt;
*Een chemisch bedrijf heeft speciaal aandacht voor de onzuiverheidsgraad van de chemische producten die ze maken. Uit ervaring schatten ze dat 1 van de 100 chemische mengsels en te hoge onzuiverheidsgraad heeft. Om de kwaliteit van hun producten te verbeteren heeft het bedrijf geïnvesteerd in een nieuwe lasertechnologie om de onzuiverheidsgraad te meten. Maar de fabrikant waarschuwt dat voor 95% van de mengsels die voldoende zuiver zijn, de lasertechnologie zal aangeven dat het mengsel voldoende zuiver is. Maar tegelijk zal de technologie voor 2% van de te onzuivere mengsels aangeven dat het mengsel toch zuiver genoeg is. Wanneer de lasertechnologie aangeeft dat het mengsel voldoende zuiver is, wat is de kans dat het mengsel toch te onzuiver is? [Antwoord: 0,0213%]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=432</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=432"/>
		<updated>2024-01-16T11:56:24Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk de berekening van de roosterenergie met de Coulomb-interactie in tegenstelling tot de wet van Hess.&lt;br /&gt;
**Geef de formule en interpretatie&lt;br /&gt;
**Werk beide methoden uit een de hand van voorbeeld&lt;br /&gt;
**Als beide resultaten verschillen, leg dan uit hoe dit komt. Is je resultaat hetzelfde, wat in de berekening is dan doorslaggevend? &lt;br /&gt;
**Bereken het verschil in focus tussen beide&lt;br /&gt;
*Geef alle chemische eigenschappen (zuur, oxidans, ligand,...) voor kation en anion. Geef telkens een ander voorbeeld en geef ook aan of het sterk of zwak is in dit voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Cu(IO3)2 is beter oplosbaar na toevoeging van  NH3. Het complex Cu(NH3)4 2+ wordt gevormd. Bereken de nodige concentratie NH3 om 20,67g Cu(IO3)2 op te lossen. Het totale volume is 200 ml. &lt;br /&gt;
**Er ontstaat een neerslag van Cu(OH)2. Toon dit aan met behulp van van berekeningen. &lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van C2O4 2- bij 25°C aan de hand van thermodynamische gegevens. Vergelijk de uitkomst met die die je kan afleiden uit de tabellen van de zuurconstanten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=427</id>
		<title>Algemene natuurkunde II</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Algemene_natuurkunde_II&amp;diff=427"/>
		<updated>2024-01-15T18:05:21Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;b&amp;gt;Professor:&amp;lt;/b&amp;gt; Michael Wübbenhorst&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Wat?&amp;lt;/b&amp;gt; Hoorcollege, oefenzitting, practicum&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Studiepunten:&amp;lt;/b&amp;gt; 6&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenvorm:&amp;lt;/b&amp;gt; mondeling met schriftelijke voorbereiding, oefeningen zijn schriftelijk&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;b&amp;gt;Examenperiode:&amp;lt;/b&amp;gt; januari (sinds 2013-2014)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Deze prof heeft een uitgesproken Duits accent, zo kan hij een hele les praten over &#039;sinus tette&#039;. Deze prof doet zeer veel proefjes in zijn les, dat zijn natuurlijk de leukste momenten van de les, de rest van de les is nogal saai. Het is geen ramp om deze lessen te missen, alles is duidelijk uitgelegd in de cursus. (Het is trouwens een aanrader om gewoon uit de &#039;oude&#039; cursus te leren die op Toledo staat ipv Giancoli.) Op het examen is hij zeer vriendelijk, hij leest gewoon je voorbereiding en stelt hierbij bijvragen om na te kijken dat je de leerstof wel degelijk begrijpt en niet gewoon van buiten hebt geleerd. &amp;lt;/i&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2024 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari===&lt;br /&gt;
====Reeks 1 (15/01/2024)====&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Biot savart en vergelijk met Coulomb&lt;br /&gt;
**Toon B aan voor oneindige stroomvoerende draad met behulp van Biot savart&lt;br /&gt;
*Spectrum van zwarte straler adhv verschuivingswet van Wien en wet van Stefan-nog iets&lt;br /&gt;
**Vergelijk spectrum van zwarte straler met dat van een laser&lt;br /&gt;
**Relatie weerkaatsingscoëfficiënt en nog een coëfficiënt wat ik even vergeten ben voor verschillende materialen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Twee geleidende bolschillen concentrisxh opgesteld met R1 en R2 de stralen. Binnenste bol lading q, buitenste lading -q&lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil tussen de twee bollen&lt;br /&gt;
**Bereken capaciteit&lt;br /&gt;
*C, R en V0 gegeven. Op tijdstip t=0 vermindert de afstand tussen de condensator platen met 20%&lt;br /&gt;
**Wat is spanningsverschil op condensator voor (V1) en na (V2) de gebeurtenis. &lt;br /&gt;
**We wachten een lange tijd. Wat is dan het spanningsverschil (V3) op de condensator&lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip is het spanningsverschil op de weerstand gelijk aan het gemiddelde van V2 en V3&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
*Leg uit en geef de wet van Faraday en de wet van Lenz. Hoe werken transformatoren en geef ook voorbeelden. Hoe werkt een rem op basis van Foucaultstromen? &lt;br /&gt;
*Geef de polarisatietoestanden van EM-straling. Absorptie, breking en verstrooiing uitleggen. Waarom is de zon bij zonsondergang rood en is de hemel blauw? &lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde na lange tijd (ook P berekenen hier) en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. Hoeveel procent van het maximaal vermogen wordt er hier gebruikt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Zelfde examen dus als januari 2021. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2022 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
Het examen was exact hetzelfde als in januari. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*Bespreek de werking en kenmerken van een intrinsieke halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, ...). Leg ook de termen meerderheids- en minderheidsladingdragers uit. Hoe zijn deze halfgeleiders temperatuurafhankelijkheid (grafiek). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken. De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. Je mag aannemen dat de n van lucht exact gelijk is aan 1. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de wet van Faraday en de wet van Lenz. Foucaultstromen: hoe werkt een rem op basis van wervelstromen? &lt;br /&gt;
*Bespreek de mogelijke polarisaties van EM-straling. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er zijn 2 concentrische bolschillen met stralen R&amp;lt;sub&amp;gt;1&amp;lt;/sub&amp;gt; en R&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en ladingen q en -q. Wat is het potentiaalverschil tussen de bolschillen en wat is de capaciteit van de sferische condensator die gevormd werd. &lt;br /&gt;
*Er is een solenoïde (?) met een zelfinductie van 53mH en een weerstand van 0,35 Ohm die wordt aangesloten op een bron met spanning 12,0V. Bereken de energie opgewekt door de solenoïde (?) na lange tijd en de tijd wanneer de energie de helft was van de uiteindelijke energie opgewekt door het magneetveld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 == &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
Dit waren EXACT dezelfde vragen als een jaar geleden. Zelfs de datum had hij niet aangepast. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de beweging van een lading in een magnetisch veld. Leid een formule af voor de straal van de cirkel die de lading beschrijft. Leg de werking van een massaspectrometer en een cyclotron uit. &lt;br /&gt;
*Leg aan de hand van een fasordiagram de RCL-kring uit. Leid een formule af voor de stroom en de impedantie. Resonantiefrequentie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Condensator in water: gegeven: dipoolmoment water = 1,610*10^-30, massadichtheid 1 g/cm^3, diëlektrische constante water = 80. Stel dat de condensator zo opgeladen zou worden dat de dipolen in water zich oriënteren volgens het geïnduceerde elektrisch veld. Wat is de oppervlakteladingsdichtheid op de condensator? Stel dat de ladingsdichtheid 1/1000 is van de bekomen waarde, wat is dan de sterkte van het geïnduceerde elektrisch veld? &lt;br /&gt;
*Micaplaatje d.m.v. de proef van Young: micaplaatje is tussen de 6-7 *10^-6 meter dik en bedekt één van de twee spleten. Het gebruikte licht heeft een golflengte van 532nm en n = 1,582. Op het scherm is een centraal maximum te zien. Bepaal de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 17/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dikte van een micaplaatje d.m.v. de proef van Young &lt;br /&gt;
*Condensator in water &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 29/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg volgende begrippen uit: &lt;br /&gt;
**Magnetische moment (vb in solenoïde) en magnetisatie &lt;br /&gt;
**Ferromagnetisme &lt;br /&gt;
*Beschrijf het werkingsprincipe van een LASER, houd rekening met &lt;br /&gt;
**gestimuleerde en spontane emissie &lt;br /&gt;
**eigenschappen van laserlicht &lt;br /&gt;
**nergieniveau&#039;s en bijzonderheden bij lasermateriaal &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 20/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wet van Ampere met uitbreiding. &lt;br /&gt;
*RLC-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geleidende bol en bolschil. Lading en potentiaal op bol bepalen. &lt;br /&gt;
*Wit licht tussen bepaalde golflengtes, welke golflengtes gaan door een vierkant gat op het scherm? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 16/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Beweging van lading in magnetisch veld. Ook massaspectrometer en cyclotron uitleggen. &lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 voormiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL-kring &lt;br /&gt;
*beweging van lading &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Mica: De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? &lt;br /&gt;
**Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 11/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*RCL- kring &lt;br /&gt;
*Wet van Ampère &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*spleet, berekenen welke golflengtes er in het vierkant vallen (zie oudere examenvragen of bij chemica?) &lt;br /&gt;
*oude examenvraag &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 12/01 namiddag&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider (bandenmodel, temperatuurafhankelijkheid). Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Geef en verklaar de wet van Biot-Savart. Pas deze daarna toe op een oneindig lange, rechte stroomvoerende draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de binnenste bolschil heeft straal R1 en een lading q, de buitenste bolschil heeft straal R2 en een lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**Geef het potentiaalverschil tussen deze twee bolschillen &lt;br /&gt;
**Geef de capaciteit van deze zogenoemde &#039;sferische&#039; condensator. &lt;br /&gt;
*Natuurlijk licht met een golflengte van 600nm wordt loodrecht op een scherm geschenen. Beschouw twee evenwijdige lichtgolven die, in het begin, in fase zijn. Beide golven worden door een verschillend stuk glas gestuurd voor ze het scherm bereiken.De eerste straal wordt door een stuk gestuurd met l1 = 4.00µm en n1= 1.40. De tweede straal wordt door stuk gestuurd met l2 = 3.50µm en n2 = 1.60. Bereken nu het faseverschil in graden tussen beide golven als ze het scherm bereiken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2014 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de werking van een halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider. Leg uit wat de pn-junctie is. &lt;br /&gt;
*Bespreek de verschillende soorten polarisatie van em-golven (lineair, circulair, elliptisch), de manieren om te polariseren moet je niet uileggen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven: een tekening met twee bolschillen die concentrisch zijn opgesteld, de eerste bolschil heeft straal R1, de tweede bolschil heeft straal R2 (R2&amp;gt;R1). De dikte van de bolschillen is verwaarloosbaar. De binnenste bol heeft lading q, de buitenste bol lading -q. Gevraagd: &lt;br /&gt;
**geef E in functie van r, (met 0&amp;lt;r&amp;lt;oneindig) &lt;br /&gt;
**geef V in functie van r, de potentiaal is nul op oneindig &lt;br /&gt;
*Een solenoïde heeft een zelfinductie van 53 mH en een elektrische weertand van 0,35 Ohm. De bron heeft een potentiaal van 12,0 V. &lt;br /&gt;
**Bereken de stroom door de self wanneer we lang wachten. Welk vermogen moet de bron op dat moment nog leveren? &lt;br /&gt;
**Bereken hoe lang het duurt tot de magnetische energie de helft heeft van de maximum waarde (energie als t=oneindig). Welk vermogen moet de bron leveren op dat tijdstip? Hoe groot is het percentage van het magnetische vermogen t.o.v. het totale vermogen?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2 - 10/06 - &#039;s middags&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de wet van Biot Savart en pas dit toe op een oneindig lange stroomvoerende draad &lt;br /&gt;
*Wat is een virtueel beeld? Kan je dat vormen met een vlakken spiegel? Holle spiegel? Bolle spiegel? Welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Dieje kubus (zie oude examenvragen) &lt;br /&gt;
*Iets met een RLC kring met uitzonderlijke omstandigheden, R gegeven, wat is de capaciteit en de inductie in de kring. Uitzondelijke omstandighede dus da de ampitude van uw weerstand = amplitude zelfinductie = amplitude condensator = amplitude van de bron, en ge had ook een frequentie gegeven? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1 - 10/06 - &#039;s ochtends&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Magnetisatie &amp;amp; magnetische susceptibiliteit &lt;br /&gt;
*Methodes om te polariseren (verstrooiing, absorptie etc...) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven is een RC-kring met R=100 kOhm; C=9,40 µF; en V(bron)=15,0 V. Na lang wachten (de condensator eerst helemaal laten opladen) verminderen we de afstand tussen condensatorplaten met 20%, in verwaarloosbaar tijdsinterval. &lt;br /&gt;
**Bereken potentiaalverschil over de condensator vlak voor (V1) en vlak na die verandering (V2). &lt;br /&gt;
**Bereken het potentiaalverschil over de condensator op lange tijd na de verandering (V3). &lt;br /&gt;
**Op welk tijdstip na de verandering zal de spanning over de weerstand gelijk zijn aan het gemiddelde van V2 en V3? &lt;br /&gt;
*We weten van een micaplaatje dat het tussen de 6 en de 7 µm dik is. Om de dikte exact te bepalen gebruiken we de proef van Young, waarbij we het micaplaatje voor één van de spleten zetten (n=1,582). Er verschijnt een centraal maximum wanneer we golflengte 539 nm gebruiken. Wat is dus de precieze dikte van het micaplaatje? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om een dergelijk, dus virtueel, beeld van een reëel voorwerp te bekomen met een vlakke spiegel? Met een holle spiegel? Met een bolle spiegel? Onder welke omstandigheden? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen de platen tussen een condensator wordt helemaal opgevuld met zuiver water. Het dipoolmoment van een watermolecule is 6.10x10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt;Cm. Water heeft een dichtheid van 1.00g/cm³ en een molaire massa van 18g. De diëlektrische constante van water is 80. Het getal van Avogadro is 6.02x10&amp;lt;sup&amp;gt;23&amp;lt;/sup&amp;gt;. #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen zou kunnen worden dat alle elektrische dipolen perfect uitgelijnd zouden kunnen zijn met het elektrisch veld. Wat zou dan de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid aan het wateroppervlak zijn? #*Veronderstel dat de condensator zodanig opgeladen wordt, dat die geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid één duizendste bedraagt van de hierboven berekende waarde. Hoe groot is dan het elektrisch veld in de condensator? #In een RLC-serieketen met een sinusoïdale wisselspanningsbron blijkt bij een frequentie van 1.73kHz de amplitude van de spanning over de weerstand gelijk te zijn aan de amplitude van de spanning over de zelfinductie en gelijk aan de amplitude van de spanning over de condensator en bovendien gelijk aan de amplitude van de bronspanning. De weerstand in een kring is R=700Ω. Bepaal de zelfinductie en de capaciteit in de kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is magnetisatie en magnetische susceptibiliteit? #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RC-kring met gegeven bronspanning (15V), weerstand (100000Ω) en begincapaciteit (9 nF) van condensator. de condensator wordt volledig opgeladen en op een bepaald moment wordt de afstand tussen de platen van de condensator ineens met 20% verkort. #*Wat is de spanning over de condensator net voor en net na de verkorting? #*Wat is de spanning over de condensator na opnieuw lang wachten? #*Wanneer is de spanning over de weerstand de gemiddelde waarde tussen a (net na) en b (lang wachten)? #Een tweespletenexperiment waarvan 1 spleet wordt afgedekt met micaplaatje (met gegeven brekingsindex). Het micaplaatje is tussen 6 en 7µm dik. Voor een gegeven golflengte is er in het centrum van het waarnemingsscherm een intensiteitsmaximum. Bereken de exacte dikte van het micaplaatje. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de beweging van een geladen deeltje in een magneetveld. Leg bij wijze van voorbeeld de werking uit van een massaspectrometer en een een cyclotron. #Leg het begrip &#039;effectiefspanning&#039; uit en bereken deze grootheid voor een sinusoïdale wisselspanning. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een geleidende bol (straal R0 : 4.00cm is concentrisch omsloten door een volle geleidende bol (stralen R1 : 6.00cm en R2 : 7.00cm). Het geheel is elektrisch neutraal maar er is een zekere hoeveelheid lading van de bol overgezet op de bolschil. Als gevolg daarvan is er aan het oppervlak van de bol een elektrisch veld van 150kV/m naar het centrum van de bol gericht. #*Bereken de lading op de bol #*Bereken de elektrische potentiaal aan het oppervlak van de bol, met de conventie dat de potentiaal 0 wordt genomen op oneindige afstand van het centrum. #Wit licht met een golflengtebereik van 400-700 nm valt loodrecht in op een diffractierooster dat 200 lijnen met mm telt. Een waarnemingsscherm staat 30cm verder. In dat scherm wordt een vierkant gat gesneden met een zijde van 10 mm en met de dichtste zijde op 50 mm van het centrale maximum. De zijden van het vierkant zijn evenwijdig met de lijnen op het rooster. Welke golflengtes vallen door het gat? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;RLC-keten met wisselspanning uitleggen #Wat is het verschil tussen een zuivere halfgeleider en een gedopeerde halfgeleider? geef uitleg over de pn-junctie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een solenoïde met een L en een R die verbanden zijn aan een batterij. L, R en V waren gegeven en men vroeg de energie van de spoel op t= oneindig en vermogen dat de batterij moest leveren. #2 stralen door glas met 2 verschillende n, met uiteindelijk de vraag: wat is het faseverschil van de 2 stralen aan het scherm achter het doorlopen van het glas? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de verschillende polarisatietoestanden (niet de manieren om te polariseren maar zo lineair gepol. golf, circulair gepol. golf en eliptisch gepol. golf) #Hoe beweegt een deeltje zich in een magneetveld. (afleiding van de straal geven) toon dit verder aan adhv de werking van een massaspectrometer en een cyclotron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Formuleer en verduidelijk de wet van Biot-Savart. Gebruik de wet om het magneetveld te berekenen dat ontstaat in de buurt van een (oneindig) lange, rechte draad met een elektrische stroom. #Leg de LASER uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Geef de wet van Ampère + voorbeeld.. en geef ook de uitgebreide wet van Ampère en leg uit. #Hoe worden elektromagnetische oscillaties opgewekt in een LC-kring. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen de RC en de RL keten? (niet vergeten om ook de energie en energiedichtheid te geven) #De verschillende polarisatietoestanden geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Zaagtandspanning waarvan V&amp;lt;sub&amp;gt;eff&amp;lt;/sub&amp;gt; moet gegeven worden in de veronderstelling dat V&amp;lt;sub&amp;gt;0&amp;lt;/sub&amp;gt; gekend is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg uit was elektrische potentiaal is en illustreer met een paar voorbeelden. #Leg uit wat de wet van Biot-Savart betekent en gebruik deze wet om het magneetveld te berekenen op een punt van de symmetrieas van een cirkelvormige stroomlus &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een intervalschakelaar voor de ruitenwisser van een auto kan gebasseerd zijn op een RC-kring. In de gekentende schakeling wordt de spanning over de condensator gemeten en zodra deze groter is dan 9V wordt een hulpschakeling geactiveerd die de ruitenwisser doet bewegen. Tevens wordt dan op zeer korte tijd de condensator ontladen. De gebruikte condensator heeft een capaciteit van 4.7 microfarat. Met een knop op het dashbord kan de bestuurder de weerstand veranderen. Tussen welke waarden moet R kunnen instellen omdat de tussen de 2 opeenvolgende bewegingen van de ruitenwisser zo kunnen ingesteld worden tussen de 1 en 10 seconden. De bronspanning bedraagt 12V. #Een solenoïde heeft een diameter van 2cm, 20 cm lang en 100 windingen. Coaxiaal daarme en in het midden is er een spoeltje opgesteld van 1 enkele winding met een diameter van 1.5 cm. Dit spoeltje is verbonden aan een weerstand van 33 ohm. De stroom Is door de grote solenoïde is tijdsafhankelijk en wordt gegeven in de figuur. Bereken en schets de structuur van de stroom in het 2e spoeltje als functie van de tijd. De stroom stijgt lineair van 0 tot 30A in 0.3 s en daalt dan weer lineair van 30 naar 0A in de daaropvolgende 0.3s. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek wet Biot-Savart en gebruik om magneetveld rond oneindig lange draad met stroom af te leiden. #Leg uit wat een virtueel beeld is. Is het mogelijk om dit van een reëel voorwerp te bekomen bij een vlakke/holle/bolle spiegel. Onder welke omstandigheden? (hier vroeg hij bij het mondelinge deel een bewijs waarom de gereflecteerde stralen achter de spiegel in een punt (virueelbeeld) samen komen ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De ruimte tussen een condensator is helemaal gevuld met water. Water heeft een dipoolmoment 6.10*10&amp;lt;sup&amp;gt;-30&amp;lt;/sup&amp;gt; Cm. De molaire massa van water is 18. De dichtheid is 1g/cm&amp;lt;sup&amp;gt;3&amp;lt;/sup&amp;gt;. Water heeft een dielektrische constante van 80. #*bepaal de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid wanneeer alle dipolen zich volgens E uitlijnen. #*stel dat de geïnduceerde oppervlakteladingsdichtheid 1/1000 is van die hierboven, wat is dan het elektrisch veld? #In een RLCkring is de frequentie 1.73kHz. De amplitude van de spanning over de weerstand, de amplitude van de spanning over de condensator, de amplitude van de inductie en de amplitude van de bronspanning zijn allen gelijk. R = 700 ohm. Bepaal L en C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wat is het verschil tussen halfgeleiders en gedopeerde halfgeleiders? Bespreek de pn-junctie. #Bespreek de RLC-keten. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een spoel (L = 53mH) met een weerstand van 0,35 Ohm staat in een keten met een batterij die een spanning aanlegt van 12,0V. #*Wat is de opgeslagen energie in de spoel als we t zeer groot nemen? #*Wat is het vermogen dat de batterij dan moet leveren? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek hoe oppervlaktelading ontstaat in een diëlektricum. Leg uit wat elektrische polarisatie is en geef de relasie hier tussen #Bespreek enkele methoden van polarisatie (van licht) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen (ongeveer)&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Aarde is een geladen bol met daarrond een tweede anders geladen bol (ionosfeer). Elektrisch veld naar de aarde is 100. Straal aarde is 6400km en afstand tot ionosfeer 100km. #*bereken de netto lading die Belgie heeft (oppervlakte 30.500km³ ofzoiets) #*bereken de potentiaal op het oppervlak. Je mag de potentiaal op oneindig gelijk aan 0 stellen. #Twee gevallen. #*Een oneindig lange draad met in het midden een lus in die parallel aan de draad lag. Bereken de grootte, richting en zin van het magnetische veld in het centrum van de lus. #*hetzelfde, maar dan die lus loodrecht op de draad (het was dus dezelfde draad maar dan zo wa gek gedraaid) theoretisch oplossen (veronderstel I en staal R zijn gekent) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de wet van Ampere uit en de uitgebreide wet van Ampere. #Bespreek de Proef van Young . &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee niet geleidende platen met oneindig groot oppervlak staan loodrecht op elkaar (maken een kruis) en dragen een lading van -3 C/m2. Bereken het veld in punt A en B en duid aan hoe deze gericht is. Bereken ook hoe groot het potentiaalverschil is en welk punt op het grootste potentiaal zit. #Iets met een stroom in de tijd meten en een draad die steeds korter wordt ofzoiet. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek de polarisatie van een diëlektricum.( ongeveer de zelfde vraag als ik in 1zit had) #Leg uit wederzijdse inductie en zelf inductie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er is een homogeen E veld (omgekeert aan x’as )en een proton met begegin snelheid v°(geg) vertekt in A en gaat naar B (ABC ligen op de X’as) hier is v=o . je kent de massa. En q en de afstant van AB en AC is geg. Geef het potentiaal verschiel tussen A en B en waar is het het hoogst. Geef E. Geef de snelhied als het proton weer in A is en als het in C is. #Je krijgt N d van een spoel. Veff wisselspanning en een toerental=1500van de spoel. Een spoel kan roteren op een verticale as die in de spoel prikt. Deze draait onder invloed van het aard magnetisch veld. Wat kun je met deze gegevens zegen over B horizontaal en B vertikaal van de aarde.(van de stroom weet je niks. Hoe ze vloeit) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek het verschil tussen een capaciteit en een zelfinductie bij wisselstroom #leg uit wat diffractie is en hoe optische resolutie hierdoor beperkt wordt &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;moeilijke over een kring zoals in de cursus vlak voor de wet van faraday met een staaf die met een constante snelheid voortbeweegt en die aan geleidende buizen vasthangt met een niet-homogeen magneetveld en dan moest ge de stroom door de kring berekenen #makkelijke oef over polarisatie: #*ge hebt gepolariseerd licht en ge wilt da draaien over 90°. Hoeveel polarisatoren heb je minstens nodig #*zelfde als vraag a maar je moet 60% intensiteit behouden #*zelfde als b maar je moet rekening houden met 1% absorbtie bij elke polarisator &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe dopering leidt tot een betere geleidbaarheid. En de pn-junctie uitleggen. #Wat is zelfinductie en wederkerige inductie en geef voor elke vorm een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;De eerste oefening ging over een RLC-keten en de tweede over een lus in de vorm van een halve maan waar een stroom door vloeit en waarbij het magnetisch veld gevraagd werd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Elektrische polarisatie + invloed van dielektricum op condensator #methodes van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 5&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische polarisatie en invloed van diëlektricum op cond #TOESTANDEN (niet methodes) van polarisatie &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 6&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;kompasnaald is 20° naar oosten georienteerd volgens het aardmagneetveld van 0,5e(-4) Tesla. Uw kompas staat in de Oorsprong van uw assenstelsel. Op 12 cm ten westen van uw kompasnaald staat een loodrechte geleider. Deze voert een stroom en uw kompasnaald gaat 55° naar het oosten staan: welke stroom voert deze geleider? #laten zien dat er totale inwendige reflectie is in een prisma &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Hoofdvragen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het begrip elektrische susceptibiliteit uit. #Geef enkele manieren om gepolariseerd licht te bekomen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee kabels zijn evenwijdig gespannen op een hoogte van 30m, met een afstand van 3 m tussen de kabels. Er stroomt een wisselspanning door met een Veff van 20 kV. Het vermogen is ??? MW. Bereken het magneetveld in het punt P op de grond in het midden van de kabels. #Je hebt een zender aan de ene oever van het meer op 70 m die golven uitzend naar een ontvanger op hoogte x aan de andere kant van het meer. Het meer is 1 km lang. Welke minimale x heb je bij een maximum. (Hoe rekening met de weerkaatsing van de golven op het opp en vierkantswortel (1+e) = 1+E/2) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;elektrische potentiaal rond een puntlading #bespreek ferromagnetisme. #een oefening die we in de oefenzitting hadden gemaakt en een andere die op zich ni zo moeilijk was maar wel de tekening die je erbij moest geven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;intensiteitsverdeling van euh een youngexperiment en een me 3 openingen. met fasoren doen. #laser &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Twee masten staan op een lengte L van elkaar. Beide zijn 75 meter hoog, Eén fungeert als zender en de ander als ontvanger. Er wordt uitgezonden met een freq van 113MHz. De straal kan rechtstreeks van zender naar ontvanger en een andere manier is via weerkaatsing tegen de grond. Het is dan mogelijk dat in de ontvanger destructieve interferentie optreedt. Vraag: wat is de maximale (maar eindige) lengte L tussen de masten waarbij destructieve interferentie optreedt. Neem aan dat dat de brekingsindex van de grond significant verschilt van die van lucht. (Denk dus, denk ik, aan fasedraaiing) Mijn antwoord: rond 4300 meter #Gegeven 2 lenzen, 1 convergerende met onbekende brandpuntsafstand en 1 divergerende met een bekende brandpuntsafstand (getal weet ik niet meer). De stralen afkomstig van de zon (dus v=oneindig) komen terecht op een gegeven punt. (getal weet ik niet meer). Neem aan dat de lenzen elkaar raken. #*bereken de brandpuntsfstand van de convergerende lens (mijn antwoord: 1/f=1/f1+1/f2) #*De lenzen worden nu 5 cm uit elkaar geschoven. Bereken opnieuw de plaats van het beeld. (mijn antwoord: eerst beeld voor 1e berekenen en vervolgens dit als voorwerp laten dienen bij de tweede) (Maakt het uit of eerst de convergerende of eerst de divergerende wordt getroffen?) (Nee, denk ik want stralengang is omkeerbaar) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Wederzijdse inductiecoëfficiënt, wat is dat? Pas toe op 2 coaxiale solenoïden. #Leg uit hoe je aan magnetisch krachtmoment komt a.d.h.v. een rechthoekige stroomlus in een magnetisch veld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg de emk uit van een bewegende geleider. Leg aan de hand hiervan ook de wet van Faraday en de wet van Lenz uit. #Leg de RLC-serieketen uit met een wisselspanningsbron. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Er vertrekt een bundel elektronen vanuit de oorsprong van een 3D assenstelsel in de y-richting met snelheid v(0)= 6x10(tot de 7e). Er is een magnetisch veld dat volgens de z-as ligt en dat gelijk is aan 6 microTesla.(kan zijn dat deze waarde fout is) Op een afstand van y(0) = 40 centimeter , ligt een vlak dat evenwijdig is met het XZvlak. ((e= 1.6x10(tot de -19e)Coulomb en m(elektron)= 1.611x10(tot de -31e) kilogram. #*Waar ligt dan het centrum van de baan van de bundel? #*Welke hoek maakt deze baan als het op het vlak terecht komt? #*Bepaal de coördinaten van waar ze terecht komen op het vlak. #Stel dat een lading q op afstand x(0) van een rechte , niet-geleidende homogeen geladen staaf ligt. De heeft een lengte van 0 tot oneindig Bepaal de kracht die deze staaf dan op deze lading. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bereken het electrisch veld van een lange dunne draad met homogene ladingsdichtheid. Zowel zonder als met de stelling van Gauss #Bespreek paramagnetisme en diamagnetsime #wat is polarisatie en bespreek de invloed op de capaciteit van een condensator. #wat is de wederzijdse inductiecoëfficiënt? Leid deze af voor 2 solenoïdes. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;wat is de spanning over iedere condensator in volgend schema, als: #*schakelaar B geopend wordt en daarna schakelaar A gesloten (daarmee wordt de spanningsbron aangeschakeld) #*vervolgens A geopend wordt en B gesloten? (daarmee wordt de spanningsbron afgeschakeld en een extra condensator parallel gezet over een andere. #*alle condensatoren worden eerst ontladen, vervolgens wordt B gesloten en dan wordt A gesloten. Wat is de spanning over iedere condensator. bij deze oef. heb je enkel symbolisch V en je weet dat C1=C2=C3=C4=C Dus volledig symbolisch uit te werken! #Bereken de magnetische flux door volgend plaatje (hoogte b, breedte a) op een afstand c van een draad waardoor een stroom I= ... (geg.) loopt. Het plaatje staat volledig evenwijdig met de draad en in het vlak van de draad. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Hoe hangt beeldvorming af van brekingsindex. gebruik deze afleiding om de Lenzenformule van Newton te bepalen. #Interferometer van Michelson en Holografie uitleggen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;geef de intensiteitsverdeling bij diffractie aan 1 opening #bespreek transmissie en refractie bij overgang van optisch ijl naar optisch dicht &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Door een ruit kijken die 8mm dik is. erachter staat een voorwerp. wordt da door de waarnemer dichter bij of verder weg gezien. en zo ja, hoeveel is dan het verschil (afstand waarnemer-beeld en afstand waarnemer voorwerp) #de scheidingshoek berekenen tussen de eerste en tweede orde maximum van een diffractierooster en ik had nog zo op de laser gehoopt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Leg het energietransport van em-golven uit? #Leg uit wat het f-getal is? Leg ook uit hoe een vergrootglas werkt? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Een berg die op grote afstand staat wordt door een convergerende lens bekeken. Deze lens geeft een beeldafstand van 38cm voor de berg. #*Bepaal de brandpuntsafstand? Kan er een virtueel beeld gevormd worden? Kan er een reëel beeld gevormd worden? #*Als we nu voor de lens een dennenappel leggen met een voorwerpsafstand van 75cm, wat is dan de positie en de aard van het beeld van de dennenappel? #Een interfentieproef waarbij ge met behulp van de breedte tussen de puntbronnen en het faseverschil, de maximale intensiteit op een scherm moet gaan berekenen. Dus onder welke hoek een maximale intensiteit optreedt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Juni ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;Bespreek polarisatie(niet de methoden van polarisatie). [Dus vlakke polarisatie, circulaire en elliptische] #Leg uit hoe een LASER werkt. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;ivm golflengte en 1 ivm lenzen (en met dioptrie)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== September ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;nowiki&amp;gt;#&amp;lt;/nowiki&amp;gt;bespreek zelfinductie en wederkerige inductie. Van welke parameters hangen ze af? Toon aan aan de hand van 1 resp 2 spoel(en). Toon aan dat de stijging/daling van de stroom een tijdsconstante heeft. #bespreek 4 verschillende manieren om van ongepolariseerd licht gepolariseerd licht te krijgen. Een straal valt in op een prisma, parallel aan de prismahoek : bespreek hoe het licht uit het prisma komt. #oefening gelijkend op oef. 5 van werkzitting 2 #10 kleine vraagjes over impedantie, radio&#039;s, zonnebrillen, antennes en zo voort&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=426</id>
		<title>Grondslagen van de chemie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://wiki.atlasleuven.be/index.php?title=Grondslagen_van_de_chemie&amp;diff=426"/>
		<updated>2024-01-14T16:36:37Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Evy: /* Augustus */&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | title   = Vakinfo&lt;br /&gt;
 | headerstyle = background:lightgrey&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header1 = Lessen en examens&lt;br /&gt;
 |  label2 = Docent |   data2 = Koen Clays&lt;br /&gt;
 |  label3 = Lesvorm |   data3 = Hoorcollege, Oefenzittingen en practica (verplicht)&lt;br /&gt;
 |  label4 = Examenvorm |   data4 = Schriftelijk&lt;br /&gt;
 |  label8 = Hulpmiddelen |   data8 = Rekenmachine, Book of Data&lt;br /&gt;
 |  label9 = Brossen? |   data9 = Best niet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
 | header5 = Achtergrond&lt;br /&gt;
 |  label6 = Studiepunten |   data6 = 9&lt;br /&gt;
 |  label7 = Wanneer? |   data7 = 1e bach, 1e sem&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit vak wordt gegeven door prof &amp;lt;b&amp;gt;Koen Clays&amp;lt;/b&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De leerstof is geen eitje, velen vinden het wel iets meer dan enkel de ‘grondslagen’. Goed opletten tijdens de hoorcolleges is aan te raden, zeker als hij het heeft over verbanden, die hij erg belangrijk vindt (dit zijn vaak examenvragen) en her en der opduiken. De cursus begint erg basis met atoommodellen en gaat dan over in de evenwichtsreacties. Het periodiek systeem is een van Clays’ stokpaardjes. Zie dus steeds naar het verband met het periodiek systeem. Naar het einde toe komen de verbanden van alle delen. Dit is het belangrijkste van allemaal. Het is zo’n cursus waar op het laatste alles samenkomt en alle puzzelstukjes in mekaar passen. Sla daarom de laatste bladzijden tijdens het studeren niet zomaar over. Het discussieforum op Toledo wordt goed opgevolgd en veel gebruikt. Zeer handig dus. Nog handiger zijn de voorbeeldexamenvragen die hij zelf op toledo heeft gezet. Je hoeft niet veel geluk te hebben om zo een voorbeeldexamenvraag op je examen voorgeschoteld te krijgen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Bij dit vak horen ook oefenzittingen, zeker aan te raden om naartoe te gaan. Hier wordt de theorie in concrete vraagstukken voorgelegd en opgelost. Maak van deze oefenzittingen ook gebruik om je ‘Book of data’ goed te leren kennen. Er staat een schat aan informatie in die zeer nuttig kan zijn op het examen.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;Er is ook een practicumgedeelte. Labo dus. Compleet in chemische outfit: witte jas en bril, kan je gaan titreren, calorimetreren, pipeteren wat je maar wil, al is dit eigenlijk maar bijzaak in het labo. Als je de blauwe vloeistof krijgt die je moest hebben is dat allemaal fijn en wel (bij bepaalde weddenschappen kan het een mooi kleureffect geven), maar als je niet weet hoe dat nu komt, heb je er weinig aan . Berekeningen en redeneringen hebben hier voorrang op knal- en rookwerk. Denk daaraan bij uitgebreide proeven waar je minder tijd hebt. Bereid je practicum dus altijd voor, want daar er geen practicumexamen meer is, tellen de in te leveren laboverslagen mee voor het examen. Het examen bestaat uit:&amp;lt;br&amp;gt; * De laboverslagen die na elk practicum moeten ingeleverd worden, waar je samen mag aan werken, maar je krijgt ook enkele oefeningen die individueel op te lossen zijn.&amp;lt;br&amp;gt; * Een theoretisch examen in de examenperiode met 2 schriftelijke oefeningen, analoog aan deze in de oefenzittingen en 1 theorievraag, mondeling met schriftelijke voorbereiding.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;i&amp;gt;De prof is tijdens zijn examens één en al charme en vrolijkheid. Hij noemt het zelf dan ook graag een ‘gezellige babbel’ maar hier komt echter het geniepige kantje van Clays boven. Een goed gevoel na je examen betekent namelijk niet dat je goede punten hebt, dat durft wel eens misleidend zijn. Waar Clays ook een absolute hekel aan heeft is als je iets gewoon vanbuiten hebt geleerd. Als hij je daarop betrapt op het examen is hij genadeloos. Hij heeft liever dat je het geheel begrijp en zegt dat je dat tabelletje niet hebt geleerd in de cursus en het waarschijnlijk wel ergens in hetBook of Data zal staan i.p.v. dat je er niks van begrijpt maar wel de atoomradii van pak 10 atomen kan opschrijven. Hij heeft ook de neiging om dingen die je niet hebt gezegd of een beetje fout waren na je examen uit te leggen. Dit is niet noodzakelijk negatief. Lief lachen en begrijpend knikken is de boodschap. Voor de vrouwelijke geologen: een rokje en een stralende glimlach kunnen in je voordeel spelen mits je de leerstof natuurlijk wel een beetje kent.&amp;lt;/i&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Samenvattingen vind je [[http://geos.scientica.be/wiki/index.php/Categorie:Samenvattingen hier]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2023 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*geef voor welke reactie we een katalysator gebruiken en voor welke we quenchen, geef de afleiding en de grafieken. Geef ook een voorbeeld van een reactie &lt;br /&gt;
*Geef de halfreacties, de totale reactie van de loodaccu, geef de toestandfuncties en welke rol de stoffen hebben &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de molaire oplosbaarheid van PbI2 in zuiver water &lt;br /&gt;
**welke concentratie KCl nodig om 69,15g PbI2 volledig op te lossen waarbij het complex PbCl4(2-)gevormd wordt? &lt;br /&gt;
**toon aan dat er geen neerslag gevormd wordt van PbCl2 &lt;br /&gt;
*geeft de lewisformule, atoomschikking, hybridisatie en geometrie van SO3 2- , is dit molecule polair of apolair? Waarom? &lt;br /&gt;
**bepaal de pH van een 0,40M Na2SO3 oplossing &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om de snelheid van een reactie te verhogen? Verschuift hierbij het evenwicht? Staaf je antwoord telkens met een formule of tekening. (6 punten) &lt;br /&gt;
*Wat is de invloed van complexatie op de redoxeigenschappen van een metaal? &lt;br /&gt;
**Verduidelijk je antwoord met een voorbeeld. &lt;br /&gt;
**Waarom maakt de natuur gebruik van Fe3+ ? (bijvoorbeeld bij de ademhaling) (4 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke concentratie HCN is er nodig om 3,37g Fe(OH)2 op te lossen in 250ml water? (3,5 punten) &lt;br /&gt;
*Vanaf welke temperatuur is volgende reactie aflopend: N2 + O2 --&amp;gt; 2NO (2,5 punten) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Vergelijk aan de hand van voorbeelden van een chemische reactie de thermodynamica en de kinetica van een metathese reactie en een liganduitwisselingsreactie. &lt;br /&gt;
*Welke functies kan chloride hebben? Is het sterk of zwak in deze functie? Geef een voorbeeld van een reactie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
*Ni ionen vormen het complex met NH3. Toon ook aan dat er een nikkel hydroxide neerslag gevormd wordt. &lt;br /&gt;
*een stof reageert in overvloed van H2O tot een andere stof ... . In de tabel is de verandering in concentratie van de gevormde stof weergegeven in functie van de tijd. Bepaal grafisch de orde van de reactie van stof 1, de snelheidsconstante en de halfwaardetijd&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2021 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef een overzicht van alle soorten k&#039;s die aan bod gekomen zijn in deze cursus. Geef waar relevant voor elk van deze k&#039;s een voorbeeld waarvoor je een reactievergelijking uitschrijft en waarbij je de k aanduidt en eventueel de specifieke reactieomstandigheid. &lt;br /&gt;
**Werk voor 1 voorbeeld (uit vraag 1a) uit hoe je de k experimenteel kan bepalen.&lt;br /&gt;
**Geef ook een eventueel verband tussen k (algemeen) en K (ook algemeen) en licht kort toe. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Vergelijk de ionen van Fe en Co in hun mogelijkheden tot complexatie en verklaar waarom de ademhalingsketen in de natuurlijke evolutie uitgekomen is op een systeem dat gebruik maakt van Fe (zoals bv. in hemoglobine). (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de Kb van MnO4(2-) aan de hand van onderstaande gegevens: HMnO4(-)/MnO2 E°=2,09V ; MnO4(2-)/MnO2 E°=0,60V . Welke twee andere koppels had je hiervoor ook kunnen nemen? (3,5 punten)&lt;br /&gt;
*Een blokje ijs van 0,0°C en 24,5 g wordt in een beker met 170 g water gebracht. Na een tijdje is het ijs gesmolten en heeft al het water in de beker een temperatuur van 12,0°C. Bereken de begintemperatuur van het water in de beker, in de veronderstelling dat er geen warmteverlies naar de omgeving optreedt. (2,5 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek alle K&#039;s die voorkomen in de cursus. Geef voor elke K een reactievergelijking typisch voor die K en geef de grootte-orde waarin deze K zich bevindt in het algemeen. bereken van een van de gekozen K&#039;s de waarde en geef het verband tussen K en k (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water zonder toegevoegd NaCl, na toegevoeging van NaCl en na toevoeging van verzadigde NaCl (pekel) (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*bewijs dat er door complex vorming geen neerslag zal gevormd worden&lt;br /&gt;
*bereken de pH van een buffer, de pH van de zelfde buffer bij toevoeging van een base, hoeveel mol base moet je toevoegen zodat de buffer zijn bufferende werking verliest&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Vergelijk homogene, heterogene en enzymatische katalyse. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen. (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek chroomzuur, piranhazuur, koningswater en (nog iets). Wat zijn de relevante (half)reacties? Wat is de rol van de reagentia? Nog relevante opmerkingen (voordeel, nadeel, specifiek milieu, ...) (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van het zilveraminecomplex gevormd uit zilverbromide en een NH3-oplossing van 0,53 M.&lt;br /&gt;
*Is de volgende reactie aflopend bij 68 °C? Toon aan met berekeningen. 2 H2O + 2 SO2 &amp;lt;--&amp;gt; 2 H2S + 3 O2&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2020 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke rollen kan water vervullen in de chemie? Is het dan zwak of sterk in deze rollen? (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek het verband tussen complexatiereacties en elektrontransferreacties. Leg uit met een goed gekozen voorbeeld. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Er wordt een mengsel gemaakt met 50ml van een 0.050M AgNO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing en 150ml van een 0.090M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. Wordt er een neerslag gevormd? (3 punten)&lt;br /&gt;
*Gegeven een tabel met verschillende snelheidsconstantes (k) van een reactie bij verschillende temperaturen. &lt;br /&gt;
**Bepaal grafisch de activeringsenergie.&lt;br /&gt;
**Bereken de snelheidsconstante bij 37°C.&lt;br /&gt;
**Kan je op basis van de gegevens iets zeggen over de orde van de reactie? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2019 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goedgekozen voorbeelden het belang van ladingsdichtheid in de scheikunde aan. (6 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de thermodynamica van de autoprotolyse van water a.d.h.v. de waarden voor de Kw in tabel 6.9 (p.125) in het BOD. (4 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2018 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bekijk reacties nr. 1 in deel 6.2 van het BOD. Wat kan je besluiten uit die 4 reacties? (4 punten)&lt;br /&gt;
*Bespreek de drijfveren achter de vorming van complexen aan de hand van goed gekozen voorbeelden. Doe dit in termen van de factoren die de stabiliteitsconstante beïnvloeden. (6 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van PbSO4 in een 0,00260M H2SO4-oplossing. (3 punten)&lt;br /&gt;
*Je legt een blokje ijs (0,0°C) met massa 56,0 g in 150 g water. De eindtemperatuur van het systeem is 14,0°C. Als je veronderstelt dat er geen warmte-uitwisseling naar de omgeving optreedt, wat was dan de begintemperatuur van het water? (3 punten)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2017 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de temperatuursafhankelijkheid van de snelheidsconstante en de evenwichtsconstante. (Zowel met formule als grafisch)&lt;br /&gt;
*Bespreek de winning van metallisch Mg. Waar komt het vandaan, hoe wordt het afgezonderd, kostprijs...)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Men gebruikt HCN om een Fe(OH)2 neerslag op te lossen. Wat is de concentratie HCN die er nodig is om 3.37g Fe(OH)2 op de lossen in een beker met 250 mL water.&lt;br /&gt;
*(Al/Al3+ (?) //Ni2+ (0.1M)/Ni) Het gemeten celpotentiaal is 1.47V. Wat is de concentratie van Al3+ ?&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2016 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties.&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Berekend de dissociatieconstante van een reactie, van het complex (HgCN)- (iets in die aard) en vergelijk dit met Kst=2.1*10^22 #Is SO2 een polair molecule? licht toe. Geef een ander molecule met dezelfde indeling maar met een verschillende hybridisatie.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2015 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de natuurlijke afbraak van ozon. Hoe breekt ozon af in de stratosfeer en troposfeer?&lt;br /&gt;
*Vraag over dipoolmomenten, veel voorbeelden geven.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefening&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gaat volgende reactie spontaan op?&lt;br /&gt;
*Bereken of er een neerslag vormt.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2013 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de elektronen(orbitaal)structuur van N en O in N2 en O2.&lt;br /&gt;
*Welke chemische functies heeft water, geef een duidelijk voorbeeld van een reactievergelijking. Is het dan sterk of zwak in deze functie, argumenteer.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bewijs dat er naast een complex ook neerslag gevormd wordt als we 80ml NH3 van 0.625M en 20ml NiSO4 van 0.01M? samenvoegen. complex Ni(NH3)2+ , neerslag Ni(OH)2&lt;br /&gt;
*Bepaal grafisch de orde van de reactie (N2O5 --&amp;gt; 2NO + 2O2), bepaal ook grafisch de waarde van de halfwaardetijd en de reactieconstante(k) (tabel met concentraties van NO en tijden gegeven)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2012 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek en vergelijk de thermodynamica en kinetica van de metathesereacties met deze van de liganduitwisselingsreacties. &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektrolyse van water wanneer we: &lt;br /&gt;
**Geen zouten toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een weinig zout toevoegen; &lt;br /&gt;
**Een verzadigde oplossing van zeezout hebben.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Toon met enkele goed gekozen voorbeelden het belang aan van de ladingsdichtheid in de scheikunde. &lt;br /&gt;
*Welke reacties zijn gebaat bij de toepassing van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van zilverbromide in een 0,530M ammoniakoplossing. Het complex Ag(NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;)&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; wordt gevormd. &lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van de volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking of zeg of het polair of apolair is (+uitleg)): &lt;br /&gt;
**PCl&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;; &lt;br /&gt;
**SF&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Welke verbindingen zijn zelf niet zuur of basisch, maar vertonen wel zure of basische eigenschappen als ze in water gebracht worden? &lt;br /&gt;
*Hoe verklaar je de werking van een &amp;quot;hoogrendements&amp;quot; brander voor een centrale verwarming? Welke aanpassingen dienen er te gebeuren in vergelijking met een klassieke brander? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef de lewisstructuur, type hybridisatie van het centrale atoom en geometrie van volgende moleculen (Teken ook de atoomschikking en zeg of het molecule polair of apolair is (+uitleg) ): &lt;br /&gt;
**HCN; &lt;br /&gt;
**PBr&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van BaC&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt; in aanwezigheid van een 0,0450M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;C&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;–oplossing&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2011 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Geef aan welke soort reacties in aanmerking komen als katalysator bij redox reacties. &lt;br /&gt;
*Wat is niet zuur of basisch maar reageert wel zuur of basisch in water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Etheen + water --&amp;gt; ethanol #Bereken de grens waarop de reactie spontaan loopt. En zeg of dit dan onder of boven de grens spontaan is. Bereken ook de evenwichtsconstante bij 40°C. &lt;br /&gt;
*Bij een reactie van Ni met NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; wordt er een complex gevormd (zie practicum tabellen). Bewijs dat er na het complexvorming nog neerslag gevormd wordt ( NiOH). Gegeven: 50 ml Ni&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; van 0.040M en 50ml NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; van 1.0M. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat hebben we allemaal gezien dat gebeurt in water als solvent? En stoffen dat niet in water kunnen oplossen, hoe kunnen we dat toch laten gebeuren? &lt;br /&gt;
*Welke reacties komen er aan te pas bij quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Kan je via de thermodynamische omstandigheden de K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; berekenen bij een temperatuur van 25°C? &lt;br /&gt;
*Geeft de lewisnotatie, type hybridisatie, SG, ... van #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt;; #*NO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de dissociatie van een biprotisch zuur en geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Welke reacties hebben baat bij het principe van quenching? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Gegeven een zuur HA met een concentratie van 9.4*10&amp;lt;sup&amp;gt;-4&amp;lt;/sup&amp;gt;M. In oplossing is 7.2*10&amp;lt;sup&amp;gt;-3&amp;lt;/sup&amp;gt; van dit zuur gedeprotoneerd. Wat is de pH van zo&#039;n oplossing en wat is de pKa van de reactie? &lt;br /&gt;
*Bepaal de evenwichtsconstante van volgende reactie: Cr&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;7&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; + 3H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 8H&amp;lt;sup&amp;gt;+&amp;lt;/sup&amp;gt; &amp;lt;----&amp;gt; 2Cr+ + 3S + 7H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2010 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bespreek de oplosbaarheid van metalen in zuur en basisch milieu. (/6) &lt;br /&gt;
*Bespreek &amp;quot;quenching&amp;quot; en voor welke reacties is dit toepasbaar? (/4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bepaal de oplosbaarheid van AgBr in een ?? molaire NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing (complexvorming !!). &lt;br /&gt;
*Reactie: F&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; / O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; -&amp;gt; 2HF. Gaat deze reactie op bij 500°K? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Leg het gemeenschappelijk ion effect uit. Vergelijk het gemeenschappelijk ion afkomstig uit een goed oplosbaar zout met dit uit een moeilijk oplosbare verbinding. &lt;br /&gt;
*Leid de twee reductiehalfreacties af voor de werking van een zwavelzure loodaccu. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; van SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens en vergelijk met de waarde afleidbaar uit tabelle met zuurconstante. #Vast cyclohexaan massa 70g, temperatuur 279,6K, toegevoegd aan 300g vloeibaar cyclohexaan met temperatuur van 313,45K. Wat is de finale temperatuur als er geen warmteverlies is aan de omgeving en het geheel volledig vloeibaar is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2009 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat bepaalt de ruimtelijke structuur van covalent gebonden atomen? Geef drie belangrijke voorbeelden (sterisch getal en voorbeelden terug te vinden in BOD). &lt;br /&gt;
*Geef een verklaring voor de vaststelling dat zouten vaak vaste stoffen zijn, er bestaan echter ook vloeibare. Zorg er voor dat je dit ook uit je verklaring kan afleiden (Ionen - ionische binding, en straal atomen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S in 0,69M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S-oplossing. &lt;br /&gt;
*Verifieer de waarde van K&amp;lt;sub&amp;gt;b&amp;lt;/sub&amp;gt; voor SO&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (bij 25°C) aan de hand van thermodynamische gegevens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Wat kan je doen om het evenwicht van een reactie naar de kant van de producten te krijgen? Heeft dit invloed op de snelheid van de reactie&lt;br /&gt;
*Elektrolyse van water: producten en voorwaarden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Verbrandingsractie C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt; (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij CO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; en water gevormd wordt, is deze reactie aflopend bij 65°C? + bereken. &lt;br /&gt;
*5,86g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen met eindvolume 300ml. Welke [HCl] nodig zodat Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaan? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je de ligging van het evenwicht verschuiven naar de kant van de producten? Zijn er dan ook gevolgen voor de snelheid van de reactie? (.../6) &lt;br /&gt;
*Onder welke voorwaarde en tot welke producten kan je water electrolyseren? (.../4) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*Je wil 5,68g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossen in water tot een eindvolume van 300ml. Welke HClO concentratie is nodig om ervoor te zorgen dan Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat? (.../3,5) &lt;br /&gt;
*Is de verbrandingsreactie (+O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;) van octaan (C&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;18&amp;lt;/sub&amp;gt;) waarbij koolstofdioxide en water vrijkomt aflopend 65°C of niet? Bereken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2008 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke factoren beinvloeden de reactiesnelheid? Heeft dit ook enig effect op het evenwicht van de reactie? &lt;br /&gt;
*Hoe kan men edelmetalen uit ertsen winnen? Bespreek de thermodynamische basis. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom sommige elementen alleen voorkomen of per 2 in een binding. &lt;br /&gt;
*Welk verband is er tussen proton- en elektrontransferreacties? Geef een voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de twee vuistregels van het maken van een buffer en leg dit uit aan de hand van de begrippen buffercapaciteit en neutralisatiegraad. Link dit ook met de thermodynamica en titraties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek de elektonenconfiguratie/orbitalen van een diatomair molecule. Geef ook 2 duidelijk uitgewerkte voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bespreek welke elektrolyse er in zuiver water doorgaat. (te verwachten bijvraag: hoe kan je dan wel elektrolyse laten doorgaan? ) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Een oxidatietitratie van 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; met een onbekende concentratie met 0.16M NaS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;. Na toevoegen van 16ml wordt het equivalentiepunt bereikt. Ga na hoeveel F&amp;lt;sup&amp;gt;-&amp;lt;/sup&amp;gt; er aanwezig is en bewijs dat de reactie aflopend is. &lt;br /&gt;
*Aan de hand van een kolom temperaturen met K-waardes, de activeringsenergie bepalen en K bij 400°C. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2007 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe reageert Broom met een base? Geef een relevante toepassing. &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen chemische kinetica en chemische thermodynamica? Beargumenteer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*25ml van een FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing met onbekende concentratie word getitreerd met een 0.16M Na&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing in zuur midden (Fe&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; reageert met S&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;O&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt;). Het toegevoegde volume bij het equivalentiepunt is 16ml. Bereken het aantal mol Fluoride-ionen dat in die 25ml FeF&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing zat. Toon aan dat het gaat om een aflopende reactie (bij kamertemperatuur). &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van ZnS in aanwezigheid van een 0.3M NH&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt;-oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe kan je zorgen voor vorming van meer product? &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de redoxpotentiaal en de zuurtegraad in je oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Je hebt 5.6g Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; in 600ml, je voegt HClO toe zodat je Cu(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; niet neerslaat. Bereken de concentratie aan HClO&lt;br /&gt;
*Bereken of volgende reactie aflopend is bij 68°C: 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 + 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; =&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 3O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de afleiding van een buffer. &lt;br /&gt;
*Wat is de drijfveer voor het vormen van complexe ionen en geef het verband met andere evenwichtsreacties. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Verklaar het voorkomen van diagonaalrelaties in het periodiek systeem. &lt;br /&gt;
*Geef chemische functies voor nitraat en geef aan of nitraat dan sterk of zwak is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de dissociatieconstante K&amp;lt;sub&amp;gt;d&amp;lt;/sub&amp;gt; voor de dissociatie van het complex Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; aan de hand van volgende gegevens: Be&amp;lt;sup&amp;gt;2+&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-1.97V en Be(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;&amp;lt;sup&amp;gt;2-&amp;lt;/sup&amp;gt; (aq) / Be (s) E°=-2.63V. Hoeveel energie is er nodig of komt er vrij bij de omzetting van 106g gasvormige methanol (van 338,10K) naar vaste methanol van 179,20K? &lt;br /&gt;
*Stel dat er 200kJ zou vrijkomen, hoeveel liter water kan men daarmee opwarmen van 25°C naar 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt voor een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2006 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Januari === &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element op het PSE iets afleiden over de chemische eigenschappen van dat element? Waarop is dit gebaseerd? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de oplosbaarheid van Ag&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; in een 0.3M H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; oplossing. &lt;br /&gt;
*Een gegeven reactie en dan de temperatuur berekenen waarop die reactie spontaan opgaat. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tusse de pH en het redoxpotentiaal van een waterige oplossing. Zo ja, waarom en wanneer (wel), zo nee, waarom niet of wanneer niet. Wat zijn de gevolgen als er al dan niet een verband is? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bij welke temperatuur gaat de volgende reactie spontaan op: 2SO&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; + 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;0 -&amp;gt; 2H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S + 30&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en de ligging van het evenwicht ervan? Zonee, verduidelijk waarom niet, of voor welke reacties niet. Zoja, waarom dan wel, en wat is dan dit verband? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken de pH van een oplossing die 0.060M benzoëzuur (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COOH) en 0.075M natriumbenzoaat (C&amp;lt;sub&amp;gt;6&amp;lt;/sub&amp;gt;H&amp;lt;sub&amp;gt;5&amp;lt;/sub&amp;gt;COONa) bevat. &lt;br /&gt;
*Stel dat je van bovenstaande oplossing 100ml hebt, wat is dan de pH na toevoegen van 15ml 0.1M KOH-oplossing? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 3&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe verander je de ligging van het evenwicht naar product-kant en heeft dit invloed op de reactiesnelheid? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beginconcentratie A gegeven en concentratie van B op verschillende tijdstippen. Bepaal de orde van de reactie en bepaal grafisch de snelheidsconstante. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie Reeks 4&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Kan je aan de hand van de plaats van een element in het periodiek systeem de zuur-base-eigenschappen en de redoxeigenschappen afleiden? Zo niet, hoe dan wel? Indien wel, op welke manier? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoeveel energie is er nodig/komt er vrij bij het afkoelen van 106 gram methanol van z&#039;n kookpunt (dampfase) tot z&#039;n smeltpunt (vaste fase)&lt;br /&gt;
*Hoeveel liter water kan je met 200kJ opwarmen van 25°C tot 65°C? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bespreek grondig het begrip katalyse in het algemeen, en daarnaa voor de redoxreacties in het bijzonder. &lt;br /&gt;
*Bij elektrolyse moet de aangelegde tegenspanning groter zijn dan de celpotentiaal. Waarom? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Oefeningen:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ba(OH)&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; aan de hand van de redoxpotentialen van de relevante halfreacties. &lt;br /&gt;
*Bereken of de volgende reactie aflopend is bij 37°C of niet. (neem voor S8 monoklien kristalsysteem) 2CH&amp;lt;sub&amp;gt;4&amp;lt;/sub&amp;gt;(g) + S&amp;lt;sub&amp;gt;8&amp;lt;/sub&amp;gt;(s) &amp;lt;=&amp;gt; 2CS&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;(l) + 4H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;S(g) &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een pH titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2005 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 1&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef de regels voor het bepalen van de moleculaire structuur van een covalente binding en die voor de coordinatie van een ionische. Geef de oorzaak van het verschil in de regels tussen beide. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuurtegraad, complexatie en potentiaal, geef daarbij een goede chemische reactie als voorbeeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Reeks 2&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de temperatuur en de evenwichtsconstante. Wat zijn daar de belangrijkste gevolgen van? &lt;br /&gt;
*Vergelijk de dissociatie van een biprotonisch zuur zoals H&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt;CO&amp;lt;sub&amp;gt;3&amp;lt;/sub&amp;gt; met het oplossen van een tweewaardig transmissiemetaal-kation en ligand-anion. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen zuur, base, oxidans, reductans, centraal metaalkation, ligand, water, ammoniak en acetaat. &lt;br /&gt;
*Geef het kwalitatief én kwantitatief verband tussen thermodynamica en kinetica. &lt;br /&gt;
*Situeer problematiek rond ozon in verband met het verkeer, het weer, industrie,... Contrasteer met het probleem van zure regen. &lt;br /&gt;
*Vergelijk koningswater, chroomvocht en piranhazuur. &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen ligandsterkte, redoxpotentiaal en pH bij het opruimen van zware metalen uit het stort. &lt;br /&gt;
*Hoe verhoog je het rendement van exotherme en endotherme evenwichtsreacties? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geologie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Beschouw &lt;br /&gt;
**De evenwichtsconstante; &lt;br /&gt;
**De vrije energie; &lt;br /&gt;
**De activeringsenergie. &lt;br /&gt;
**Tussen welke is er een verband en tussen welke niet? Waarom niet? &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen redoxpotentiaal, protontransfer en complexatie aan de hand van de winning van goud uit een erts. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je welke indicator je gebruikt bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;b&amp;gt;Geografie&amp;lt;/b&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Gebruik van de kinetische gastheorie om tot de botsingstheorie te komen voor chemische reacties. &lt;br /&gt;
*Welke chemische functies kunnen chloride en water allemaal hebben en geef aan of ze daar zwak of sterk zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe weet je welke indicator je moet gebruiken bij een titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2004 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Sommige redoxreacties worden beïnvloed door de pH, andere niet. Welke is de voorwaarde voor een redoxreactie om pH-afhankelijk te zijn? Hoe ziet die pH-afhankelijkheid er dan uit, in formulevorm? Is dit een belangrijk effect, of heeft de pH niet veel invloed? &lt;br /&gt;
*Vergelijk LiCl, NaCl en CsCl in termen van coordinatiestructuur tussen kation en anion en bindingssterkte. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Geef het verband tussen de pH en de redoxpotentiaal.( Is er wel/geen verband, waarom wel, waarom niet, leid het eventuele verband af) &lt;br /&gt;
*Waarom is O&amp;lt;sub&amp;gt;2&amp;lt;/sub&amp;gt; een biradicaal? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Op welke wijze hebben we het ijzergehalte in een ijzerzandsteen bepaald? Geef deze werkwijze schematisch weer! &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2003 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Heterogene katalyse: leg thermodynamica en kinetica van de reacties uit. &lt;br /&gt;
*Waarom is er een verschil in kristalstructuur tussen NaCl en CsCl? &lt;br /&gt;
*Bespreek de Lewisstructuur van het moleculaire zuurstof op basis van zijn elektronenstructuur. &lt;br /&gt;
*Waardoor wordt de zuurtegraad van oppervlaktewater bepaald? Welke gevolgen heeft dat voor mogelijke redoxreacties in dat water? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal? Bespreek. (nooit, soms, indien wel, leid het verband af) &lt;br /&gt;
*Leg uit waarom het zuurstofmolecule een biradicaal is. &lt;br /&gt;
*Waar moet je op letten als je een indicator kiest voor een zuur-base titratie en een pH-titratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2002 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen zuurtegraad en redoxpotentiaal? Zo nee, argumenteer waarom niet en zo ja, geef de afleiding. &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de geometrische vorm bij covalente bindingen? Bespreek de kristalstructuur bij ionische bindingen. Illustreer met enkele voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Bestaat er een verband tussen de snelheid van een chemische reactie en het evenwicht? Waarom is er geen verband of leid het verband af. Geef ook nog voor beide een voorbeeld. &lt;br /&gt;
*Kan je van twee elementen op basis van de tabel van Mendeljev de evenwichtsconstante van een elektrontransferreactie afschatten? Leg uit. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Het verband tussen redoxpotentiaal en pH. Is er een verband (nooit,soms,altijd) en is er een afleiding? Geef ze. &lt;br /&gt;
*Toon aan dat het moleculaire zuurstof biradicaal is. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Practicumvraag:&amp;lt;/u&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Hoe bepaal je de indicator van de pH-titratie en de redoxtitratie? &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== 2001 ==&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Januari ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Welke theorie vormt de basis van de chemische kinetica? Verklaar deactiveringsenergie en waar past deze in de theorie? &lt;br /&gt;
*Verklaar het kristalrooster van de ionische binding.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
=== Augustus ===&lt;br /&gt;
&amp;lt;u&amp;gt;Theorie:&amp;lt;/u&amp;gt; &lt;br /&gt;
*Is er een verband tussen de pH en de redoxpotentiaal van een stof in oplossing? Zo ja, argumenteer en staaf met voorbeelden. &lt;br /&gt;
*Waarvan is de evenwichtsconstante afhankelijk bij redoxvergelijkingen? Geef de afleiding en geef een vuistregel die bepaalt of een reactie al dan niet aflopend is.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Evy</name></author>
	</entry>
</feed>